Foto ‘s Kris Kuypers

Marianne Van Kerkhoven

Leestijd 5 — 8 minuten

Het regent maar ik word niet nat

‘Verwanten’ vraagt verwante toeschouwers

Verwanten is na Roelof Hartplein 4 en Koning Oidipous, een queeste de derde produktie van het Stuc-Leuven. Marianne Van Kerkhoven bespreekt de voorstelling. Nieuwe eenvoud of nieuwe armoede?

Verwanten, naar Iwanow van Anton P. Tsjechov, in een regie van Paul Peyskens, is de derde produktie van het Stuc-Leuven. Het produceren van eigen theaterprojecten wint binnen het pakket van theateractiviteiten van het Stuc aan belang, maar tegelijkertijd staat deze voorstelling in nauwe relatie tot de theatercursussen die daar worden ingericht. In Verwanten acteren voor het merendeel mensen die deze cursussen volgden. Het is dan ook eerlijk om Verwanten onder meer te bekijken als een school- of werk-voorstelling.

In de inleiding van de programmabrochure lezen we dat in deze cursussen gewerkt wordt aan “een herdefiniëring van het acteren: de afbouw van de acteursmythe”. Dit laatste kan inderdaad een ‘politieke optie’ zijn, een drijfveer, een motivering van waaruit een terechte strijd tegen de “bestaande verkalkte opleidingen” wordt aangebonden ; maar deze ‘politieke optie’ alléén volstaat niet. Wellicht maken de ‘nieuwe tachtigers’ hier precies dezelfde fout als de 68-ers, nl. te denken dat ze zonder de geschiedenis verder kunnen. Wie een volwaardig alternatief voor een traditionele opleiding wil opbouwen, moet zich over veel meer buigen dan de acteursmythe alleen : zij is immers slechts ‘een gevolg van’. De vraag naar het belang van métier, maar voor alles de vraag naar wat met de traditie – als opstapeling van te verwerken of te verwerpen rijkdom – dient hier gesteld. Dit alles even ter inleiding, als een van de kaders die m.i. tegenover de voorstelling gehanteerd moeten worden.

Territorium

Je wordt met een beperkt aantal toeschouwers binnen geleid in een vierkante kamer met houten vloer; tegen de grond ligt neonverlichting; door het grote deurgat achteraan, zie je, in een vermoedelijk grotere ruimte, een vleugelpiano staan; er zijn ook nog: een spiegel, twee zetels, twee ramen en twee andere deuren, waarvan één rechts naar het kleine kamertje van Iwanow leidt; de pick-up speelt zeer zacht muziek. Als je naar boven kijkt, zie je een aantal geweien hangen, die je op de muur van de grotere kamer, achteraan, in geschilderde vorm gereproduceerd ziet. Er komt een figuur (Jan Decorte) de kamer in, die zeer geestig met veel dubbele bodems fragmenten uit brieven van Tsjechov voorleest: een ontmoedigde, vermoeide Tsjechov, die niet meer weet voor wie hij schrijft, die de kritiek een hol vat noemt en het theater het schurft der steden. De toneelsituatie in Tsjechovs tachtiger jaren blijkt model te kunnen staan voor die van onze tachtiger jaren. Deze Tsjechovfiguur zal later nog af en toe als toeschouwer in de kamer opduiken waarin diverse personages gaan evolueren; sommigen gaan met mekaar relaties aan en worden verwanten; anderen blijven als vreemden langs mekaar heenlopen. Praten doen ze weinig; ze vervelen zich wellicht, maar zonder nadrukkelijkheid. “Die overtollige lieden, dat overtollige gepraat” (Tsjechov, Iwanow, I, III).

Het ritme van hun ontmoetingen en handelingen is aangenaam traag, vér van de commerciële ‘drive’, die om de zoveel seconden wil scoren. Je kan er lang en aandachtig naar kijken. Het tijdsverloop bepaalt in hoge mate de structuur van de voorstelling. De ruimte is een ander structureel element: we komen de kamer niet uit, een kamer waarin ieder personage momentaan zijn territorium afbakent; de meesten kiezen zich plekken ‘aan de kant’: de twee zetels en de rollende theetafel, de spiegel, het raam. Slechts weinigen wagen zich in de arena, bespelen de hele ruimte: vooral dan Iwanows vrouw als ze danst, Ivanow zelf gaat wel stampvoetend-met-twee-voeten-tegelijk de vier zijden van de kamer rond; hij beschrijft de omtrek van het vierkant, niet het hart. “Stil the same old story. Defend your territory. From the others. From your brothers” (Brian Auger in Street Noise).

