Foto’s: David Bergé

Julia Naunin

Leestijd 6 — 9 minuten

Flashback jumps

Een zwerftocht langs verborgen plekjes in het hart van het Berlijnse DIY-theater

Deze aantekeningen zijn niet geschreven vanuit het perspectief van een onafhankelijk kunstenaar. Ze zijn veeleer een observatie van de institutionele en niet-institutionele theaterstructuren in Berlijn, vroeger en nu. Flashbacks en flash forwards zorgen voor een springerige stijl die niet lang genoeg stilstaat bij de dingen om alles helder te zien, maar hopelijk wel een idee kan geven van hoe het concept DO IT YOURSELF (DIY) theater af en toe opduikt in Berlijn, bijvoorbeeld in underground clubs.

Laat ons terugkeren naar de tijd waarin punks in Groot-Brittannië of elders nog op de schoolbanken zaten: waar waren de hippies in Berlijn toen mee bezig? Waren er wel hippies in Berlijn? Misschien zijn de anti-disciplinaire sidekicks van toen niets meer dan praatjes, legenden en mythes van de vijftigplussers van nu.

Berlijn was een bizarre en koude politieke plek, verdeeld over verschillende naoorlogse grootmachten. Huizen, scholen en theaters waren nog in heropbouw, inwoners waren op zoek naar een identiteit die niet puur op Amerikaanse Heropvoeding gebaseerd was, naar een surplus dat misschien niet enkel door economische ambities geregeerd werd. Het was een plek waar een muur werd gebouwd om het land in twee te delen, waar invloedrijke mensen door ideologische infiltratie aan de touwtjes trokken. Consumptiegedrag werd aangemoedigd: vertrouw 200% op experten en techniek’ had een subliem motto kunnen zijn – het omgekeerde van de DIY idealen dus. Misschien was het in realiteit een wisselwerking tussen hulp die werd aangeboden en dankbaar werd aanvaard, in plaats van gewoon aan de slag te gaan, met vallen en opstaan.

Het duurde dan ook een tijdje voor in Duitsland de anti-disciplinaire motivaties van de jaren ‘60 uitmondden in een substantiële kruisbestuiving tussen entertainment en politiek. Punk kreeg pas begin de jaren ‘80 voet aan wal in Duitsland.

Waarom beginnen we niet in 1962, het jaar waarin Peter Stein de Schaubühne am Halleschen Ufer in Berlijn oprichtte (nu het HAU 2, één van de drie zalen van het Hebbel-am-Ufer/ HAU, een internationaal georienteerd theater). Stein leidde het huis op basis van ‘participatie’. Het principe dat aan de grondslag lag van het programma en de thema’s waarrond gewerkt zou worden, was medebeslissingsrecht. In tegenstelling tot stads- of staatstheaters (de gangbare manier van werken in het Duitsland van de jaren 70) ontwikkelde het Schouwburgensemble een vernieuwende vorm van collectief werk. Deelnemers probeerden de plek te runnen naar democratisch model: elk individu had medebeslissingsrecht – zo vertelt de overlevering- of droeg op zijn minst in belangrijke mate persoonlijk bij aan cultperformances van Kleists Prinz Friedrich von Homburg (regie P. Stein, 1972) en Tsjechovs Drei Schwestern (regie P. Stein, 1984). Ze onderwierpen ook de Griekse tragedie aan een dramaturgisch onderzoek (de Bacchanten van Euripides, de Oresteia van Aischylos), en legden daarbij diepgaande verbanden bloot tussen hun theaterwerk en de psychologische implicaties van het leven in Duitsland in de jaren ‘80. Ze introduceerden eveneens hedendaagse auteurs als Botho Strauss en Peter Handke, onder meer met diens tekst Publikumsbeschimpfung, wat in het Duits zoveel betekent als ‘het publiek de huid volschelden. Legendarische acteurs als Bruno Ganz, Angela Winkler, Jutta Lampe, Otto Sander, Edith Clever, dramaturgen en regisseurs als Klaus Michael Grüber en later ook Luc Bondy en Robert Wilson: ze waren er allemaal bij betrokken. Discussiëren was ‘in en veel van hen dreven dit participerend model voor het leiden van een theater nog verder door, en gingen zich bezighouden met politiek.

