© Sammy Landweer

Pieter T’Jonck

Leestijd 4 — 7 minuten

Fúria – Lia Rodrigues

Fúria is Portugees voor woede. Die doordesemt de gelijknamige voorstelling van de Braziliaanse choreografe Lia Rodrigues. Die woede is bevrijdend. Fúria is een barok carnaval met een schep voodoo er bovenop. Het schopt alle heilige huisjes over wat hoort of niet hoort omver. Zo groeit dit spektakel, want dat is het, uit tot een vlammend protest tegen de identitaire, extreemrechtse politiek van president Jair Bolsonaro en de zijnen.

In de verte ontwaar je in het schemerduister van het podium een vuilnisbelt van zeilen, planken, plastic. Een vlag komt overeind tussen de rommel, gevolgd door een hand en een hoofd. Er liggen ook mensen tussen het afval. Ze krabbelen één na één recht en vormen iets wat op een processie lijkt, met de vlag voorop.

Of is het een bende haveloze vluchtelingen? Of drenkelingen op een vlot, die met de vlag zwaaien om hulp? Wie is de zwarte vrouw die verstijft in een schreeuw van afschuw? Welke pakken sleuren andere vrouwen voort? Zijn het lijken die gered moeten worden? Zien we hier bewoners van een favela in Rio de Janeiro die hun wonden likken en vermoorde dierbaren redden na weer maar eens een inval van de niets ontziende ordediensten?

Ultieme smeltkroes

Een zacht getik zwelt ondertussen aan tot een obsederende drumklank die de hele voorstelling zal aanhouden. Een stem scandeert altijd weer hetzelfde woord, als een oproep, of een waarschuwing als er weer eens onraad dreigt in een favela. Het is een opname van traditionele zangen in Nieuw-Caledonië, maar ze past hier wonderwel. Opzwepende, monotone percussie bij de razernij die bezit neemt van de groep.

Terwijl de groep naar voren zwenkt krijgen de deelnemers steeds sterkere individuele trekken. De diversiteit in de groep is groot. Alleen al onder de vier mannen: de ene heeft een bleke huid en rood haar, de andere is een zwarte kolos, de derde een eerder Latijns type en dan is er nog een man met meer indiaanse trekken. De Braziliaanse samenleving als de ultieme smeltkroes wordt hier wel heel aanschouwelijk.

Toch gaat het hier gaat het niet om zo’n labels, laat staan over identiteit, wel over de ontkenning van zo’n maatschappelijke dwangbuis. De voorstelling neemt voortdurend een loopje met de categorieën waarmee we, mensen al op het eerste gezicht in hokjes plaatsen door ze te reduceren tot zichtbare kenmerken als kleur, sekse, kledij. Tegenover die vorm van dagelijks geweld, zo gewoon dat we er niet meer op letten, stelt Rodrigues het geweld van verbeelding. We kunnen alles zijn wat we maar kunnen verzinnen.

Je moet het alleen durven. Een vrouw beschilderde zich van top tot teen met knalblauwe kleurvlekken. Met steeds minder, op de duur geen, kleren om het lijf teistert ze het podium als een voodoo-heks. Een andere vrouw pronkt met gouden benen. De zwarte vrouw met wilde krullen, die eerst verstijfde in een angstschreeuw, komt vele keren terug als een koningin van Sheba. Met een bezemstok als koninklijke staf in de hand voert ze vanop een karos van twee geknielde mannen de processie van havelozen aan.

Exorcisme

De processie, of de seculiere variant erop, de carnavalstoet, is inderdaad de vorm die het stuk vorm geeft. Waar de stoet halt houdt is er telkens een moment waarop enkele deelnemers uit de rij springen. Vooral op die momenten zie je dat dit carnaval niets gemeen heeft met toeristische beelden van het carnaval van Rio.

