Redline van Pietri Architectes

Lene Van Langenhove

Leestijd 14 — 17 minuten

Het gesprek als bouwsteen

Portret van de theatermaker, werkplaats voor jonge makers

Zeven jaar geleden vroegen deSingel, Troubleyn, Monty, Aisthesis en a.pass een werkplaats aan bij de Vlaamse Gemeenschap om de kloof tussen theaterscholen en het professionele veld te overbruggen. Elsemieke Schölte werd aangesteld als coördinator. Sindsdien lanceerde detheatermaker op succesvolle wijze heel wat jong talent. Maar de functie van werkplaatsen staat de laatste tijd meer en meer onder druk. Hoog tijd voor een schets van een huis zonder muren, maar met een stevig fundament.

detheatermaker ondersteunt een wisselende groep makers voor een periode van twee jaar. Doorgaans houdt dat in dat een tiental makers en dubbel zoveel projecten worden begeleid. Het voorbije jaar waren dat creaties van makers (collectieven) als Freek Vielen, Tom Struyf, Rebekka de Wit, FC Bergman, Compagnie De Snor en Bookers en Hookers. Het komende jaar gaan volgende creaties in première: Valley of Saints (Bijnens & Di Marino), KAKsessies (KAK), The Garden Laboratorium (Micha Goldberg), EXHIBIT (Suze Milius), ONE (Lisa Verhelen), GOD (BOG) en De dochter (Remah Jabr).

Detheatermaker, dat is Elsemieke Schölte. Haar maatwerk en intuïtieve aanpak zijn uniek in het Vlaamse theaterveld. Zij treedt op als mentor, coach, bemiddelaar. Alles begint bij een gesprek. Hier geen 250 dossiers die worden beoordeeld op basis van een artistiek idee, Elsemieke ontmoet de jonge makers en stelt hun een aantal cruciale vragen: kun je aangeven waar je zelf staat, wat is je parcours, ben je je bewust van water al is? Pas dan kan er gepraat worden over watje graag wil realiseren. Het is voor velen een eye opener voor hoe het werkt in de sector. Vaak blijkt dat men ook weinig notie heeft van het financiële plaatje.

Elsemieke: ‘We tasten samen een soort bewustzijn af: waar ben ik, waar wil ik naartoe? De meesten komen van een opleiding, zij moeten genieten van het feit dat ze afgestudeerd zijn, en die breuk ook aanvaarden. Vaak is iemand geneigd te denken: ik heb al een aantal projecten op school gerealiseerd, nu zet ik dat verder. Nochtans sta je na je afstuderen voor het eerst echt in het veld en moet je beslissen of je er echt jouw vak van wil maken, hoe je verder gaat, met wie, in welke termijnen.’ Na het eerste gesprek volgt een tweede, zo’n maand later, waarbij afgetast wordt of de makers klaar zijn om dat veld in te stappen. ‘De valkuil is dat ze thuis op van alles zitten te broeden, maar geen enkele connectie met de sector ontwikkelen. Als ze zich actief durven opstellen, zijn ze snel vertrokken en komen er vaak ook mogelijkheden van een onverwachte kant. We maken een plan, maar we gaan nooit van a naarb, want onderweg komen we altijd wel iets interessants tegen. Eigenlijk spelen we een rollenspel. Door die reality check weet je al snel of er iets in zit of dat je beter wacht om te investeren. Zodra ik voel dat ze goesting hebben om de theaterwereld in te stappen en er genoeg bagage is, er niet slechts één project op stapel staat en er raakvlakken zijn met andere huizen of personen, kunnen we beginnen koken.’