In het begin van de jaren ‘90, toen de stad na de val van de Berlijnse muur haar best deed om terug één te worden, werden oude huizen, kelders en fabriekshallen drukbezochte plekken: squats, coole clubs en laboratoria voor podiumkunsten, zowel theater als muziek. Catacomben in het vroegere no-man’s land deden dienst als instant bars en dancings, de zogenaamde ‘dinsdag/woensdag/vrijdag clubs’, culturele hot spots verkasten voortdurend van de ene plek naar de andere. Sneller dan de politie – als die de plek al kon vinden tenminste. Het systeem had zijn handen vol met de veranderende bureaucratische structuren, de underground was out of control, en waarschijnlijk toch niet interessant genoeg voor het systeem.

Een van de grotere culturele centra was – en is nog steeds, hoewel minder dynamisch – de Tacheles. In het Duits ben je ‘Tacheles’ wanneer je bijvoorbeeld confronterend en heel direct een conflict met iemand uitpraat, zonder rond de pot te draaien. Tacheles werd opgericht door Jochen Sandig, samen met medewerkers en activisten van heel diverse pluimage. In een vroegere supermarkt (die in de DDR vast en zeker niet in die hoedanigheid gebruikt werd, maar langzaam stond te vervallen) gingen ze van start met een bar / theater / concert club / kunstenaarsatelier / discussieplatform. Het was een soort (illegale) mengelmoes van gastkunstenaars die langere tijd ter plekke bleven en elk hun eigen artistieke weg zochten, een visie ontwikkelden en die ook trachtten te realiseren. De verdere carrière van Jochen Sandig op de voet volgen, is eigenlijk het verhaal vertellen van DIY in het Berlijn van de jaren ‘90.

In 1993 stichtte hij samen met choreografe Sasha Waltz het onafhankelijke dansgezelschap Sasha Waltz & Guests. In 1996 openden ze de Sophiensaele – een historisch belangrijke ruimte in Berlin Mitte/ Sophienstrasse, oorspronkelijk gebouwd in 1905/06 voor de vereniging van ambachtslieden en later de plek waar linkse revolutionaire activisten als Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht kind aan huis waren. Het kleine team van gepassioneerde dansers en organisatorische medewerkers rond Waltz en Sandig creëerde een werkruimte voor de zogenaamde onafhankelijke Vrije scène’. Kunstenaars, hoofdzakelijk uit de wereld van dans, teksttheater en performance, vonden de nodige financiering voor hun opvoeringen via aanvragen links en rechts. Het werd ook een plek voor residenties: momenteel biedt de Sophiensaele onderdak aan het gezelschap van choreografe Constanza Macras, Dorky Park, en het dans- en acteergezelschap Two Fish. Ook internationale producties vinden hun weg naar deze ruimte.

Huidig directrice Amelie Deuflhard is één van de meest politiek actieve figuren in de theaterwereld, een bezige bij die niet terugdeinst voor baanbrekende producties en kunstenaars die op de scène misschien wel enige artistieke kwaliteit missen. Onder haar invloed is de Sophiensaele een thuisbasis geworden voor cultureel-politieke discussies. En samen met het HAU en de ‘vereniging voor tijdelijk cultureel gebruik van het paleis van de republiek’, zorgde ze tegen alle verwachtingen in ook voor een cultureel programma in één van de meest centrale en belangrijke gebouwen in de recente geschiedenis van de stad: het (vroeger Oost-Duitse) Palast der Republik, dat nu afgebroken wordt om de gevel van het vroegere Pruisische paleis te reconstrueren.

Amelie Deuflhard wordt binnenkort artistiek directeur van de Hamburgse Kampnagel Fabrik, nog zo’n voorbeeld van een alternatieve culturele instelling die het officiële staats- en stadstheatersysteem vanaf midden jaren ‘80 het nakijken gaf.

