Leestijd 7 — 10 minuten

Hoe spreken over de dood vanuit het leven?

Een pleidooi voor zelfmoord – Jozefien Mombaerts/Kopergietery

‘Zolang je niet voor de dood kiest, kies je voor het leven,’ stelt Jozefien Mombaerts in Een pleidooi voor zelfmoord vast. Is het werkelijk zo zwart-wit? In een persoonlijke monoloog probeert de Gentse theatermaakster haar ongrijpbare verlangen naar de dood onder woorden te brengen en zo het taboe rond zelfmoord te doorbreken. Het is een bijzonder moedige maar ook moeilijke missie.

Het gebeurt niet vaak dat de titel van een voorstelling op voorhand zoveel controverse uitlokt. Het is dan ook één van de eerste dingen die Jozefien Mombaerts tackelt in haar solo Een pleidooi voor zelfmoord, gemaakt bij het Gentse Kopergietery. Waarom hebben we toch allemaal zo snel een mening klaar, nog voor we weten wat ze ons echt wil vertellen? Toegegeven, ik was zelf één van die mensen bij wie de titel zwaar op de maag lag. Niet zozeer omwille van wat die vier woorden vertellen. Kiezen om te sterven is de meest ingrijpende beslissing in iemands leven. Bij wie ligt de autonomie daarover anders dan bij jezelf en bij jezelf alleen, hoe zwaar de impact op onze geliefden ook?

Nee, eerder had ik moeite met hoe de titel dat idee formuleert. Een pleidooi voor zelfmoord… Dat heeft iets weg van een traktaat of essay waarin de kosten en baten van een zelfdoding objectief worden onderzocht, vanuit een stille kamer met de gordijnen gesloten. Het heeft iets theoretisch, rationeel, weloverwogen. Onthecht van de pijn en verdriet die aan zo’n ‘zelf-executie’ plakt, om het met de woorden van wijlen Joost Zwagerman te zeggen. Ik kon me niet voorstellen dat mijn hartsvriendin of zwakzinnige oom die zich de voorbije jaren van het leven hebben beroofd ooit zoiets gezegd of geschreven zouden hebben, hoe groot hun verlangen naar de dood (of beter: naar een ander leven) ook was.

Nu ik Mombaerts’ voorstelling heb gezien, kan ik beter formuleren wat mijn ongemak over de titel precies uitlokte. ‘Een pleidooi voor zelfmoord’ is een uitspraak die uit de pen lijkt te komen van iemand die nog heel erg tot de kant van de levenden behoort. Voor wie zelfmoord een ingebeelde, geen beleefde, realiteit is. Dat geeft het ergens iets – ik kan het niet beter omschrijven, ook al twijfel ik geen seconde aan Mombaerts’ integere intenties – misplaatst. Makkelijk om te zeggen als je niet dood bent, zoiets?

Zelfcensuur

Het is een paradox die voor mij de hele voorstelling zal kleuren: hoe kan je spreken over zelfmoord vanuit het standpunt van iemand die nog leeft, maar voor wie de dood wel heel reëel voelt? Kan je dat geloofwaardig doen, en zo ja, hoe? Het is een complexe vraag, die zowel aan theatraal-artistieke als aan maatschappelijk-ethische normen raakt, niet in het minst aan het taboe rond zelfmoord en ons diepe onvermogen om daarover te spreken. Mombaerts schetst het treffend in haar zelfgeschreven tekst die ze gewoon als ‘zichzelf’ performt op een leeg podium, met niets in de zakken of mouwen: mochten de 1051 mensen die in 2018 uit het leven stapten, gestorven zijn in het verkeer of aan kanker, dan zouden we grootse preventiecampagnes en praatprogramma’s opzetten. Niet zo bij zelfmoord. Dat zwijgen we nog steeds op grote schaal dood. Zo werd de doodsoorzaak van filmrecensent Ward Verrijcken of vlogger Kastiop vorig jaar uit de pers gehouden, op vraag van de familie en als maatregel tegen copycatgedrag. Mensen met een zelfmoordwens doen ook vaak aan zelfcensuur, uit angst voor het verwijt van aanstellerij.