Elsemieke volgt het project op, geeft praktisch advies en helpt bijvoorbeeld bij het opmaken van de begroting, maar neemt geen administratie op zich. Zo ontwikkelen de makers zich tot autonome kunstenaars. Zij treedt dus ook niet op als artistieke coach, tenzij dat uitdrukkelijk gevraagd wordt. ‘Ik ben geen curator, ik ben coördinator van een werkplaats. Ik link direct door naar andere organisaties.’ Dat laatste is een belangrijk gegeven, want detheatermaker beschikt niet over een eigen ruimte. Elsemieke kan bogen op een breed netwerk van theaters, werkplaatsen en kunstencentra, waar ze makers zorgvuldig onderbrengt, maar ze koppelt hen ook als een echte matchmaker aan specifieke schrijvers, dramaturgen of regisseurs: ‘Ik verwijs door: ga eens met die praten, ga eens daar kijken. Ik coach hen in die zin dat ik toon wat mogelijk is en wat niet.’

Daarmee bedoelt Elsemieke niet dat makers zich moeten laten leiden door de wetten van de markt, die dicteert dat voorstellingen die lang duren of grote decors meezeulen moeilijk verkocht raken. Ze haalt FC Bergman aan, met hun megalomane projecten. Die groep is overigens zo divers samengesteld dat ze automatisch een ‘bonkig’ inhoudelijk gesprek hebben. Elsemieke is voorstander van niet te snel inbinden: ‘Veel projecten profileren zich te bescheiden. Taal is veel waard, maar energie ook, zeker naar een publiek toe. Kijk maar naar de laatste voorstelling van Compagnie De Snor, zo krachtig.’ Dat Elsemieke altijd net iets verder wil gaan dan wat mogelijk wordt geacht, komt vaak terug in gesprekken met artiesten die met haar werken. ‘Ze geeft je een push om je eigen werk te ontwikkelen, niet zozeer om producties te maken, alles hangt echt af van watje zelf wilt.

De toegang tot haar netwerk en het gesprek met haar zijn daarbij de belangrijkste tools’, zegt Michaël Bijnens.

DIY-aanpak

Al ziet ze zichzelf niet als sluiswachter, Elsemieke heeft een neus voor talent. Ze gaat vaak kijken, zit in jury’s (RITS) en begeleidt masterprojecten (Conservatorium Antwerpen). Aan welke voor waarden moet een maker voldoen om onder haar vleugels genomen te worden? Een belangrijke eis is dat hij of zij zélf beslist of het de moeite is om met een idee aan de slag te gaan. Zo valt al een deel af. Hier wordt van bij de start gewerkt aan de verzelfstandiging van de kunstenaar. ‘Iemand die één project voorstelt, dat hij met een paar vrienden wil realiseren, dat doe ik niet. Makers moeten ook bereid zijn zelf naar theaters te stappen om te vragen of ze daar twee weken mogen werken. Als ik voel dat ze dat too much vinden, zijn ze duidelijk nog niet klaar.’

Dat makers zelfstandig moeten kunnen werken en dat eenmalige projecten geen weerklank vinden, komt mee doordat detheatermaker kunstenaars financieel ondersteunt, zowel met een deel van het eigen budget als met bijkomende fondsen. Een project moet daaraan toe zijn, net zoals de maker aan pittige gesprekken toe moet zijn. Financiële ondersteuning heeft direct impact, weet Elsemieke: Als werkplaats kan je ook gewoon ruimte aanbieden, maar ik vind het super om mensen meteen volwaardig mee te nemen in een traject. De meesten staan binnen de twee à drie jaar op de rails. Sommigen heb ik echt uit hun stoel moeten trekken, als ik zie waar ze nu staan ben ik trots.’

Detheatermaker is geen studio waar makers eventjes binnenwandelen om aan een creatie te sleutelen of waar ze hopen gezien te worden. Er wordt steeds een duurzaam traject opgebouwd en makers worden gestimuleerd om op verschillende niveaus te denken. Je start met een klein project, daarna volgt nog een klein of meteen een groter project, ten slotte ondersteunt detheatermaker een dossier waarvoor twee of meer partners nodig zijn. ‘Ik werk liever niet meteen met dossieraanvragen omdat het schrijven en wachten op antwoord de boel enorm vertraagt. Zo leggen de theatermaker en CAMPO nu vrij veel geld op tafel voor Micha Goldberg opdat hij direct van start kan gaan. Op een gegeven moment pluk ik er tijdens een gesprek plots een tweede project uit. Dat is spannend voor de makers, want in het begin denken ze erg of/of. Ze zijn nog bezig met de vraag hoe ze zich in deze vrije wereld kunnen of willen organiseren, hoe ze een evenwicht vinden tussen privé en werk, wat ze met al die fijne aanbiedingen moeten doen. Na drie jaar zie je dat zich dat uitsplitst en ze plots wel simultaan aan verschillende projecten kunnen werken en er genoeg zelfvertrouwen is.’

