Foto: David Baltzer

Nicolas Siepen

Leestijd 9 — 12 minuten

ErtegenErbij – DagegenDabei – TherebyAgainst

Zelforganisatie is een nieuw begrip, een ‘smerig’ begrip ook. Nicolas Siepen over fundi’s en realo’s, over cultureel links en politiek links, en over het informeel netwerk van technoclubs in het Berlijn van de jaren negentig.

Het is niet gemakkelijk om ‘zelforganisatie’ te definiëren. Blijkbaar gaat het hier om een relatief nieuw begrip. Het benoemt zowel een theoretisch als een politiek praktisch concept dat uit vele componenten bestaat. Het is een hybride begrip waarvan de implicaties en mogelijkheden geërfd, gedestilleerd en getransformeerd werden uit de existentiële beslissingen van de jaren zestig en zeventig. De grote componenten – autonomie, autopoësis, transgressie, het antiautoritaire, het anti-oedipale, activisme-geven min of meer de ontplooiingsmogelijkheden van het veld of plan aan. Hoewel het begrip alledaags klinkt, is het een neologisme dat door tegengestelde krachten in evenwicht gehouden wordt. Zoals alle neologismen gaat het om een ‘smerig’ concept, dat de algemene term ‘collectiviteit’ een bijzondere invulling geeft.

In de praktijk snijden de prefixen ‘anti’, ‘auto’ en ‘trans’ de ‘zelforganisatie’ in twee, en haar bewegingslogica bestaat er onder andere in om deze breuklijn te cultiveren. Daarom gaat het om een begrip uit het ‘linkse’ wapenarsenaal. ‘Rechtse’ begrippen en concepten zijn door hun politieke streven identiek aan zichzelf of met zichzelf verzoend omdat ze het conflict en de breuklijn naar buiten transporteren. Ze zijn gebiedend en dulden geen intern conflict dat van buitenaf zichtbaar kan worden. Anders gezegd plaatsen ze een statisch ‘wij’ tegenover het vijandig geconstrueerde ‘andere’, dat moet worden bestreden. De clou van een concept als zelforganisatie bestaat erin dat tegenover het statische ‘wij’ een flexibel ‘wij anderen’ geplaatst wordt en dat de conflictlijn, die weliswaar ook langs antagonismen verloopt, binnenin al uitgevochten wordt.

Fundi’s en realo’s

Men kan dit verschil tussen linkse en rechtse collectiviteit in rudimentaire vorm zelfs in het partijlandschap terugzien. In het Duitse parlement bijvoorbeeld hebben de groenen, voor ze een echte centrumregeringspartij werden, dit conflict tot in den treure uitgelokt. Toen ze van de straat kwamen als buitenparlementaire oppositie en in de parlementaire oppositie terechtkwamen, hebben ze zich voortdurend bezig gehouden met de dualistische onderverdeling in ‘fundi’s’ en ‘realo’s’. De fundi’s wilden de ‘radicale’ erfenis van de straat behouden en als zodanig in het parlementaire bedrijf invoeren en de realo’s wilden een pragmatische aanpassing aan het systeem en zijn dwingende spelregels. Uiteindelijk hebben de realo’s onvermijdelijk het pleit in hun voordeel beslecht, omdat op termijn de weerstand tegen de institutionele druk van een ideologisch staatsapparaat niet kan standhouden, als men er tegelijkertijd formeel toe behoort en volgens zijn mechanismen werkt.

De rechtse partijen kennen ook wel een strijd tussen de verschillende vleugels, maar ze zijn altijd nauw verbonden met het staatsapparaat zelf. Het is voor hen niet alleen eenvoudiger om de rangen gesloten te houden -wat hun efficiëntie en slagkracht wezenlijk verhoogt- maar het vormt op zich ook al het politieke doel. Zij representeren met het grootste gemak én liefdevol het staatsgezag als iets monolithisch.

Dat de groenen zich geleidelijk in dezelfde richting hebben ontwikkeld, kan men goed merken bij personen als Joschka Fischer, Otto Schily en Daniel Cohn-Bendit. De ene transformeerde van afgeranselde straatvechter naar opgeblazen staatsminister van Buitenlandse Zaken, en de andere van groene RAF-advocaat naar officiële hooligan als minister van Binnenlandse Zaken bij de

SPD. Het motto van de APO (Aufier-parlamentarische Opposition, buitenparlementaire oppositie, red.) ‘de lange mars door de instellingen’ komt hier aan zijn idioot reformistische einde: een wolf in schaapsvacht! Kort gezegd, de spontane revolutionair ‘Dany le Rouge’ groeide uit tot de realpoliticus ‘Dany le Vert’. Op verschillende manieren hebben de linkse ‘alfadieren’ zich van hun politieke verleden gedistantieerd en het parlementair-democratische bestel heilig verklaard.