Terug naar Jochen Sandig. In 1999 namen Sandig en Waltz samen met regisseur Thomas Ostermeier en zijn dramaturg Jens Hillje de leiding over de Schaubühne am Lehniner Platz in het westelijke stadsdeel, in Charlottenburg. Het doel was om een unieke combinatie van dans en teksttheater tot stand te brengen, met stukken van hedendaagse auteurs als Sarah Kane of Mark Ravenhill. Een half jaar geleden ontbond de directie van de Schaubühne zichzelf en ging ieder zijn eigen weg. Het dansgezelschap van Waltz verkoos op eigen houtje verder te gaan en Sandig staat op het punt een nieuwe onafhankelijke theaterruimte op te richten in een fabriekshal in de wijk Kreuzberg onder de naam ‘Radialsystem. Onlangs nog werd bekendgemaakt dat de Senaat besloten heeft het project te subsidiëren.

Maar Sandig is niet de enige die zijn toevlucht zoekt in onafhankelijke locaties voor theater. Ambitieuze theatermakers die alles op het spel zetten en van nul herbeginnen: het gebeurde en gebeurt nog steeds, ook in andere delen van de stad. In februari 2006 opende de Ballhaus Ost in Prenzlauer Berg (een vroegere Oost-Berlijnse buurt waar nu veel ‘Zugezogene‘ leven, West-Duitsers die de laatste 15 jaar in Berlijn zijn komen wonen). De artistieke leiding is in handen van de vroegere Schaubühne-actrice Anne Tismer, samen met twee collega’s: de acteurs-annex-technisch directeurs-annex-toneelmeesters-annex-zakelijk leiders van dienst. De Ballhaus Ost was vroeger een club en krijgt geen subsidies van de stad of van andere instanties. Kunstenaars en gezelschappen presenteren er hun voorstellingen nadat ze het nodige geld bijeengesprokkeld of gevochten hebben. Ze krijgen een deel van de opbrengst van de tickets en kunnen gebruik maken van de infrastructuur: een paar lampen en een PA-systeem (geleend van andere theaters in de stad). Dat is alles.

Van dit soort elementaire DlY-ruimtes voor theatercultuur zijn er interessant genoeg nog meer in Berlijn, neem nu de Kohlenquelle, of de drie weken durende performance-locatie Kaufhaus Jandorf, waar Constanza Macras haar eerste versie van Back to the Present toonde. In sommige opzichten lijken deze plekken wel op dinsdag/ woensdag/vrijdag clubs: tijdelijk open met een specifiek doel. Een plek waar je iets kan gaan drinken, uit de bol kan gaan op een Oost-Europese gemeenschapsparty, kan luisteren naar jonge schrijvers die voor een klein publiek voorlezen uit hun onuitgegeven teksten of toekomstige professionele dansers en acteurs aan het werk kan zien. De publieke ruimte wordt ook steeds interessanter voor theater: in de nabije toekomst kunnen theaterfestivals niet meer zonder hun eigen flashmob.

Het zwaartepunt verschuift: kunstenaars en creatievelingen die de basis leggen voor creaties van allerhande andere kunstenaars zijn zich niet altijd bewust van de DIY-principes die ze hanteren, of van de voorbeelden uit de geschiedenis. Ze doen het gewoon. Ze brengen in de praktijk wat ze vanuit een innerlijke noodzaak in de praktijk moeten brengen – zij het op locaties die zichzelf misschien niet als theater bestempelen. Bovendien hebben ze hun eigen communicatiemiddelen (mailinglists, sms, posters die doen denken aan de covers van punk-lp’s of politiek-activistische iconografie). Ze lanceren daarbij een laatste oproep om deel te nemen aan een demonstratie tegen het systeem – in het bijzonder tegen specifieke, ouderwetse, gecommercialiseerde visies op cultuur en theater.

Nog één ding over die communicatiemiddelen: ze werken community-based en zijn niet zo makkelijk op te pikken, Je behoort tot een bepaalde DIY-groep, of je behoort er niet toe. Je zal met andere woorden pas weten of er bepaalde guerilla-optredens gepland zijn wanneer je op het juiste moment op de juiste plaats bent.

Sterf eervol en artistiek onafhankelijk terwijl je werkt aan je doctoraat of in een call center, of doe het zelf en win het spel: dit zou wel eens the state of the arts kunnen zijn in het Berlijn van toen en nu. Zonder ook maar iets te willen zeggen over morgen.

Berlijn, april 2006

Vertaling Stien Michiels

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#102

15.06.2006

14.09.2006

Julia Naunin