Het soort werk dat met de steun van detheatermaker tot stand komt is moeilijk onder één noemer te vatten. Veel van de makers zijn maatschappelijk geëngageerd, houden niet van zuiver conceptueel werk. Toch wil de werkplaats geen tendens zetten, de makers zijn vrij om te bepalen waarover ze het willen hebben. ‘Ik ben niet op zoek naar verrassing of vernieuwing. Sommige makers zie je afkomen met een plan dat op het eerste zicht niet bijster origineel klinkt, maar als het goed uitgevoerd is, kan het ontzettend schoon zijn. Ik kan genieten van conceptueel werk, maar merk wel het niet makkelijk over te brengen is aan een publiek.’

Van de nood een deugd maken

Dat detheatermaker niet over een eigen plek beschikt, was in oorsprong een keuze om overheadkosten te sparen: van het totale budget van 147.000 euro gaat maar liefst 82 procent naar de makers. Maar het zorgde ook voor die typische aanpak van de organisatie: Ik zat al snel mette veel makers om bij onze structurele partners onder te brengen, maar gelukkig bleek dat ik ook met andere organisaties kon gaan praten, zoals Het Bos, Arenberg en De Brakke Grond. Veel huizen zijn fantastisch uitgerust voor het ontvangen van artiesten. Hun bereidwilligheid om samen te werken is ook groter geworden. Binnen elke organisatie zit altijd wel een sterke persoonlijkheid die risico’s wil nemen.’

Niet aan één ruimte gebonden zijn, ervaart theatermaker Aurelie Di Marino als iets positiefs: ‘Het laat de verbeelding open. Je kan dromen, maar hoe je dingen concreet maakt, weetje niet als je geen besef hebt van de mogelijkheden. Elsemieke kent het landschap door en door en helpt je daarbij. Het is een denken vanuit het verplaatsen, eerder dan vanuit het zich vestigen. Detheatermaker is geen ruimte, maar een beweging.’

Elsemieke: ‘Het lukt zo goed als altijd om de juiste werkplek te vinden. Dat is erg bepalend voor de ontwikkeling van jonge makers. Bij Zuidpool is er bijvoorbeeld meteen een inhoudelijk gesprek, terwijl kunstencentra eerder productioneel of praktisch denken. Ik werk graag met huizen die hun werking durven aanpassen aan makers met een heel verschillend profiel. Wij kunnen niet op bestelling leveren, al zouden sommige organisaties dat wel willen. Maar zo werkt het niet: je vertrekt vanuit de kunstenaar, je bekijkt elke keer wat nodig is om het werk zo goed mogelijk te ontwikkelen. Voor mij klopt deze manier van werken. Ik zit nooit vast in één bepaalde bedrijfsgeest, waardoor ik kan meelopen met trajecten van heel uiteenlopende makers.’

Dat model staat of valt uiteraard bij de goodwill van andere organisaties. En het risico bestaat dat makers worden gekoppeld aan een huis zonder dat er een duidelijke affiniteit is. Geen eigen gebouw hebben heeft als nadeel dat de makers elkaar nooit kruisen in de studio, wat sommigen aangeven als een gemis. Met een eigenhuis kan je zelf een sfeer-en belangrijker: een minder diffuus imago-creëren. Toch wil Elsemieke geen vaste plek. Ze werkt al wandelend: ‘Wie ik die dag tegenkom wordt deel van wat ik op dat moment aan het uitdenken ben. Dat heeft al onvoorstelbare samenwerkingen opgeleverd.’