Zonder overgang loopt de triomfantelijke tocht soms over in tomeloos geweld. Je moet soms in je arm knijpen om jezelf te overtuigen dat het ‘maar theater’ is als de roodharige man een andere man van kleur tegen de grond drukt en bijna de keel omwringt, onder luid gejoel van de groep, of als ook de blauw geschilderde vrouw zwaar mishandeld wordt. Maar even goed keren de rollen later om, en worden de slachtoffers beulen.

Het doet je beseffen dat deze stoet niet gaat over ‘stoom afblazen’, maar over exorcisme. Het geweld dat het leven in de favela’s beheerst wordt hier, als in een krampachtige herhalingsdwang, over gedaan. Maar eindeloze herhaling wordt op de duur bezwering. Je kan je niet voorstellen wat het betekent om te leven in een wereld waar de overheid de personificatie van Kwaad en Onheil is. Wat het met je doet als dood en verderf om de haverklap blind en genadeloos toeslaan, en van de weeromstuit even blind tegengeweld oproepen. Hoe geef je dat symbolisch een plaats? Misschien kan dat wel enkel op de manier die Rodrigues hier toont?

Ze beschikt daarvoor over een niet eens zo geheim wapen. Onder alle stoeten, processies en dansfeesten door loopt seksuele transgressie als een rode draad. Het is niet enkel dat de performers steeds vaker naakt zijn, ze doen zich ook altijd weer anders voor. De zwarte man wordt -je wrijft je ogen uit, zo overtuigend is het- een vrouw in een opulent rood avondkleed, al is dat gemaakt van een plastic zeil. De vrouwen worden wilde amazones, meer man dan vrouw.

De performers dagen zo niet enkel elkaar uit, maar ook het publiek. Bijvoorbeeld als de mannen een rokje van lappen stof aantrekken voor een uitgelaten reidans vooraan op het podium. Ze laten de rokjes wapperen en zwaaien als volleerde stripteaseuses, maar wel om hun geslacht te onthullen, niet voor een besmuikte travestie.

Lia Rodrigues choreografeert dit ritueel meesterlijk. Steeds weer laat ze scènes haast ongemerkt in elkaar overkantelen. Elke keer weer ben je te laat om te achterhalen hoe ze de dansers in een andere gedaante liet verschijnen, of een nieuwe configuratie van de stoet zich vormde, zo mateloos snel en wild gaat het allemaal vooruit.

Beheerste ontremming

Niet enkel dat choreografische vernuft maakt Fúria ongewoon, zelfs uitzonderlijk. Dat ligt ook, en zelfs vooral aan de performers zelf. Al muteert hun persona soms in minder dan een oogwenk van mens naar beest, van man naar vrouw, van beul naar slachtoffer, lijkt het toch nooit alsof ze een ingestudeerde rol spelen. Hun bezieling is voortdurend totaal, op het schrikwekkende af.

Hallucinant is hoe de zwarte vrouw een toeval krijgt. Haar tong hangt als een lap leer uit haar mond en haar ogen draaien wit weg, alsof ze werkelijk van de wereld was. Je gelooft totaal in het geweld dat de dansers elkaar aandoen, of de wellust waarmee ze elkaar bespringen. Maar tegelijk zit de hele charade zo precies in elkaar dat het quasi onmogelijk is dat de performers zich ook werkelijk verliezen in hun actie.

Het kan niet anders dan dat ze op elk moment haarscherp beseffen wat ze veruitwendigen en wat dat als beeld oproept. Daar blijkt een paradoxaal en hoogst ongewoon meesterschap uit: totale beheersing en complete ontremming op één en hetzelfde moment, in één en hetzelfde lichaam. Dat is uniek. En bevrijdend.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#157

15.05.2019

14.09.2019

Pieter T’Jonck

Pieter T’Jonck is architect en kunstcriticus. Hij schrijft over podiumkunsten, architectuur en beeldende kunst. In 2012 cureerde hij de tentoonstelling Superbodies in Hasselt. Daarnaast leidt hij zijn eigen architectenbureau T’Jonck-Nilis.

recensie