‘Het Kind van de Smid’ (Josse De Pauw / Peter Van Kraaij) Foto Michiel Hendryckx

Dirk Verstockt

Leestijd 7 — 10 minuten

Het Kind van de Smid

Josse De Pauw/ Peter Kraaij, Brussel

‘Cowboy en indiaan’ draaide in mijn kinderdagen meestal uit op ‘indiaan’ tout court, omdat er nauwelijks iemand te vinden was die ‘blanke hond met gespleten tong’ wou spelen. We lazen en bespraken alles wat we over Indianen onder ogen kregen. Namen als Sitting Buil, Red Cloud, Crazy Horse, American Horse, Tecumseh, Chief Joseph, Geronimo, Cochise, Wounded Knee (x 2), Fort Fetterman, Custer, mesas, canyons en B.I.A. hadden voor ons geen geheimen. En dat Buffalo Bill en Wild Bill Hichock geen helden, maar ordinaire bizon-en indianenjagers waren, wisten we al heel vroeg.

Met deze universele jongensfascinatie als vroegste aanleiding schreven Josse De Pauw en Peter Van Kraaij Het Kind van de Smid, net op het ogenblik dat de wereld weer ergens in brand staat. Een zoveelste slachtpartij – met dit keer het inzetten van religie, macht, hoog-technologisch en massaal vernietigen, racisme, nationalisme, weerloosheid, geweld, manipulatie en nietsontziend eigenbelang – verduidelijkt nog maar eens dat ‘een nieuwe wereldorde’ een zeer irreëel begrip is en blijft. Dat moest de geschiedenis ons allang geleerd hebben.

Josse De Pauw, één van de inte-gerste kunstenaars die hier in Vlaanderen ronddwalen, leeft gestaag verder in zijn oeuvre/leven als theater- en filmacteur, auteur en filmmaker. Na het legendarische Radeis-tijdperk (1977- 1984), na Usurpation (1985) en Ward Comblez, he do the life in different voices (1989) kan hij nu Het Kind Van de Smid aan het markante rijtje van eigen voorstellingen en theaterteksten toevoegen. De tekst ontstond opnieuw uit een samenwerking met Peter Van Kraaij, die ook Ward Comblez regisseerde en met wie Josse De Pauw in de zomer van dit jaar hun lang geplande film Vinaya zal realiseren. Peter Van Kraaij droeg vooral het Amerikaanse materiaal aan en Josse De Pauw het Australische. Het bij elkaar schrijven van de vijf hoofdstukken waaruit de tekst bestaat, draagt onmiskenbaar de stempel van Josse De Pauw : kort-droge zinnen, relativerend, afstandelijk en tegelijk zeer betrokken, warm en vol rijke beelden. Hij heeft niet veel woorden nodig om de taal zo betrouwbaar als mogelijk te gebruiken en de beelden scherp te stellen. Ook hier vallen vele warme woorden.

Tegen het decor van twee van de grootste genocides die de mensheid ooit gekend heeft, waarbij én bestaansmiddelen én cultuur zo goed als vernietigd werden, met hulp van overheid, leger en kerk, speelt dit epos zich af. De tekst begint bij de dagboeken van de smid, een Ierse immigrant die in Saint Louis ingelijfd wordt in het veertig man sterke (elite) Corps of Discovery dat onder leiding van de kapiteins Lewis & Clarke tussen 1804 en 1806 de bovenloop van de Missouri verkende. Met de hulp van Sacajaweja, de Soshone vrouw van een Canadese trapper, Toussaint Charbonneau, wordt de verdere tocht van het gezelschap minder zwaar, zodat slechts één man het leven liet (tenminste, volgens de officiële geschiedenis). De Smidkeerde niet meer terug naar de Oostkust.

In de figuur van Sacajaweja woont het noodlot. Als vrouw én Indiaanse droeg zij de ondergang van haar volk met zich mee , dwars doorheen meer dan de helft van het Amerikaanse contintent. Door haar aanwezigheid en hulp in de contacten met de Indiaanse stammen die ze op hun weg ontmoetten, slaagde de expeditie van Lewis & Clark erin om de Westkust van Amerika, via de Rocky Mountains, te bereiken. Hierdoor baande zij mee het eerste pad naar de bijna Endlösung van de Indiaanse Naties. The Frontier bestond niet meer en weldra trokken duizenden kolonisten westwaarts, reden treinen van de Atlantische naar de Stille Oceaan, werden de bizons en de Indianen massaal afgeslacht. Tegen 1890, na de laatste Zonnedans-opstanden en daaruitvolgende Indianenoorlogen, waren de Indiaanse Naties voorgoed gedegradeerd tot de laagste klasse van de Amerikaanse samenleving. Op het Zuidamerikaanse continent ging het er niet zoveel menselijker aan toe. Honderd jaar later is er nauwelijks iets veranderd, alleen dringt het belang van deze ecologistische cultuur – aan de nobele wilde voorbij – traagzaam tot ons door. En dat heeft niets met roodhuidenromantiek van doen. Een tweede voedingsbodem voor het verhaal is het boek De Fatale Kust, van Robert Hughes, over de kolonisatie van Australië en de import van Britse gevangenen, tegelijk ook het begin van de uitroeiing van de Aboriginals.