Het ‘gebouw’ van detheatermaker bestaat in Elsemiekes hoofd: ‘Het is een heelal met allerlei verbindingen, heel organisch. Misschien zijn al die instellingen niet organisch genoeg, laten ze die flow; niet toe.’ Ziedaar het belang van door kunstenaars gerunde structuren. Elsemieke studeerde theater, beeldende kunst en muziek en zag zichzelf nooit als coördinator van een organisatie, wel als fietsenmaker of meubelmaker. Het werd theatermaker. ‘Op de vloer ben ik de kat in de boom, ik behoud het overzicht maar let ook op details. Ik heb een associatief brein. De structuur in mijn hoofd, dat is echt mijn gebouw en ik weet dat ik erover moet waken dat deze organisatie op termijn door iemand anders kan worden gedragen.’

Voor Elsemieke is er geen huis dat niet in aanmerking komt, ze gaat met iedereen praten, zien wat voor vlees in de kuip zit. ‘Naar mijn gevoel is er geen enkele muur in het veld, ik zit altijd te bedenken wie met wie in gesprek kan gaan. Ik neem ook die keuzes die volgens mij een kans van slagen hebben.’ Klinkt logisch. Toch is Elsemieke de eerste om haar eigen praktijk in vraag te stellen. ‘Misschien moet er opnieuw een werkplaats ontstaan die kunstenaars ondersteunt die niet meteen in projecten denken, die met het zuivere experiment bezig zijn. Dat soort kunstenaars – en de ondersteuning voor hun praktijk – is steeds dunner gezaaid. Het experiment hoeft ook niet noodzakelijk van beginners te komen.’

Oscillatie

Sinds de crisis zich serieus heeft doorgezet, lijkt het doel om allemaal de Himalaya te beklimmen niet langer haalbaar of wenselijk. ‘Die “top” bereiken – en de daarbij horende levenskwaliteit: daar is de generatie waarmee ik werk wel klaar mee. Die zoekt naar een beweging, een soort ademhaling. Jozef Wouters bijvoorbeeld trok me mee naar deSingel omdat hij zijn ideeën wou leren vertalen naar een groter publiek. Dat was een heel coole leerschool, maar zijn basis blijft de werkplaats Het Bos, met zijn makkers van het eerste uur. Ik denk dat het gezond is om daar altijd naar terug te kunnen keren.’

Na het trechter- en zandlopermodel, is het misschien tijd voor de slingerbeweging? Daarbij zouden makers samen kunnen werken met zowel grote als kleine huizen, en ertussen switchen. ‘Waarom zou je het grote vermijden uit vrees daaraan op te branden, terwijl je gewoon weer terug kan naar het kleine? Je kan ook weer een werkplaatsperiode inlassen. Er moet een veld blijven bestaan waar makers doorheen kunnen lopen, waar ze afhankelijk van wat ze te vertellen hebben een huis kunnen binnenwandelen.’

Duiken zonder zwembrevet

Veel werkplaatsen worstelen met het vinden van een eerlijke manier van presenteren die het ‘juiste’ publiek (lees: geen op hypes beluste programmatoren of de occasionele toeschouwer met bepaalde verwachtingen) bereikt. Je kan je afvragen of een jonge maker die een sobere monoloog brengt op zijn plek staat in een grootkunstencentrum waar technici klaarstaan om de hele machinerie in gang te zetten. Moet een werkplaats überhaupt publiek gaan? ‘Nee, in principe niet. Maar al die kikkers willen in dat zwembad. Eigenlijk moeten ze eerst leren zwemmen, maar ze willen allemaal meteen duiken. Als je van school komt, wil je spelen, gezien worden, erkend worden. Ik begrijp dat.’ Dat geldt niet voor alle makers. ‘Als we met Heimat in een of ander cultuurcentrum in een uithoek van het land staan, is het publiek niet altijd ontvankelijk voor ons soort werk’, vertelt Rebekka de Wit. ‘Het is een moeilijke balans. Je wordt beter door veel te spelen, tegelijk wil ik pas naar buiten komen als ik precies weet wat ik wil zeggen’.

