Alex Mallems

Leestijd 4 — 7 minuten

Festival d’Automne

Parijs

Kwaliteit en continuïteit zijn wellicht de twee stevigste peilers waarop het jaarlijkse Festival d’Automne in Parijs zijn succes bouwt. De globale integratie van het festival binnen Parijs als permanente culturele metropool werd reeds uitgebreid toegelicht naar aanleiding van de vorige editie (Etcetera 24). De editie ’89 werd gekarakteriseerd door een sterke inbreng van het Duits repertoiretheater met ensceneringen van Klaus Michael Grüber, Luc Bondy en Hans Jürgen Syberberg. Die Deutsche Welle lijkt het Franse theaterlandschap eindelijk te overspoelen en die artistieke irrigatie leverde de voorbije herfst alvast een rijke theateroogst op.

Klaus Michael Grüber speelde duidelijk een sleutelrol in dit festival. Eerst was er zijn gastproduktie L ‘affaire de la rue de Lourcine van Eugène Labiche door de Berlijnse Schaubühne. Via een on-Franse speelstijl binnen een on-Frans dramaturgisch doordacht concept liet Grüber de Fransen Labiche als het ware (her)ontdekken. De uitgangspunten die Grüber hanteert blijven in essentie steeds dezelfde : goed theater moet eenvoudig blijven en maximale helderheid nastreven. Goede komedie werkt in dit geval het best op basis van oeroude principes als contrastwerking en situationele inkleding. De flinterdunne, absurde verhaallijn – twee mannen ontwaken na een zwaar avondje uit met een black out in één bed en door een samenloop van omstandigheden praten ze zichzelf een moord aan -wordt als theaterrealiteit gehandhaafd, maar tegelijkertijd onderuit gehaald door een vervreemdend decor. Centraal achterin oogt een bedsponde bijvoorbeeld als een miniatuur-toneellijst, met een schuin, irreëel perspectief, scheef zoals de situatie. Details houden de toeschouwer daarbij alert voor de absurditeit van het gegeven: een om het uur rokende klok, of op snurkgeluiden reagerende lampen – hoe luider men snurkt, hoe feller ze gaan branden -werken tegelijkertijd komisch en werkelijkheidsontwrichtend.

In een dergelijk kader kunnen personages zonder grote middelen geprofileerd worden: er wordt zeer ‘sec’ geacteerd, wat de situationele humor versterkt. Bovendien krijgt men op die manier zicht op de onderliggende psychologische lagen van de personages, een (onderbewuste) rijkdom die men bij een oppervlakkige lectuur van het stuk niet meteen zou vermoeden. Komisch en slim dus.

Minder humor biedt Georg Büchners klassieker Dantons Dood, een stuk dat vanzelfsprekend niet mocht ontbreken op het Franse repertoire in het afgelopen Bicentenaire-jaar. Blijkbaar slagen buitenlandse regisseurs er wel in om de revolutiethematiek boeiend en actueel in te vullen, want na Matthias Langhoff met het Müller-Schnitzler tweeluik in Avignon (zie Etcetera 27), zorgt Klaus Michael Grüber met Dantons Dood bij Nanterre Amandiers voor een sublieme en relevante produktie. Haaks op de hele opvoeringstraditie schrapt Grüber alle massascènes, toont geen bombaste paleizen of gerechtshoven, maar een verkillende kaalheid in een van alle luister ontdaan decor : het immense plateau van Nanterre wordt slechts aan de uiterste omtreklijnen bespeeld met links een miezerig gesuggereerd kamertje voor Robespierre en rechts een fauteuil als lokatie voor Danton en zijn familie; een als het ware onthoofde muur fungeert als steeg, de uiterste achterwand en een imponerende metalen poort zorgen samen met neergelaten tralies voor een desolate gevangenissfeer.