Op de één of andere manier slagen we er als samenleving dus niet in om zelfmoord ernstig te nemen zolang er geen slachtoffers vallen. Zolang iemand leeft, lijkt de dood niet werkelijk, ook al is ze dat in iemands geest vaak wel. Misschien is het idee voor buitenstaanders te groots of te beangstigend en kunnen we niet buiten een binaire logica denken. Of ontbreken ons de juiste woorden en stiltes. Tenslotte is de kunst van het sterven ons als westerlingen vreemd. De vraag naar Mombaerts’ geloofwaardigheid en spreekrecht overstijgt daarmee het theatermedium en legt een structurele limiet bloot waar we allemaal tegenaan lopen bij de confrontatie met een suïcidaal persoon.

Als Een pleidooi voor zelfmoord in die zin één grote verdienste heeft, dan wel dat Mombaerts toont dat er tussen het leven en de dood een continuüm bestaat

Als Een pleidooi voor zelfmoord in die zin één grote verdienste heeft, dan wel dat Mombaerts toont dat er tussen het leven en de dood een continuüm bestaat. Ze vraagt aandacht voor alle mensen die tussen beide werelden zweven en niet zo goed weten welke kant ze uit moeten, of hoe ze dat überhaupt moeten doen, ‘leven’. In de voorstelling krijgt dat idee vorm in de plek van ‘een stichting voor de vrijwillige dood’ waar het hoofdpersonage naartoe gaat, een soort antipsychiatrie waarin mensen in schoonheid kunnen eindigen op een zelfgekozen moment. Die vrijheid om openlijk over hun zelfmoordwens te spreken en niet veroordeeld te worden is wat mensen vaak heel erg deugd doet, zo ervaren ook vrijwilligers aan de Zelfmoordlijn. Soms is het benoemen op zich, weten dat het kan en mag, al voldoende om de dood een veilige – imaginaire – plek te geven. Mombaerts vraagt het op het eind ook expliciet aan het publiek: durven we haar de toestemming te geven om er niet meer te zijn? Kunnen we dat iemand gunnen?

Dubbelzinnige constructie

En toch. Een pleidooi voor zelfmoord is sterk in de ethisch-filosofische vragen die het oproept over zelfbeschikkingsrecht, waardig afscheid nemen en de limieten van menselijke draagkracht en zorg. Het is een onderwerp dat Mombaerts duidelijk al lang bezighoudt. Toch blijft de voorstelling ook ergens in dat metaperspectief steken, zonder overtuigend de vertaalslag te maken naar een psychologisch en emotioneel doorvoelde wereld. Nergens werd ik door het verhaal echt geraakt, te weinig werd de psyche van deze vrouw, die zo hartstochtelijk naar de dood verlangt, wezenlijk en complex invoelbaar gemaakt. Tijdens het kijken overviel me weer hetzelfde ongemak als toen ik voor het eerst de titel hoorde: waarom voelt dit relaas toch zo hoofdelijk, zo niet-geleefd?

Toch blijft de voorstelling ook ergens in dat metaperspectief steken, zonder overtuigend de vertaalslag te maken naar een psychologisch en emotioneel doorvoelde wereld.

De monoloog is nochtans erg persoonlijk, en vermoedelijk ook deels autobiografisch. Het personage dat Mombaerts opvoert, draagt haar eigen naam en het levensverhaal dat ze in interviews vooraf deelde, vertoont veel parallellen met het fictieve script. Zo geeft de theatermaakster toe hoe ze als zevenjarig meisje al flirtte met zelfmoordgedachten, omdat ze het leven te druk, te hard, te zwaar en te beangstigend vond. Ook vertelt ze over haar ervaring op de toneelschool waar ze als kind van de bravo-generatie te ‘gelukkig’ werd bevonden om goed theater te maken. Sommige elementen stroken dan weer niet met de realiteit, zoals het feit dat het personage Fien geen kinderen wil terwijl de echte Jozefien een zoontje heeft, andere blijven ambigu. Zo gaat een belangrijk deel van de tekst over de verlieservaringen die Mombaerts fundamenteel hebben getekend: de dood van haar beste vriend aan kanker en de zelfmoord van haar mama.

Of die echt gebeurd zijn, kom je niet te weten. Dat hoeft ook niet, egotheater is lang niet perse de beste vorm om dergelijke zware thema’s te bevragen. Alleen is het nu niet zo helder wat die dubbelzinnige constructie tussen echt en verzonnen precies moet opleveren. In plaats van dat er zo een gelaagd personage ontstaat waarbij vervaagt wat uit het leven gegrepen is en wat niet, komt de vraag naar waarachtigheid ongewild boven het stuk hangen. Door de minimale set-up en het persoonlijke kader installeert Mombaerts een code van authenticiteit die dan toch weer ondergraven wordt door een al te sterk aangezet spel bij sommige scènes, zoals bijvoorbeeld de dramatische reconstructie van het moment toen haar mama werd gevonden.