Maar noch de ruimte en haar gebruik, noch de tijd en zijn accidenteringen hebben voldoende expressieve kracht om een reële basisstructuur voor deze voorstelling te leveren. Ook het geraamte van Tsjechovs stuk wordt volledig overboord geworpen: er zijn nog wel flarden van zijn tekst; er zijn ook nog relaties die verwijzen naar relaties uit Iwanow, maar ze lopen nergens samen tot een verhaal of een ander structurerend patroon. Een bewust verwerpen van structuur, zoals het bewust verwerpen van traditie. De vraag rijst daarbij: hoelang kan dat en hoe volledig kan dat? Want tegen het verwerpen van structuur wordt in deze voorstelling gezondigd, gelukkig misschien. Waarom — wanneer Tsjechovs stuk enkel ‘aanleiding’ is — wordt in Verwanten toch de meest dramatische scène, nl. die waarin Iwanow Sarah in het gezicht slingert dat ze binnenkort doodgaat, wél behouden? Gezien ze echter in Verwanten geen structurele band heeft met wat ervoor en erna komt, wordt Iwanows woede hier slijmerig in plaats van dramatisch. Nochtans bevat deze scène een sleutel’ tot de voorstelling, omdat de “gecomplexeerde” relatie van deze theatermakers tot structuur hier parallel loopt met hun “gecomplexeerde” relatie tot gevoel. Zeer weinig gevoelens worden zichtbaar gemaakt; ze zitten weggedoken; ze worden weggelachen, zoals b.v. in de scène waar Iwanows vrouw haar zakdoek vol bloed hoest, iemand zegt: “Jawel! Het is tering” en iedereen begint te lachen; ook mensen in het publiek.

Nieuwe armoede

Angst voor gevoelens, angst voor structuren: is dit een angst voor dingen die (te) duidelijk zijn? En hoelang is dit extreme scepticisme houdbaar? En in hoeverre maakt precies het afwijzen van die duidelijke dingen deze voorstelling slechts toegankelijk voor verwanten, voor diegenen die zich in dezelfde sfeer bevinden ? M.a.w. maakt het verwerpen van structuur als objectief gegeven, van getoonde gevoelens als herkenbaar teken de voorstelling niet tot een vertoon voor ingewijden, waarbij de ‘andere’ toeschouwers zich in de (onbehaaglijke rol van voyeur geduwd voelen? “Alleen verwanten voegt het zonden van verwanten aan te zien en aan te horen” (Koning Oidipous).

De keuze is die tussen compliciteit of vrijblijvendheid en brengt ons terug tot het gegeven ‘school’-voorstelling, d.w.z. Lehrstück, spel dat belangrijker is voor de acteurs die eraan deelnemen dan voor het publiek dat komt kijken. En toch is er duidelijk een publiek dat van Verwanten houdt; het komt in groep-groepjes; dat zie je ook tijdens het feest dat elke avond Verwanten afsluit. Ze kennen/herkennen de beeldentaal in Verwanten gehanteerd. Zijn die beelden dan reeds tot een codetaal, tot clichés geworden? Sommige wel. Sinds de Ti amo van Umberto Tozzi die zo krachtig het eerste deel van Jan Decortes enscenering van Hamletmachine afsloot, hebben we al ettelijke keren schlagers als emotionele of reële sluitstukken in voorstellingen aangeboden gekregen. Ook nu weer: het meisje dat onder haar jasje in een zetel wegkruipt op de tonen van You are my everything en de Tura-hit Het regent, maar ik word niet nat die het slotfeest introduceert.

Voor mij rijst dan ook de vraag of dit zoeken naar extreme eenvoud en het werken met ‘gemakkelijke’ (triviale) elementen zoals schlagers niet aan de limieten van zijn mogelijkheden gekomen is. De nieuwe eenvoud die hier in de programmabrochure voorop geschoven wordt —als opvolger van de nieuwe esthetiek? — dreigt een nieuwe armoede te worden, die haar reële schaarste aan middelen tot principe verheft. Dat is slim, maar het bevredigt niet. Wat Peyskens mij in Verwanten toont komt de muren van de kamer niet uit; en dat wil hij wellicht ook zo. Het vertelt me iets over de mensen in die kamer en hun relatie tot mekaar, tot mij en de tijd; en tegelijkertijd ervaar ik het als iets weliswaar verzorgds en af, maar ook perspectiefloos. Perspectiefloos d.w.z.: door het verwerpen van ‘alles’, door het depouilleren tot ‘niets’ put deze voorstelling zich zelf uit. Tegenover Peyskens blijft de verwant Decorte mijlen voorop: terwijl Peyskens de vermeende frustratie-der-structuren, de vermeende frustratie van het klassieke en de traditie nog bezig is tot het einde te beleven, heet Decortes nieuwste project alweer Mythologies, een onderzoek naar de oorsprong, naar die sombere bronnen waar alles vandaan komt.

Marianne Van Kerkhoven

VERWANTEN

naar Iwanow van Anton P. Tsjechov; bewerking en regie: Paul Peyskens; architect: V. Lenertz; schilderingen: Johan Daenen; spelers: Koen Raymaekers, Hilde Wils, Bart Deputter, Eddy Vaes, Karen De Visser, Karien Peeters, Linda Goetghebeur, Marco Hastert, Martine Dehertoghe, Reinhilde Weyns, Vic Mees

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#7

15.07.1984

14.10.1984

Marianne Van Kerkhoven

Marianne Van Kerkhoven (1946-2013) was een Vlaamse dramaturge en theatercriticus. Ze was ondermeer actief als huisdramaturg bij het Kaaitheater en publiceerde tal van artikelen over podiumkunsten. Een aantal van haar teksten werd verzameld in Van het kijken en van het schrijven (2001).