Maar het spel met afstand gaat nog verder: op een bepaald moment wordt die achterpoort opengegooid en krijgen we een diepte-effect van wel honderd meter gepresenteerd (het achterliggende decoratelier wordt mee uitgespeeld). De personages, inclusief de historische helden van de revolutie, worden in een dergelijk kader gereduceerd tot miniatuurpionnen op het immense schaakbord van de wereldgeschiedenis. Danton, de volksheld bij uitstek, wordt als eenzaam individu geïsoleerd van het volk, waardoor zijn zaak bij voorbaat verloren is. Grüber laat Danton -gespeeld door André Marcon- zijn beroemde verdedigingsrede uitspreken midden in de kale ruimte van het lege speelvlak, zonder catheder, zonder rechtbank, zonder toehoorders : de woorden van Danton klinken daardoor ijl en overbodig, waardoor het pro forma karakter van zijn argumenten beklemtoond wordt. Barbertje moest hangen en Dantons toekomst was de guillotine.

Sedert enige tijd vormen steractrice Edith Clever en regisseur Hans Jürgen Syberberg een vaste tandem binnen het Duitse theater. Na haar Kundry-rol in de filmversie van Parsifal en Die Nacht, schitterde Edith Clever twee jaar geleden in de Heinrich von Kleist monoloog Penthesilea en zet ze die lijn nu verder met Die Marquise von O. Het verhaal van een vrouw en het oorlogsleed dat haar treft wordt opengegooid door haar individuele leed tegen de achtergrond van Schloss Friedersdorf te plaatsen. Dit aristocratisch landgoed wordt in al zijn stadia op het achterdoek getoond : van weelderig domein, over oorlogsruïne, tot een van puin geruimd braakland. De hele Duitse geschiedenis van de voorbije twee eeuwen wordt op die wijze geïntegreerd in de voorstelling.

Edith Clever hanteert een vorm van goed gedoseerd illustratief acteren die werkt: het vertellen van een boeiend verhaal staat daarbij centraal met een gedifferentieerd identificeren met, inleven in, vorm geven aan individueel gekarakteriseerde personages tegenover het hoofdpersonage, Die Marquise von O. Clever wordt nooit te expliciet, maar refereert vanuit een interne logica naar objecten, gebeurtenissen, stemmingen binnen de tekst. Hans Jürgen Syberberg zit ondertussen in het midden van de zaal achter een klankorgel en schuift onder die poëtische tekst af en toe fragmenten Beethoven : een muzikale sfeerschepping die de zegging en intrigerende presence van Edith Clever alleen maar nuanceert, extra kleur geeft, levendig houdt. Kleist-Beethoven-Syber-berg-Clever, een subliem kwartet.

Vierde produktie in het Duits-Parijse rijtje vormde Le Chemin Solitaire van Arthur Schnitzler in een regie van Luc Bondy, een in Frankrijk opgegroeide Zwitser die vooral in het Duitse theater zijn reputatie gevestigd heeft. Schnitzler schreef Der Einsame Weg aan het begin van deze eeuw in Wenen en het stuk draagt duidelijk de sporen van het intellectueel klimaat van die tijd. Een gecultiveerd doodsverlangen, pre-psycho-analytische denkbeelden, het fundamenteel menselijke egoïsme, de problematiek van de afkomst, het vaderschap en de verantwoordelijkheid daarvoor vormen centrale thema’s.

Luc Bondy weet de psychologische spanningsvelden die tussen de verschillende personages leven ook voelbaar te maken op de scène, door een acteerstijl op te bouwen waarin een krampachtige reflex verwerkt zit. Onder de speeltekst wordt via allerlei kleine tekens een subtekst voelbaar gemaakt die de op til zijnde conflictsituaties suggereert, waardoor de intrige van het stuk op een organische manier zijn verloop kent. Acteurs als Didier Sandre als Stephan von Sala, of Bulle Ogier als Irene Herms weten de daarvoor noodzakelijke spanningsboog maximaal op te bouwen. Een produktie die de aktualiteit van Arthur Schnitzler alleen maar rechtvaardigt.

artikel
Leestijd 4 — 7 minuten

#28

15.12.1989

14.03.1990

Alex Mallems

artikel