En daar ben ik gebleven/ J’y suis resté depuis (Dito ‘Dito) FOTO: MIRJAM DEVRIENDT

Katrien Darras

Leestijd 6 — 9 minuten

‘Gewoon een avondje schoonheid zaaien’

‘November ’97. Een ontspoorde tussenkomst van de politie leidt tot rellen in Kuregem. De vrouwen komen bijeen in Le Cactus. Ze praten, vertellen, wenen, roepen. Ze worden slecht behandeld op het politiebureau. De jongeren mogen de straat niet meer op. De spanning stijgt. Opeens wordt het onrecht al te flagrant, persoonlijk leed wordt uitgesproken. Men is geschokt. De gevoelens laaien hoog op. Alle camera’s zijn gericht op Kuregem…’

Met deze getuigenis van Renilda Van Loo, voorzitster van het Anderlechtse buurthuis Le Cactus, opent het boek J’y suis resté depuis / En daar ben ik gebleven, dat Dito’Dito uitgaf naar aanleiding van de gelijknamige voorstelling. De voorstelling zelf opent ongeveer als volgt:

– Mou…Mou…

– Pi…Pi…

– Qwa… qwa…

– Tab… tab…

– Mm…Me

– Mou…Mou…

– Moutarde ?

– Non

– Ça…ça…

– Salade ?

– Non

– Non…Non…

– Nombril ?

– Non

– Tabl… tabl…

– Tablier?

– Mais non…

J’y suis resté depuis / En daar ben ik gebleven was midden april te zien in de Bottelarij. De voorstelling ging begin dit seizoen in première in het Franstalige Théâtre Les Tanneurs. Waarom dit artikel begint met een citaat uit beide onderdelen van dit sociaal-artistieke project? Het vergt denk- en doewerk om beide sociologische praktijken die in de term ‘sociaal-artistiek’ vervat zitten in evenwicht te brengen. De manier waarop Dito’Dito dat denkwerk verrichte, leverde een resultaat op dat vrij uniek is in de podiumkunsten. De beweegreden -de rellen in Kuregem, het sociale aspect dus-werd in de soms abstracte voorstelling volledig weggefilterd. Toch blijft het sociale in de voorstelling onderhuids aanwezig.

Het project ging van start toen twee Anderlechtse verenigingen voor buurtwerk, Le Cactus en La Boutique Culturelle, na de rellen een beroep deden op Leïla Houari, die vaak theaterworkshops had geleid in sociaal-culturele verenigingen. Daarnaast nodigden zij ook het Brusselse theatergezelschap Dito’Dito uit tot samenwerking. Het project werd vooral gedragen door Leïla en door de Dito’Dito-leden Willy Thomas en Nedjma Hadj. Ze zetten een workshop op poten, waar van meet af aan veel interesse voor was. Sommige deelnemers haakten na verloop van tijd af, andere kwamen er later bij. Het werd een twee jaar durend proces. Vanzelfsprekend leerden de deelnemers elkaar beter kennen. ‘We hebben elkaar foto’s getoond uit onze kindertijd, van familie en vrienden die spontaan terug opgedoken zijn, we herinneren ons brokken van ons leven die vergeten geraakt waren.’ Vanzelfsprekend herkenden zij zichzelf in de verhalen van de anderen. ‘Onze zienswijzen hebben elkaar beroerd.’

Vanzelfsprekend zijn ze blij om samen theater te kunnen maken en op het podium hun verhaal kwijt te kunnen. ‘We waren samen om een voorstelling te maken, een voorstelling waarin een schrijfproces en het tonen ervan samengaan.’

Maar even vanzelfsprekend zijn zij na twee jaar geen volleerde acteurs geworden. Daarom pleit men er vaak voor om dit soort niet-professionele en kwetsbare ensceneringen mild te beoordelen. De context waarin zij hun verhaal brengen, moet beschermd worden, zo wordt gezegd. En het proces zou belangrijker zijn dan het resultaat.