‘Misschien is detheatermaker nooit een werkplaats geweest, want ik heb er van bij de start voor gepleit om iedereen te vergoeden. Daardoor zijn we sneller geëvolueerd naar produceren. Ik houd van het spel om mensen uit te dagen mee de schouders te zetten onder projecten, en geniet wel een zeker vertrouwen bij partners. Enerzijds ben ik er niet voor te vinden dat mensen van school komen met projecten die ze meteen in het veld willen plaatsen, anderzijds ben ik nu aan het werk met mensen die nog aan het KASK studeren, maar wiens werk perfect in balans is en vraagt om geproduceerd te worden. Sommige makers zijn gewoon al op jonge leeftijd klaar om in dialoog te gaan.’

Een aantal makers kan in de cultuurcentra al een serieuze reeks spelen. Het zit moeilijker bij de kunstencentra. In de jaren tachtig waren ‘werkplaats’ en ‘kunstencentrum’ overigens synoniem, beide zijn ontstaan uit de nood aan ondersteuning voor onderzoek en experiment. ‘Ik denk samen met makers en huizen na over een nomadisch kunstencentrum dat teruggrijpt naar die oorspronkelijke opdracht: makers op een dynamische manier ondersteunen en het veld mee uitbouwen. Los daarvan hoop ik dat een aantal huizen zich omtovert tot theaters waar het publiek elke avond kan binnenwandelen om iets te zien. Nu zitten we met een aantal kunstencentra dat met te weinig middelen die twee taken probeert te volbrengen.’ Het valt Elsemieke overigens op dat jonge makers niet meer bezig zijn met het behoren tot één bepaald huis: ‘Ze willen flexibel zijn. Ik gun hun wel dezelfde financiële reserve als wanneer ze tot een huis behoren, want als onafhankelijke kunstenaar zijn ze kwetsbaarder. Je kan veel beter onderhandelen als je middelen op tafel kan leggen.’

Is het niet ondankbaar: investeren in jonge makers om hen, zodra ze zijn opgepikt, het nest te zien verlaten? En wanneer is de transitie van schoolverlater naar ‘professionele theatermaker’ dan voltooid? Detheatermaker situeert zich op het snijvlak tussen werkplaats en productiehuis, het beweegt zich tussen diverse spelers in het veld en kan zo de verschillende stadia van het traject van een maker gemakkelijk opvolgen. Daardoor ontstaat wellicht de neiging om dat zo lang mogelijk te doen. Maar is het dan nog een werkplaats voor jonge makers? Elsemieke geeft toe dat loslaten moeilijker wordt. ‘Soms wil ik na drie jaar nog dingen uitspitten met hen, maar je moet mensen laten gaan om ruimte te maken voor anderen.’

Vakmanschap én innovatie

Onder druk van het toenemende marktdenken en het huidige beleid lijkt het professionele veld te versmallen tot een steeds kleinere groep van ervaren managers, die de grote instellingen leiden. Ook Vlaanderen zal zwichten voor het trechterdiscours, waarbij het vakmanschap zich zogezegd in het centrum bevindt en de vernieuwing in de marge. Hoe verhoudt detheatermaker zich tot het bestaande kunstenlandschap? ‘Het zijn bange tijden. De oudere generatie begint zich op de valreep sterk te zetten in het veld. Het is aan de jonge makers om het gesprek met deze generatie op te eisen. De afgelopen maanden ben ik alvast het gesprek met de grote huizen aangegaan, zij stonden daar wel voor open. Ik hoop dat deze twee generaties meer gaan samenwerken, al heb ik schrik dat ze zich als vaders gaan gedragen en de regels bepalen. Want er zit nog een hoop paternalisme ingebakken, ook op de theaterscholen.’

