‘FLOU’ © Koen Broos

Leestijd 5 — 8 minuten

FLOU

Abke Haring

Er waren eens een man en een vrouw. En ze leefden nog lang en gelukkig. Maar wat volgt, is geen sprookjesvoer. Hoe lang? Hoe gelukkig? Hoe lang gelukkig? Het antwoord is FLOU, de jongste voorstelling van Abke Haring. Haring staat zelf op scène, geflankeerd door Han Kerckhoffs. Hun sobere spel, het werk van beeldend kunstenaar Jean Bernard Koeman, geluidsontwerper Senjan Jansen en lichtontwerper Mark Van Denesse maken FLOU tot een breekbaar pareltje. Een schets van een échte relatie. En ze leefden nog lang en gelukkig, ‘naast’ elkaar.

Lang, lang staan een man en een vrouw woordloos voor zich uit te staren. Zij aan zij, hand in hand -samen, maar met de blik op oneindig – ultiem alleen. Ze blikken voor zich uit, de handen in elkaar als vader en kind, als twee vriendjes in de kleuterklas. Verstrengeld als geliefden zijn hun vingers al lang niet meer. In één beeld wordt het patroon van een langdurige relatie vervat. Hoe je zo samen kan zijn met de ander datje de ander vergeet. Of negeert. Of voor lief neemt (maar niet meer voor ‘je lief’). De dreigende muziek van Jansen stuurt je verbeelding naar duistere oorden, om zo de pijnlijke stilte tussen man en vrouw op te vullen. Dit zit niet goed, denk je onvermijdelijk. Al blijft er toch die hand: niet alle hoop is verloren, misschien sprankelt er toch nog ergens een vonkje magie tussen die twee?

De man en de vrouw bevinden zich op een ruw, vierkant blok vol potjes, kannetjes, proefbuizen, kommen. Alle mogelijke waterdragers zijn tot op verschillende hoogte gevuld. Vanuit het lage, hellende plafond – zwevend boven het muurloze speelvlak – lekt het. Hetgeplons van de waterdruppels valt samen met de aanzwellende en wegstervende muziek. De druppeltaal vertelt hoe stil het kan zijn als je niet meer weet wat te zeggen tegen elkaar. Deze relatie is lek, en met de tijd drupt leven, liefde en energie weg. De tranen op hun wangen zijn opgedroogd, maar het troosteloze decor van Koeman veruiterlijkt hun innerlijke droefheid.

Een stem breekt de eindeloze stilte. De man zwijgt, de vrouw vult zijn gedachten in.

Zij:
ik moet even gaan liggen
ik krijg geen adem
wat is er
waarom zeg je niets
wat moet ik zeggen
wat er is
er is niets
waarom moet er iets zijn als ik even
niets zeg
je zegt al heel lang niets
ik vraag gewoon wat er is
je bent zo stil
dat komt omdat jij steeds vraagt wat
er is
ik vraag niet steeds wat er is
je hebt het nu al twee keer gevraagd
omdat je zo stil bent
je zegt al zo lang niets
ik wil weten wat er is
er is niets

Ze vraagt en antwoordt in een monodialoog die even schroeiend intiem als onthutsend pijnlijk is. Door en door kennen de twee elkaar, zoveel is duidelijk. Zij hebben aan minder dan een half woord genoeg; de stilte spreekt voor zich. Maar de irritatie groeit, de verwijten zwellen aan. Tot dan uiteindelijk zijn lippen klank voortbrengen en de langverwachte eerste woorden uitstoten. Een weerloze verdediging, tja.

Wat volgt, is een dialoog over de supermarkt, dagelijkse kost. ‘Was er wat in de winkel?’ ‘Was best veel. Koolraap.’ ‘En courgette?’ Hun conversatie verschilt amper van de stilte: even weinig wordt gecommuniceerd, even veel lijkt erachter te drukken. De stilte wordt gevuld met nietszeggende woorden, de herhaling van voorgekauwde zinsneden over groenten en aankopen. Geënsceneerde alledaagsheid wordt absurde humor. In korte staaltjes Haring-taal: staccato, licht-ironisch, dubbelzinnig, eenvoudig en veelzeggend. De banale woorden etaleren vertrouwen en intimiteit, maar ook verstikking en sleur. Zwijgen en spreken, liefde en haat, vertrouwdheid en verstikking, ‘duel en duet’ – de uiterste polen van de liefde liggen verrassend dicht bij elkaar.