Maar hoe je het ook bekijkt, het blijft natuurlijk in de eerste plaats om de voorstelling zelf gaan. Dito’Dito is nu eenmaal een theatergezelschap en die horen te ensceneren voor een publiek. Je moet dus artistieke keuzes maken. De aandacht voor het werkproces, het beschermen van de kwetsbaarheid van een verhaal, wordt dan ook snel overstemd door de eisen uit artistieke hoek; présence hebben op een podium, ‘het’ goed weten te brengen. Zulk een project schippert met andere woorden steeds tussen de noodzaak van het beschermen van de ‘context’, en de noodzaak om de ‘tekst’ zo te theatraliseren dat hij de kritiek van het kunstenpubliek kan doorstaan. Dito’Dito hield dat precaire evenwicht in stand door enkele juiste dramaturgische keuzes. Het gezelschap deelde zijn werkproces met het publiek, weliswaar door het vriendelijk door te verwijzen naar de publicatie die het voor de gelegenheid uitgaf. Dat zorgt ook dat de voorstelling zelf meer artistieke ademruimte krijgt.

Spraakverwarring

Het decor: een hemelsblauwe box, midden op de vloer een kleine omheining. Tien acteurs van de meest uiteenlopende leeftijden en origines op een rij, ieder gekleed in het soort outfit waarmee ze vermoedelijk dagelijks door het leven gaan -broek en jas, djellaba, korte rok-, zij het dat elk kostuum voor de gelegenheid uit blauwgroene stofjes werd geknipt. De djellaba wordt daardoor -naar westerse en beslist betwistbare smaakpatronen-even modieus als de minirok. Na een Arabisch kinderliedje -in het Frans gezongen, met Nederlandse boventiteling- volgt de boven geciteerde scène. In een poging om met elkaar te communiceren, proberen de acteurs, nog steeds op een rij staand en strak voor zich uitkijkend, elkaar behulpzaam aan te vullen. Tevergeefs, zo blijkt. Is deze scène al een stille aankondiging dat er toch spraakverwarring heerst tussen deze individuen met andersoortige culturele achtergronden? Gaat de voorstelling toch over multiculturaliteit? Misschien, maar dan is die multiculturaliteit ingekapseld in een theatrale cocon die haar beschermt tegen de clichés die over dit thema in het maatschappelijke werk de ronde doen. ‘We zijn het beu altijd over onze problemen te spreken,’ zo meldden de deelnemers bij het begin van de workshop. Hier komt niet de kloof tussen westers en niet-westers geloof, tussen dominante en niet-dominante cultuur, tussen stemgerechtigde en niet-stemgerechtigde burgers aan bod. Dat die fundamentele verschillen er zijn, zit al besloten in het vertrekpunt van dit project, de machteloosheid die de inwoners van Kuregem voelden, en het feit dat Dito’Dito als professioneel, hoofdzakelijk wit theatergezelschap die inwoners onder de arm nam om met hen een voorstelling te maken en hen een stem te geven. Het is de sociale, maatschappelijke context waarin de voorstelling ontstaan is. Die wordt terecht niet in de artistieke praktijk gethematiseerd. De enscenering is veeleer een onderzoek, een graven naar wat mensen met een totaal verschillende achtergrond bindt of uiteendrijft, eens de fundamentele verschillen van godsdienst en huidskleur vanzelfsprekend zijn geworden. J’y suis resté depuis / En daar ben ik gebleven is geen verhaal met een begin en een einde, maar een plek -in dit geval dus de abstracte box- waar verschillende personen elkaar ontmoeten. In hun conversaties peilen zij naar de universaliteit van emoties in alledaagse ervaringen of herinneringen.