‘Veel jonge makers zijn ervan overtuigd dat het veld hen wel opvangt, terwijl ik soms vrees dat het in zeer grote delen zal worden opgesplitst en je als kleine garnaal niet veel meer te happen hebt. Onze overheid zoekt stabiliteit en rendement, wellicht normaal op dit moment, maar als je het veld bekijkt, zie je duidelijk welke organisaties dat kunnen waarmaken en welke niet. Organisaties die een zaal hebben en de administratie en communicatie doen, zijn nodig, maar makers hebben nood aan meer dan alleen faciliteiten. Als steeds meer makers via projectsubsidies zullen worden ondersteund, komt dat broodnodige gesprek in het gedrang. Structuren moeten in dialoog met de overheid oplossingen zoeken voor de uitdagingen waar de sector voor staat: diversiteit, publieksbereik en duurzame ondersteuning van makers.’

Plenty more fish in the sea

Programmatoren gaan voortdurend op zoek naar new rising stars, maar engageren zich zelden om een duurzaam traject met jonge makers op te bouwen -keuze zat. Daarbij vervagen ook de grenzen tussen werkplaatsen, kunstencentra, stadstheaters, gezelschappen en alternatieve managementbureaus: theaters zetten graag in op ‘nieuw talent’, gezelschappen nemen jonge makers ‘onder de vleugels’ en gaan hun werk produceren. Moet de werkplaats een vrijhaven voor experiment – zonder creatiedruk – blijven of juichen we de functievervaging net toe?

‘Er is erg gevochten om het veld te professionaliseren, een werkplaats geeft de beginnende maker inzicht in wat die professionele beroepspraktijk is. Het is echt een vak dat je moet leren. Ik dacht altijd dathet DNA van het theaterland-schap zo was samengesteld om een groter avontuur in te leiden, maar of iedereen daar creatief mee omgaat… We zitten in een becijferd systeem, alles staat voor iets. De middelen voor jonge makers zijn nu eenmaal beperkt, het zijn eerder startpremies dan premies voor ondersteuning van het experiment. Makers hebben nochtans nood aan ruimte om op gezette tijden hun artistieke praktijk in vraag te stellen. Dankzij het artiestenstatuut kan men tussen opdrachten door vrij werken in het theater. Ik maak me zorgen over het behoud van dat statuut, want wat dat genereert, wordt nooit in beeld gebracht. Kunstenaars aanvaarden nu heel slechte condities in bepaalde huizen net omdat ze zo’n uitkering hebben. Zij moeten op hun strepen staan en duidelijk maken dat ze daarmee niet in hun zwembroek op een zonnig strand gaan liggen.’

‘Het snel afvoeren van bepaalde samenwerkingen wordt in de hand gewerkt door een gebrek aan geld. Ik heb met veel mensen de rit afgemaakt en het bewijs gezien dat investeren werkt. Niet investeren is echt nefast voor het veld. Je kan niet alles voorspellen in zijn ontwikkeling, je kan veel aftoetsen, maar risico hoort erbij. Mensen worden ouder en groeien in wat ze doen als je hen de tijd geeft. Dat is geld uiteindelijk: tijd om iets uit te denken. Watje daarmee bewerkstelligt is gigantisch. Dat inzetten op steeds weer nieuwe makers is inderdaad vreemd. Vernieuwing is een vaag begrip. Zelf ben ik evenveel gehecht aan herkenning of tradities, maar natuurlijk ontdek ik ook graag nieuwe gezichten. Als die trend het gevolg is van het feit dat iedereen sneller zichtbaar is en mee produceert, als daardoor programmatoren kunnen zeggen wat wel en wat niet, bestaat inderdaad het risico dat dingen meer als product worden gezien.’

There is no alternative?

Veel jonge makers hebben het gevoel dat ze in het bestaande (subsidie)systeem vastzitten. Detheatermaker bestendigt het huidige landschap en de geldende verhoudingen door zijn poulains in die bestaande structuur in te passen. Maar is het niet aan de jonge generatie zelf om alternatieven te bedenken, om het landschap te hertekenen? De problematiek is Elsemieke niet ontgaan. ‘Ze zitten allemaal in die vijver. Als er straks gevochten wordt, waar komen ze dan terecht? Daarom vraag ik hun: willen jullie jezelf in een onderhandelingspositie zetten, of laat je het met de nakende hervormingen allemaal maar gebeuren? Gaan we ons tot die grote huizen verhouden of trekken we onze handen ervan af? Als makers collectief willen inbreken in een structuur, hoop ik dat ze dat doen. Maar het moet van hen komen.’