Man en vrouw bewegen traag en voorzichtig tussen de kruikjes. Hun behoedzame gebaren zijn gechoreografeerd door de gewoonte. Man en vrouw lijken op elkaar, verroeren zich geleidelijk en gezamenlijk. Zelfs zonder woorden zie je hoe ze – willens nillens -bij elkaar zijn beginnen horen. Ook de repetitieve taal van het lichaam is ingesleten en versleten. Samen kijken ze naar de lekken van hun relatie.

FLOU openbaart het gebied tussen verliefd en verlies. Zowel man als vrouw zoeken nog toenadering tot elkaar. Maar hun timing zit niet goed. Wanneer hij zijn hand in haar nek legt, draait de vrouw zich weg. Maar wanneer zij zich even later bijna ritueel aanbiedt, als een offerlam, en de muziek aanzwelt, smekend om een climax, blijft de man onbewogen. En begint over een camping, nota bene. De theatermaker in Abke Haring houdt duidelijk van rituelen, van groteske, bijna religieuze symbolen en van kleine rituele spelletjes. ‘Wat komt er bij je op als ik dit woord zeg?’ De speelsheid is gaan dienen als dekmantel om ook serieuzere dingen te bespreken. Met de glimlach wordt het venijn ingelepeld. ‘Mag ik van jou/ van de irritante eigenschappen/ domheid?’ ‘Mag ik van jou/ van de grote irritaties/ de onverdraagzaamheid?’ ‘Mag ik van jou/ van de lichaamsgeuren/ putlucht?’

‘Was er wat in de winkel?’ ‘Was best veel. Prei.’ Veelvuldig komt het gesprek – als een mini-ritueeltje-terug op voedsel. Veilig, vertrouwd, alledaags, een gezamenlijk genot. Vloeiend verschuift het gesprek van eten naar seks. Van variaties op de supermarktdialoog tot masturberend Heleentje met haar komkommer in de supermarkt, en van blinkende groente-verpakkingen tot ‘de glimmende spleet van een meisje dat zich verkeerd op haar zadel heeft gezet’. Zonder een krimp te geven wordt van het ene register naar het andere geschakeld. Seks is even alledaags als eten, en dus kan er ook even direct over gesproken worden. De afwezigheid van bekrompenheid in Abke Harings taal voelt als een bevrijdende confrontatie met de schotten in ons hoofd.

Heel even komt er ook een geut poëtische complexiteit aan te pas, in een plots lange metaforische monoloog van de man (‘Laat me groeien/ tot een stil/ wijs/ wezen/ een sneeuwpop in een weiland’) en vervolgens van de vrouw (‘In een hoek/ van de versleten trap/ opgekropen/ meteen bijl/ in je rug/ van/ de ander/ omdat de poging werd/ misbegrepen/ een dier/ aderlatend’). Maar daar blijkt dat, hoe treffend de abstract de beeldende taal van Haring ook is, de kracht en herkenbaarheid van flou vooral schuilen in de überbanaliteit, de kortheid, rechtlijnigheid en simpelheid van de concrete conversatie, de bijna absurde sulligheid van de eindeloze herhaling van dezelfde gesprekken, dezelfde patronen, de vele stiltes. Hoe minder woorden, hoe minder nieuwigheden, hoe meer leegte, hoe groter de kracht van FLOU. Maar de vergelijkingen zijn raak: zij is als een leeuwin in een kooi, hij een visje in een aquarium. Hun relatie is een spel van aantrekken en afstoten, van continu verschuivende machtsverhoudingen.

Ze eindigen waar ze begonnen: naast elkaar, opnieuw hand in hand. En plots landen vele druppels water op exact hetzelfde moment in de verschillende kommen, PLOINK. Je schrikt op, want tot op dat moment baadde FLOU in een vloeiend waas; een subtiele compositie van licht, muziek, woord, spel, beeld en geluid. Je schrikt op en je vraagt je af of man en vrouw ooit ook weer zo’n zelfde ritme zullen vinden, écht samen. En in die twijfel glimt de hoop. Misschien.

hij
dat is vaak zo met aanbiedingen

zij
ze pakken vaak iets in

hij
omdat het dan glimt

Een relatie is geen aanbieding, maar een niet te ruilen aankoop. Als de glans er af is, zie je de kleine plekjes, vlekjes, bultjes en deukjes. Bij een ‘uitgepakte’ mens ruik je de geuren (putlucht?) en voel je de textuur. Het is aan de liefde om er haar glimmende mantel over te leggen.

FLOU is nog tot 12 mei op diverse plaatsen in Vlaanderen en Nederland te zien.

www.toneelhuis.be

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#128

01.03.2012

31.05.2012

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!