© Wendy Marijnissen

Leestijd 6 — 9 minuten

Het Gezin Van Paemel – Valentijn Dhaenens & SKaGeN

Permeke op zijn Van Eycks

Het moet geleden zijn van toen NTGent nog het Publiekstheater heette dat een professioneel gezelschap zich verwaardigde om Het Gezin Van Paemel op te delven. Bijna 20 jaar later lijsten Valentijn Dhaenens en SKaGeN het kroonjuweel van het Vlaamse toneelrepertoire opnieuw in. Zo nieuwerwets het kader, zo klassiek het doek.

Kringelende rook: zelden waaiert hij zo rijkelijk uit als tussen het derde en vierde bedrijf van deze voorstelling. Tot vlak daarvoor was hij nog vuur: de trouwe waakvlam bij het wassen ziekbed van Désiré, de kreupele jongste van boer Van Paemel. Met een zucht is zijn kaars plots uitgegaan, als was de dood een simpele lichtknop. Rook is wat rest. Haarscherp danst hij in het duister de hoogte in. Als een ziel terug naar God? Als een vleugje troost bij ons aller gedetermineerde lot? Of toch als een sociale aanklacht tegen het weinige dat een mensenleven waard is, wanneer rijk regeert over arm?

Bovenal lijkt Valentijn Dhaenens het drama zelf zijn werk te willen laten doen, met alle treurnis die eronder rust: pa en ma Van Paemel zien hun kroost stuk voor stuk verder afbrokkelen, tot ze finaal – met het kind van de rekening in moeders armen – eenzaam overblijven. Hun ene dochter naar het klooster, de andere seksueel geschandaliseerd. Hun ene zoon gedeserteerd, de andere onder de zoden. Wie nog kon, nam de wijk naar Amerika. En ook moeder wil niets liever, maar vader Van Paemel laat zich niet verplanten, zelfs al laat zijn toestand ter plekke zich evenmin verkroppen. “Op òns, die ‘t nie verdiend ‘n hên, die ons leven lang ierlijk geleefd hên, op ons valt de straffe Gods.”

Dat Het Gezin van Paemel (1903) in het hedendaagse toneelbedrijf de status heeft van belegen kaas, ligt in elk geval niet aan het stuk zelf. Cyriel Buysse schreef zijn vier akten bijbels als Job, tragisch als Oedipus, naturalistisch à la Zola, met zelfs trekken van carnavaleske sociale satire in zijn portrettering van bijvoorbeeld mevrouw de barones met haar Franse tongval, die de kraaiende haan graag uitgezet wil zien als een irritante radio. Opvallend ook hoe eigentijds het allemaal voelt, van economische migratie en concurrentie to the bottom tot de wufte maniertjes waarop de hogere klasse de sociale ellende goedpraat die ze zelf organiseert. Goed om dit stuk nog eens terug te zien. Na anderhalf uur kan je niet anders dan besluiten: Het Gezin Van Paemel is jammerlijk ondergewaardeerd.

Misschien ligt het daar niet aan, dat het zo lang niet is gespeeld. Misschien heeft de lage frequentie van repertoire op onze podia wel een veel aardsere reden. Ze loopt ook als een rode draad door het stuk zelf, zoals door het hele naturalisme: het simpele gebrek aan geld. Welk Vlaams gezelschap krijgt nog het budget bijeengeschraapt om al die personages op te voeren, hier achttien in totaal?

Valentijn Dhaenens lost het op met wat intussen uitgegroeid is tot zijn handelsmerk: hij speelt ze allemaal zelf. Van DegrotemonD en DeKleineOorloG tot Onbezongen: steeds stond hij kaarsrecht tussen de scherven van vele gevonden teksten, om ze dan door één en dezelfde mond de zaal in te zeggen. In Het Gezin Van Paemel gebeurt in zekere zin het omgekeerde: in plaats van meerdere losse fragmenten te incorporeren tot één composiet, splitst hij zichzelf nu uit over een heel stuk. Per bedrijf vertolkt hij één centraal personage live op scène in een schamel decor, de rest van de familie praat achter hem mee van op het filmdoek. Valentijn als facteur, Valentijn als moeder Van Paemel, Valentijn als stroper Masco, Valentijn als de mummelende kwezel Célestine: allemaal Valentijn, maar toch allemaal bij uitstek zichzelf.

Als hologrammen uit de Vlaamse Herinnering verschijnen en verdwijnen ze tegen een onpeilbaar zwart: spoken onder hun sjaaltje, in hun habijt, op afgedragen klompen. Soms levensgroot op een rijtje, soms samen verdubbeld tot een heel korps champetters. Of de ene wat kleiner in perspectief, de ander net groots buiten proportie, zoals de zieke Désiré over de hele lengte van bedrijf drie, gebeeldhouwd als een grote marmeren bank voor de rest van de familie. Stuk voor stuk zijn het levende spiegels, tableaux vivants van de premoderne gemeenschap van boer, kerk en grondbezit. Samen doen ze denken aan de brede triptieken van Van Eyck: devoot, in zichzelf besloten, haarfijn in hun details. Met video zijn ze geschilderd, als sprekende verf komen ze naar voren.