‘Ik merk dat jonge makers doorgaans weinig inspiratie hebben voor samenwerkingsvormen die anders zijn dan de gangbare. Wij zijn medeplichtig. Boven hen zit de generatie van De Warme Winkel, Wunderbaum, Diederik Peeters, Jan Martens, Lisbeth Gruwez. Die hebben bijna allemaal hun eigen structuur. De makers die nu drie jaar bezig zijn, zullen nooit op die leest kunnen werken, daarvoor zijn ze met te veel. Ze moeten zich dus anders gaan organiseren, liefst op een inventievere manier dan het delen van de zakelijke administratie. Het aantal vzw’s dat de afgelopen twee jaar is opgericht is hallucinant. De generatie voor hen heeft het spel niet goed kunnen spelen, vrees ik. Nu gaapt er een kloof tussen die grote, multifunctionele huizen met een goed uitgerust artistiek en zakelijk apparaat, en de jonge makers.’ ‘Als je me vraagt hoe mensen zich zouden kunnen organiseren binnen de sector, kijk ik nieuwsgierig naar organisatiestructuren binnen andere bedrijfstakken. Je zou naar een collectieve werking als SPIN kunnen streven. Met de KAKploeg, een groep van tien makers, ga ik een experiment doen rond zelfbestuur. Want wat speelt er binnen een organisatie? Geld. Dus zet ik brutaal 30.000 euro in hun midden en zeg ik: zoek het maar uit! De meest logische zet is dat ze allemaal een maandloon krijgen, dat ze het budget gelijk verdelen onder elkaar. Ik stimuleer hen om een andere economie te bedenken, om zelf de sterktes en zwaktes aan te geven, om hun eigen waarden en prioriteiten te bepalen.’

‘Lange tijd was mijn ideaal een organisatie die bestaat uit twee delen: het ene is het moederbord, met projecten waarvan we de haalbaarheid en speelkansen kunnen inschatten en waarmaken, het andere deel laat het experiment, het onderzoek, het risicovolle toe. Ik vraag me af hoe die twee zich tot elkaar kunnen verhouden, inhoudelijk maar ook financieel. Het eerste deel zou inkomsten kunnen genereren voor het tweede, of we zouden inkomsten kunnen halen uit businessdeals. Waarom zitten wij per definitie op het dak van de overheid en waarom niet van een of ander bedrijf dat daarvoor openstaat?’

‘Een ander idee dat ik heb, is dat het niet per se commissies moeten zijn die bepalen wat een goed dossier is. We hoeven onze beoordeling niet uit handen te geven. Het zou interessant zijn als bijvoorbeeld Freek Vielen het dossier van Jozef Wouters zou lezen. Vraag is of ze die functie naar elkaar toe willen vervullen en of ze gezamenlijk de schouders willen zetten onder het meest urgente dossier. Dat zou een tweede etage van detheatermaker kunnen zijn: een rondetafel van enkele makers met wie we al een traject aflegden, die meer autonoom werken, die elkaar steunen op verschillende manieren (inhoudelijk, praktisch) en elkaars werk bevragen. Die groep zou kunnen bepalen in wie we elk jaar investeren of voor wie we cofinanciering zoeken. Ik wil dat onderzoek naar nieuwe werkvormen er graag bij nemen. Stop met die lamlendigheid, we moeten allemaal alert en vinnig zijn!’

artikel
Leestijd 14 — 17 minuten

#140

15.03.2015

14.06.2015

Lene Van Langenhove

Lene is communicatiemedewerker bij de Brusselse vzw Atelier Groot Eiland en schrijft freelance over cultuur en mensen met een sterk verhaal.

artikel