Marc Van Mechelen

Leestijd 3 — 6 minuten

Te heet? Te koud? Te groot?: Lezersbrief over theatereducatie

Marleen Baeten schrijft in het decembernummer van Etcetera over theatereducatie. Ze is -in vergelijking met haar eerdere bijdragen over kunsteducatie in de voorbije jaargang- buitengewoon kritisch. Ze hekelt een aantal initiatieven, praktijken en publicaties, o.a. het project Theaterstorm dat in dit seizoen in ruim 1400 klassen een specifieke voorbereiding op een theatervoorstelling realiseert. Ik wil in deze reactie enkele nuances aanbrengen.

In het seizoen 2003-2004 worden ongeveer 250 theaterstukken voor kinderen geprogrammeerd in de Vlaamse cultuur- en gemeenschapscentra. Dat gaat in totaal over meer dan 3500 voorstellingen. De cultuurfunctionarissen schatten dat voor 44 voorstellingen een voorbereiding in de klas door een dramadocent zinvol is. Ik begrijp niet hoe dit kan geïnterpreteerd worden als een teken van incompetentie vanwege de cultuurfunctionarissen.

Het artikel bevat volgend citaat van Leen Thielemans (Kunst in Zicht, initiatiefnemer van Theaterstorm): ‘We gaan er pertinent van uit dat het kunstwerk voor zich spreekt, dat uitleg en educatie eigenlijk overbodig zijn en zoniet, zich op een gedifferentieerd niveau dienen aan te bieden.’ Ik begrijp niet hoe een zo genuanceerde uitspraak kan gereduceerd worden tot de bewering ‘Theater is moeilijk.’

De evaluatie van de Theaterstorm-editie van vorig seizoen wijst uit dat de voorbereidende activiteit in de klas effect heeft: globaal genomen verlopen de voorstellingen vlotter, de leerlingen starten met specifiekere verwachtingen, de leerkrachten leren zelf iets uit de actieve werkvormen (dramaoefeningen, interactieve gesprekken, …) Ik ben niet verbaasd dat resultaat geboekt wordt door professionele dramadocenten die in de meeste gevallen de voorstellingen meermaals gezien hebben en de omkadering en het didactisch materiaal mee ontwikkeld hebben. Ik zie niet in hoe uit dit resultaat kan geconcludeerd worden dat leerkrachten sukkels of hulpeloze wezens zijn. Ik denk dat heel wat competente leerkrachten deze inbreng verwelkomen als een kans. Leerkrachten getuigen hier van openheid en leergierigheid.

Marleen Baeten schrijft terecht dat het uiterst moeilijk is om kunsteducatie een plaats te geven in de lerarenopleiding. Ze citeert in dit verband Mieja Hollevoet en Oda Van Neygen, die na een aantal initiatieven van Bronks besluiten dat hun investeringen in het pedagogisch hoger onderwijs weinig vruchtbaar zijn geweest. De CANON-acties ‘Meesterstukken’ en ‘Leermeesters’ komen hier niet ter sprake. ‘Leermeesters’ richt zich uitdrukkelijk tot de tweede- en derdejaarsstudenten van het pedagogisch onderwijs. De kern van het programma bestaat uit twee culturele activiteiten die de student individueel kiest uit een ruim aanbod in heel Vlaanderen. Daarnaast zijn er een brochure met teksten over kunsteducatie en de verschillende disciplines, didactisch materiaal, activiteiten in de school en op locatie. ‘Leermeesters’ bereikt bijna 1000 studenten en verdient dus toch een vermelding in dit kader.

Op het eind van het artikel plaatst Marleen Baeten de omkadering van schoolvoorstellingen in een ruim kader van kunsteducatie. Ze noemt kunsteducatie een maatschappelijk project, met als partners kunst en cultuur, onderwijs, sociaal-cultureel werk, jeugdwerk en media. Ze pleit voor visievorming en samenwerking, waarbij elke partner vertrekt van zijn/haar verantwoordelijkheden en mogelijkheden. Ze pleit, samen met Gerhard Verfaillie, voor trajecten in plaats van projecten in de scholen; voor leerkrachten die als ‘cultuurgangmaker’ de kunsteducatieve objectieven van de school verhelderen en planmatig realiseren. Dit kunnen we alleen maar beamen. Quasi alle praktijken, praktijkjes en projecten die de voorbije jaren ontwikkeld werden, zijn samenwerkingsexperimenten. Ook Theaterstorm steunt op de samenwerking tussen het cultuurcentrum, de gespecialiseerde vormingsinstellingen Kunst in Zicht en Mooss, de gezelschappen en de scholen. Theaterstorm wil alleszins meer bieden dan een ‘jaarlijkse voorbeeldles door een vliegende dramadocent’. Het loopt mis als de leerkracht huiswerkjes verbetert tijdens de ‘voorbeeldles’, of geen tijd besteedt aan de verwerking van de voorstelling. Het loopt mis als de cultuurfunctionaris enkel maar de vliegende dramadocent inhuurt en niet het netwerk met de leerkrachten uitbouwt en het onthaal van de schoolgroepen verzorgt. Theaterstorm is ook te arbeidsintensief om veralgemeend te worden. De leerkrachten die vandaag bereikt worden, zouden morgen iets beter uitgerust en deskundig zelf aan de slag moeten kunnen. Theaterstorm is geen zaligmakende formule, maar in elk cultuurcentrum en elke school worden kansen gecreëerd om een niet-geselecteerde groep leerlingen in goede omstandigheden met theater te laten kennismaken en een ruimere samenwerking rond kunsteducatie te ontwikkelen.

Wat het ruime kader van kunsteducatie betreft: er is inderdaad nog een lange weg te gaan, te beginnen bij het in kaart brengen van potentiële partners, met elk hun verantwoordelijkheden en mogelijkheden. Het is straks twee jaar geleden dat de Vlaamse ministers van Cultuur en Onderwijs een protocol van samenwerking sloten. Wie ongeduldig is omdat kunsteducatie zich in Vlaanderen niet/nauwelijks/moeizaam/scheef ontwikkelt, kan toch enthousiast blijven over de initiatieven die in de praktijk ontwikkeld worden. En kan misschien beter vragen stellen over de stuur- en adviesgroepen die nauwelijks iets afgeleverd hebben, niet reageren op advies en niet antwoorden op de vraag van culturele actoren om in dit overleg betrokken te worden. Het is op dit niveau dat een kader gecreëerd moet worden waarin de verschillende praktijken samengevoegd en versterkt kunnen worden.

 

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

lezersbrief
Leestijd 3 — 6 minuten

#90

15.02.2004

14.05.2004

Marc Van Mechelen

Marc Van Mechelen is Stafmedewerker Cultuur Lokaal