De hoofdpersonages vallen allen buiten de normen van de conformiteit, van het maatschappelijk aanvaardbare. Een smid die in Ierland niet meer weet van welk hout pijlen te maken en naar Amerika uitwijkt. Een Indiaanse vrouw die met de blanke expeditie naar het Westen reist. Haar twee kinderen zijn halfbloeden, van twee verschillende mannen. De twee kinderen zijn de eerste generatie voorgoed ontwortelden en reageren op verschillende wijze. Pomp, de eerstgeborene en kind van de Canadese trapper wordt naar een Indiaanse school van de blanken gestuurd. Deze vorm van ‘onderwijs’ was niet meer dan een ver doorgedreven hersenspoeling. Zijn Indiaanse identiteit wordt er grondig mishandelt in confrontatie met blanke gedragsregels. De daar opgelopen innerlijke verwondingen en het besef dat die blanke cultuur onherroepelijk verder zal oprukken – zijn bestaanswijze fundamenteel zal aantasten -, niets ontziend, dwingen hem tot een onherroepelijke daad. Hij keert zich van de buitenwereld af en kiest voor zijn binnenwereld. Hij laat zich de ogen door de zon kapotbranden. Hij blijft bij de stam van zijn reeds vroeg gestorven moeder. Later, na de dood van de Smid trekt hij naar Navajogebied.

Het Kind, de tweede geborene, is de natuurlijke zoon van de Smid. Het Kind groeit op als een Shoshone en door een toeval reist hij met een Brits botanicus mee naar Groot-Brittannië en Ierland. Bij een aanval op een graanopslagplaats, we zitten dan midden in de grote Ierse hongersnoden die duizenden Ieren deden uitwijken naar de Verenigde Staten, wordt het Kind gearresteerd. Het Kind begint een meer dan vijftien jaar lange zwerftocht langs het beestachtige gevangenissysteem van het Britse rijk. Hij wordt verbannen naar Australië, waar hij de strafkampen van Tasmanië ontvlucht, wordt opgepikt door een Amerikaanse walvisvaarder en later overboord gezet, komt terecht bij een stam Aboriginals. Deze levert hem na verloop van tijd uit aan de Britse autoriteiten. Zij transporteren hem naar het Cayenne van Australië : Norfolk Island, meer dan vijftienhonderd kilometer van de Australische noordoostkust verwijderd. De moed der wanhoop en het toeval brengen hem, na een reis langs de eilanden van de Stille Zuidzee en een zoektocht door het Amerikaanse continent, uiteindelijk terug naar zijn blinde/ziende broer, naar Pomp. Een wereldreis langs de grootse ellende van de toenmalige (en de huidige) wereld. Hoe het leven mensen overkomt.

Alleen al in de tekst geciteerde boodschap van de toenmalige president van de Verenigde Staten aan de Indiaanse Naties die Lewis en Clarke op hun expeditie ontmoetten, geeft deze Kind van de Smid meer dan voldoende redenen tot bestaan. De bewuste passage mag u niet bespaard blijven. We schrijven 1804 : “… Vermijd samenzweringen van slechte vogels. Wendt u af van hen zoals gij u van de afgrond afwendt indien ge wilt vermijden door één foute stap de toorn van uw Vader op te wekken. En weet dat hij U kan verschroeien als de brand het prairiegras.”

Het verhaal overspant een periode van meer dan vijftig jaar en speelt zich af op drie continenten. De continuïteit van de geschiedenis wordt aangegeven door de oude prenten van een tijdsband zoals die voor 1970 in heel wat lagere schoolklassen langs de muur hingen. Hier hangen ze langs de natuurlijke wanden van de speel vloer welke bedekt is met een dikke laag donkere turf. Links een imposant aambeeld en rechts, dieper, een sofa. De turf/aarde, als verbondenheid daarmee en ook de scheiding, het steeds verder weg drijven van dat bewustzijn.