Sneeuwwitje

Na de stotterscène verdwijnen de tien van het podium. In de achterkant van de box wordt een luik geopend waarachter de acteurs terug te zien zijn, als in een poppenkast. Wat volgt is een kleine presentatie van henzelf. We leren dat Zineb kernfysica wilde worden, Cathy, een zwarte vrouw, wil graag Sneeuwwitje zijn. Aan de hand van geprojecteerde dia’s op de achterwand, gaan de acteurs terug naar hun kindertijd. Ze praten over hun dromen, hun huisdieren, over waar ze bang voor zijn. Doorheen triviale gespreksonderwerpen sijpelen soms de verschillende culturele achtergronden door. Maar door het uitspelen van de fysieke verschillen tussen de acteurs worden talloze clichés over dit onderwerp op een geestige manier de kop ingedrukt. De donkerhuidige Cathy komt later nogmaals op, gehuld in een perfecte imitatie van Walt Disney’s Sneeuwwitjesjurk. Blijkbaar dromen niet alleen kleine, blanke meisjes ervan om door een even blanke prins wakker gekust te worden. De verwachtingen en clichés die na drie generaties immigratie nog steeds aan de huidskleur kleven, worden zonder dat men moraliserend wordt krachtig de kop ingedrukt. Bijvoorbeeld: een dia met muntplanten. Er ontwikkelt zich een kort gesprek over geuren. Niet Zineb houdt van pas gegoten munt in de medina, wel Willy zo blijkt. Serdar daarentegen zweert bij de pickles op de frietjes van Martin in Sint-Joost. Bijvoorbeeld: een dia met een Maghrebijns sfeerbeeld. ‘Dat is Marrakesh.’ Antwoord: ‘Neen, dat is Jette, op de jaarmarkt, twee jaar geleden.’ De scènes volgen elkaar in snel tempo af. Grappige bedenkingen wisselen elkaar af met herinneringen. Hoe Willy bij zijn eerste reisje naar Brussel -vanuit Wemmei- zich de ogen uitkeek naar de trams die er rondreden. En hoe Assia bij haar aankomst uit Marokko toch vooral bewondering had voor de spierwitte gordijnen in elk raam. De afstand die ze afgelegd hebben, maakt in deze voorstelling niet uit. Want ze hebben sindsdien veel gemeen: daar zijn ze gebleven. De fantasierijke intermezzo’s (naast Sneeuwwitje krijgen we bijvoorbeeld ook een leger Zorro’s te zien), het abstracte decor, en de monochrome kostuums ontwijken elke al te letterlijke representatie van de moeilijkheden waarmee de inwoners van Kuregem dagelijks geconfronteerd worden. Die trefzekere enscenering wordt weliswaar af en toe doorbroken door het gebrek aan professioneel acteertalent. Maar omdat Dito’Dito enkel die kwetsbaarheid laat doorsijpelen in de enscenering, werkt ze alleen maar ontwapenend. Het resultaat is een productie waar de breekbaarheid van het hele concept soms opwelt doorheen de verder sterke mise-en-scène, en niet omgekeerd, het artistieke slechts gereduceerd wordt tot een aantal ‘vondsten’ in het ensceneren van de kwetsbaarheid. Ook de publicatie is geslaagd. Je kan er de bedenkingen van de betrokken personen van de buurthuizen op nalezen, alsook hoe zij het project ervaren hebben. Daarna volgen talrijke brieven van Willy Thomas, Nedjma Hadj en Léïla Houari aan elkaar. Deze briefwisseling laat zich lezen als het verhaal van het tot stand komen van de voorstelling, in regie en dramaturgie, het werkproces van de bedenkers dus. ‘Gewoon een avondje schoonheid zaaien,’ merkt Willy Thomas in één van de brieven op. Het klinkt als een soort intentieverklaring bij de voorstelling. En aan die woorden heeft Dito’Dito zich gehouden.

J’Y SUIS RESTÉ DEPUIS/ EN DAAR BEN IK GEBLEVEN

MET Sarah Aoufi, Souad Belkadi, Zohra Dalf, Zineb el Kharaj, Nedjma Hadj, Leïla Houari, Catherine Makandah Idiamah, Serdar Sahbaz, Willy Thomas, Assia Yahya

KOSTUUMS: Lies Van Assche

MUZIEK: Dett Peyskens

DECOR EN LICHT: Bart Luypaert en Karl Van der Elst

PRODUCTIE: Dito’Dito

DE CITATEN ZIJN AFKOMSTIG UIT Leïla Houari, Nedjma Hadj, Willy Thomas, J’y suis resté depuis / En daar ben ik gebleven, UITGEGEVEN DOOR Dito’Dito, EPO, Le Cactus, La Boutique Culturelle, september 2000.

 

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#77

15.06.2001

14.09.2001

Katrien Darras

Katrien Darras, redacteur van Etcetera, is licenciate in de Kunstwetenschappen en behaalde het aanvullend diploma Culturele Studies aan de K.U.Leuven.