Jan Jambon zal er zich om verheugen: deze installatie is de best denkbare versie van wat hij als cultuurminister graag promoot als de combinatie van erfgoed en innovatie. Maar bovenal is deze voorstelling het uitgekristalliseerde summum van beide lijnen die SKaGeN intussen al 20 jaar karakteriseren als collectief: teksttheater enerzijds en mediale vernieuwing anderzijds, van green key tot WhatsApp. Meer dan eens leek de moderne vondst het daarbij te winnen van de vertelling, maar in Het Gezin Van Paemel dienen ze elkaar beter dan ooit. De visuele technologie brengt minimale dramaturgische toetsen aan in de klassieker, tegelijk geeft de fijngeschilderde taal en tijdsgeest van toen het videomedium plots een gebenedijd karakter. Best uitzonderlijk.

En toch heeft het geheel iets inwisselbaars: past deze knappe verpakking uiteindelijk niet op elk stuk met meer dan drie personages? In hoeverre heeft het specifieke karakter van dit naturalistische toneelwerk echt de vorm bepaald? Die eigen aard van Buysses klassieker heeft Dhaenens vooral binnen zijn eigentijdse frame benadrukt. Koos Herwig de Weerdt in 2003 bij het Publiekstheater voor een opgekuiste volkstaal en een eerder abstracte aankleding, en speelde ook Paul Cammermans’ filmbewerking van 1986 in het schoon Vlaams van de BRT, dan trekt Dhaenens hier vol de kaart van realistisch naturalisme: als vanzelfsprekend werkt hij al zijn replieken af in het Nevelse dialect van het origineel, goed voor memorabele uitroepen als “Mijn wijf ‘n es moar ‘n halve panne mier”. Ook al zijn kostuums lijken historisch authentiek, als liepen we rond in een Vlaamse boerenversie van Madam Tussauds, ook wel Bokrijk genaamd. De haan is echt, de haas is echt, de koe loeit vanop een bandje.

Het is een verrassend klassieke repertoirekeuze, met zoveel één-op-één eigenlijk zelfs not done. Maar ze klopt als een bus. Want hoe meer de voorstelling richting het laatste bedrijf gaat neigen naar documentaire, hoe meer Permeke ze wordt: één rauw standbeeld voor de wroetende mens in zijn strijd met de elementen, één en al geschonden existentie. Ze bestaan nog, de stukken die blijkbaar beter worden door ze meer zichzelf te laten zijn. Ligt het aan onze postmoderne opvoeding dat ons theater dat goeddeels is verleerd? Dhaenens verlegt een steen in de tegenstroom.

De locatie waar de première plaatsvond, een boerderij in Kruisem in het kader van Kunstroute PASS in de Vlaamse Ardennen, versterkte die documentaire indruk nog. Een postkaart voor la Flandre Profonde bleek het. Knotwilgen, kilometers maïs, bolle kasseiwegen ertussen. Dat retourtje naar de roots was overigens niet het eerste sinds de Grote Heropening. Uitwijken naar ver gelegen hoeves voor theater rond het ploegen van de boer: het ging deze zomer van Oostende voor Zwins (Het Eenzame Westen) tot Tongeren voor Boeren (tekst Erik Vlaminck). Allemaal tonen die voorstellingen – denk ook aan Wij, Varkenland van Lucas De Man – dat er voor de verre nakomelingen van Van Paemel amper iets veranderd is. Alleen heet de baron nu het commerciële grootbedrijf of het mondiale kapitalisme. ‘Sloaven’ moet de boer nog steeds.

Misschien is dat wel wat de verstedelijkte middenklasse zo aanspreekt in de noeste boerenstiel: niet zozeer onze identitaire Vlaamse wortels, maar het dwingende arbeidsethos die de boer als geen ander belichaamt, en dat tegenwoordig in meer of minder slinkse vormen onder zowat elke jagende borst klopt. “Wirken, nondedzju! Tot da ‘k ‘r bij valle.” Van Paemel is geen premodern erfstuk, maar het schouwstuk van de postindustrie. Zoals Buysse en Dhaenens hem aan het slot doen klooien met pover hakhout om toch nog wat vuur in de zaak te krijgen, zo zitten we zowat allemaal tegen onze burn-out. Och Heer och God, wat valt eraan te verhelpen?

Oer-Vlaams voelt Het Gezin Van Paemel niet zozeer door zijn vingerwijzende paster, de mestgeur tussen zijn lijnen, de macht van de pacht. Wel door alle loze ‘nondedommes’ van Van Paemel bij de onrechtvaardigheid die hem overvalt, terwijl hij simpel bij de pakken blijft zitten, wippend op zijn eigen frustratie. Ik stel me voor dat dáár in Kruisem de ovatie voor ging staan: voor die tragische viering van de knarsende aanvaarding, voor ons onvermogen om de ware structuren van alle miserie te zien én ernaar te handelen. “Es da hier toch ‘n leven!”: het blijft de vlag waaronder we samen varen, ons nationale geloof. Het wordt zelden uitgeschreeuwd, maar gemonkeld bij de keukentafel. Het richt zich niet op wie erachter zit, maar reageert zich af op de ‘leeggangers’ en de ‘werkstakers’, op de buren die net een nagel meer hebben, of die met een nagel minder ook ons werk en woonst ontwaarden. Vlaanderen, oh Vlaanderen: haard en heimat van de afkeurende goedkeuring.

Het Gezin Van Paemel, samengevat, is allesbehalve belegen kaas. Het verdient, zeker in deze versie van SKaGeN, een ‘schuune kruune’: een mooie krans. Opdat onze kaars zou blijven branden.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#165

03.09.2021

30.11.2021

Wouter Hillaert

Wouter Hillaert is cultuurjournalist, dramaturg en docent aan het Conservatorium Antwerpen. Hij richtte cultuurtijdschrift rekto:verso en burgerbeweging Hart Boven Hard mee op.

recensie

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!