José Verheire, die na de traag wijkende duisternis en de indrukwekkende, net niet bombastische muziek van Schittke, naar voor komt en zich centraal vooraan neerzet. Hij leest voor uit de dagboeken van de smid. Hij haast zich niet, leest aandachtig en installeert de rust en het langzame noodzakelijke ritme van de voorstelling. De overigen betreden de speelvloer naarmate ze door de dagboeken geïntroduceerd worden. Je luistert en kijkt, niet naar acteurs die personages spelen, zich inleven, maar acteurs die vertellen, en elk acteur neemt een standpunt t.o.v. de hem toegewezen tekst. Zo vertellen Josse De Pauw en Frank Vercruyssen resp. (over) Het Kind en Pomp, waarbij ze in de hij-en ik-vorm beschrijven. Vaak vinden ze een merkwaardige verstandhouding in hun spel. Josse De Pauw gebruikt zijn aardse uitstraling terecht, nadrukkelijk en innemend, bonkig en aandacht zuigend. Frank Vercruyssen, in Oosters aandoende rok en broek, vaak gehurkt op de hielen zittend is brozer naast De Pauw en speelt met een grote terughoudendheid. Hij draagt de trotse weerloosheid van Pomp. Willy Thomas is een sport van duiveltje doet al, bijna letterlijk en figuurlijk. Hij neemt de ‘officiële’ teksten voor zijn rekening : toespraken van Indianen-opperhoofden, brieven, toespraken van Lewis, van de President van de Verenigde Staten, logboekfragmenten, citaten,… Hij bedient zich van een mikrofoon en een helgekleurde, draagbare luidspreker en smukt zichzelf regelmatig op met karnavalshoedjes, valse brillen, baarden en oren. Zijn karikaturale verschijning, een groteske uitvergroting, staat in schril contrast met de tragische consequenties van zijn interventies en mededelingen. Hij vertelt met bijna duivels plezier, ironisch-sarcastisch en die toon houdt de loodzware thematiek in evenwicht, wringt tegelijk het mogelijk pamflettaire de nek om, maar benadrukt tegelijk de ernst van de vaststellingen. De donkere, expressionistische kleuren van de turf, het aambeeld, de natuurstoffen van de kostuums en het zachte licht, contrasteren scherp met de primaire felle kleuren van de plastic carnavalsattributen en geluidsapparatuur van Willy Thomas. Wanneer de acteurs niet aan het woord zijn, trekken ze zich terug, ver naar achter en luisteren, kijken, zijn aanwezig. Doorheen de tekst en deze ‘mannen’voorstelling trekt de aanwezige afwezigheid van vrouwen, van de tragische vrouw en moeder Sacajaweja, en dat is nodig, zo.

Dit ‘verteltheater’ en wat doet dat onrecht aan datgene wat er allemaal te zien is) bedient zich vooral van aanwezigheid van lichaam, stem en bewustzijn en staat pal tegenover en ver van het soort acteren dat bvb. Jan Decleir hanteert, dat spelen met volle geweld en inzet van zweet, speeksel en grimassen, heen en weer springen tussen de verschillende personages die via motoriek getypeerd worden, en dat via punchlines tot scoren komt. Hier kijk je naar acteurs die vooral zichzelf blijven en rond de personages, rond de vertelling cirkelen, heel dichtbij. Dit vertellen laat zich meemaken als een intiem kamerconcert en de sereniteit ervan brengt adem en ruimte voor de toeschouwer.

Het Kind van de Smid maakt een associatieve en emotionele stroom los, als uit een boek met vier levende bladzijden. Ze zijn schilders die zich bedienen van de suggestie en de kleuren van hun indringende aanwezigheid, kleine gebaren en vooral hun warme, mooie en ‘eigen’ stemmen. Hun doeken kunnen slechts daar ontstaan, buiten het rumoer en de mist van de grote zalen. Tegelijk nemen ze je mee, als een wandeling langs de vloedlijn van een breed strand, vlak langs kleine golfjes, tot er altijd dat ene is dat je voeten overspoelt. Je blijft verwonderd achter omdat je het niet zag aankomen. In deze vorm, voorstelling en tekst, staat Het Kind van de Smid niet ver van Onder het Melkwoud (Dylan Thomas) de gelijknamige Orkater-produktie (1987) waarin o.m. Josse De Pauw meespeelde.

Een ‘Vlaamse’ voorstelling, ver van de kneuterigheid, bewust van en trots in de wereld en haar haast onnoembare geschiedenis. Hier hoeft geen ‘theaterkunst’ verdedigd te worden, dit is ze.

Tekst en regie : Josse De Pauw, Peter Van Kraaij;

acteurs : Josse De Pauw, José Verheire, Frank Vercruyssen en Willy Thomas;

muziek : RitualPassacaglia van Alfred Schnittke;

kostuums : An D’Huys;

techniek : Wilfried Van Dijck, Carlo Bourguignon;

Produktie : Kaaitheater.

Gezien in het Kaaitheater te Brussel op 18 december en in ‘t Stuc te Leuven op 9 februari 1991.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

Dirk Verstockt

recensie