Wellicht heeft het gebrek aan geloofwaardigheid en emotionele impact ook veel te maken met de theatrale vorm die niet helemaal goed zit. Mombaerts is met haar Gentse accent een sappige verteller met een mooie en open présence, maar een rasactrice is ze (nog) niet. Er hangt te veel ‘theater’ aan haar woorden en dat geeft de kwetsbaarheid iets gespeeld. De tekstcompositie, waarin ze flashbacks aan haar kindertijd en de dood van haar moeder vervlecht met meer essayistische bespiegelingen over zelfmoord en haar opname in het fictieve sanatorium, is te sterk gemonteerd. Zelden durft Mombaerts echt ‘door’ te vertellen, een gedachte volledig uit te spitten, een sfeer op te bouwen en vast te houden. De inbreng van muzikant Joeri Cnapelinckx helpt daar niet bepaald bij. Zijn composities zijn sfeervol en stemmingsrijk, daar ligt het niet aan, maar ze breken in op momenten dat er geen shift in ritme of tonaliteit nodig is. Zo krijgen ze eerder iets weg van een stoorzender.

Zelfmoord als idee

Mombaerts opent Een pleidooi voor zelfmoord met de belofte om ons haar ongrijpbare wens om te sterven uit te leggen. Echt doordringen tot de kern van dat verlangen doen we echter niet. Op het einde komen we er misschien nog het dichtste bij wanneer de theatermaakster vertelt hoe een individueel leven vanuit kosmisch perspectief niets waard is. Vanwaar komt toch de menselijke pretentie van noodzakelijkheid? Even later trekt ze haar kleren uit en verdwijnt ze in de duisternis, terwijl we enkel nog een voice-over horen. Als ‘argument’ voor zelfdoding heeft het opnieuw iets denkbeeldig, generalistisch bijna…

Mensen willen het zo graag begrijpen, maar daarvoor moet je ze durven meenemen naar de afgrond van de pijn. Hoe diep, hard en confronterend dat ook is.

Natuurlijk bestaat er geen eenduidige verklaring voor een zelfmoord(wens). Als iedereen het uitgelegd kreeg, dan zouden er wellicht veel minder mensen moeten sterven. Of zoals Mombaerts het zelf verwoordt: ‘de vraag stellen naar wat me zo pijn doet, doet pijn.’ Natuurlijk heeft ze 100% gelijk, maar ergens voelt het ook als de uitdaging niet helemaal ter harte nemen. Mensen willen het zo graag begrijpen, maar daarvoor moet je ze durven meenemen naar de afgrond van de pijn. Hoe diep, hard en confronterend dat ook is. Anders blijft die onoverkomelijke vervreemding tussen de levenden en de (bijna-)doden intact, blijft zelfdoding louter een gedachte, geen geleefde hel waaraan zoveel mensen dagelijks ten onder gaan. Die mogelijkheid tot speculatie is net wat het theater voor heeft op het leven.

Ergens in het stuk vraagt Mombaerts zich af of we zelfmoord niet vooral moeten leren aanvaarden in plaats van begrijpen. Ik weet het niet… Hoewel iedere verlieservaring fundamenteel anders is, heb ik het gevoel dat ik al lang aanvaard heb dat mijn vriendin uit het leven is gestapt, dat had ik misschien al gedaan toen ze nog leefde en haar zelfmoord vaak ‘oefende’. Ik zie het nu vooral als mijn taak om elke dag een beetje beter te proberen begrijpen vanuit welk onbeschrijflijk lijden ze dat heeft gedaan, ook al weet ik dat ik nooit de densiteit van die éne, laatste seconde zal kunnen ‘navoelen’. Misschien verklaart dat waarom ik toch wat onvoldaan achterbleef na Een pleidooi voor zelfmoord. Dit stuk gaat heel erg over het verlangen en het recht om over zelfmoord te kunnen spreken, en dat is een ontzettend belangrijke en moedige missie. Maar dat is nog iets anders dan die dood zelf recht in de ogen durven kijken. Kunnen we dat als levenden ooit leren? Ik hoop het.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#165

03.09.2021

30.11.2021

Charlotte De Somviele

Charlotte De Somviele schrijft freelance over dans en theater voor o.a. De Standaard en is kernredactielid van Etcetera.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!