Het zou ons hier te ver voeren de politieke implicaties van deze processen te analyseren. Het betekent echter niet dat de structurele verschuivingen binnen het democratische machtsapparaat vanuit een links perspectief geen positieve invloed kunnen hebben op de vorming van maatschappelijke hegemonie, maar dat de institutionele matrix en zijn ideologische kader van binnenuit niet radicaal in vraag gesteld en veranderd kunnen worden, laat staan afgeschaft. Sinds 1968 was de ‘lange mars door de instellingen’ eigenlijk ‘de lange weg naar het centrum’, die op het einde van de j aren negentig voltooid werd. Met het resultaat dat de speeltuin van de bourgeoisie aanzienlijk uitgebreid is en ze haar kapitalistische belangen een globale economische basis kon geven. De ‘iron lady ‘ in Engeland en de seniele ex-acteur Ronald Reagan in de Verenigde Staten hebben in de jaren tachtig het neoliberale plan laten uitdenken dat nu tot zijn volle ontplooiing komt en waarvan we allemaal met de gevolgen kampen. Kortom, voor de vrije markt is het ieder voor zich, maar wel samen.

Wat men met ‘mei ’68’ aanduidt

Deze algemene politieke rollback heeft geen homogene en lineaire logica gevolgd, die op alle maatschappelijke terreinen op dezelfde manier verlopen is. Aan het begin van deze ontwikkeling staat – als er al een begin aan te wijzen is – een sociale drift.

Wat men met ‘mei ‘68’ aanduidt, geraakte in het slop, namelijk de reële illusie van een diepe en principiële verandering van de maatschappelijke verhoudingen in de groot-orde van staten en hun instellingen, net zoals in arbeidsorganisaties, en dit alles met de blik gericht op de internationale context. Sommigen hebben zich daarna neergelegd bij het bereikte en zijn teruggekeerd naar hun ‘gereformeerde’ fabrieken, universiteiten en bureaus, anderen hebben geprobeerd ‘eruit te stappen’.

Collectieve landbouwbedrijven, boekenwinkels, kunstenaarsgroepen, psychiatrische instellingen, universiteiten, kinderwinkels, patchworkfamilies: een hele parade van hippieachtige, zelfgeorganiseerde ‘microstaten binnen de staat probeerde zich te ontplooien in de in privé en openbaar onderverdeelde maatschappelijke sectoren van liefde, werk en leven, en dat in een beperkte ruimte en tegen de maatschappelijke consensus in. Maar vooral wilden zij zichzelf ontplooien: ‘L’état, c’est moi.’

Hier van microstaten spreken, duidt al op het sarcasme en de kritiek die zich aan deze collectieven heeft gehecht. Tot op de dag van vandaag wordt daarop teruggegrepen om hun failliet te verklaren. Deze groepen en zelfgeorganiseerde instellingen kregen van marxistisch links én liberaal rechts te horen dat ze enkel bezig waren met narcistische zelfverwerkelijking en de restauratie van autoritaire structuren. Voor de conservatieve rechtsen ruikt het daarbij tot op heden naar anarchisme en de marxisten ruiken anarchisme én burgerlijk individualisme. De neo-liberalen ruiken weliswaar ook anarchisme en gevaar, maar dat heeft hen niet gehinderd om hun eigen ideologie van zelfverwezenlijking op de werkvloer te ontwikkelen en het arsenaal van ervaringen en codes die in de zelforganisatie aangeleerd werden om te vormen naar flexibel pop-management. Dat werd dan weer als aanleiding gezien om de zogezegde apologeten van de bevrijding van de wensen en de niet-staatscollectiviteit verantwoordelijk te maken voor dit ideologische aanpassingsproces van het kapitaal. Dat geldt zeker voor oud ’68-ers als Schily, Fischer en Cohn-Bendit, die echter in hun dubbelrol als haatfiguren en succesmodellen het tegenstrijdige verloop van de ‘nieuwe linksen’ na 1968 enkel uitdrukken op het niveau van de staatsinstellingen. Men zou deze biografieën en wat ze representeren echter op absurde wijze gelijk geven als men ze als graadmeter zou nemen voor de gehele maatschappelijke realiteit. Wanneer je dit proces bijvoorbeeld op het niveau van subculturele milieus nagaat, dan tekent er zich een complexer beeld af dat je anders moet bekijken.

In Duitsland werd al vóór de val van de Muur bij de linksen een onderscheid ingevoerd. Dit vormde het ‘nieuwe links’ dat zich afzette tegen de doctrine van de communistische partij, de arbeidersbeweging en de marxistische topografie van basis en bovenbouw, wat leidde tot hun splitsing in cultuur- of pop-links en polit-links. Terwijl de polit-linksen in al hun verschijningsvormen zich in wezen uitsluitend vasthielden aan het politieke vocabulaire en de politieke gedragscodex, ontwikkelden de cultuur-linksen een verfijndere toegang tot de culturele codes en organisatievormen, die zich afwendden van de fixatie op industrie. Eigenlijk breidden de politieke interventiemogelijkheden en analyses zich uit naar de producten en technieken van het cultuurindustriële complex. Die werden nu -in tegenstelling tot de kritische theorie van de Frankfurter Schule, die ze als ideologische expressie van het kapitalisme beschouwde- niet meer als iets negatiefs gezien, maar ze muteerden tot een kritisch-affirmatief referentiekader dat zich laat toe-eigenen en veranderen. Het journalistieke artikel werd een geliefde actievorm, en popmagazines zoals Spex ontpopten zich tot vaandeldragers voor een links zelfbewustzijn. Later kwamen daar nog kunsttijdschriften bij zoals Texte zur Kunst of politieke magazines zoals Die Beute. Zij verdiepten een sociaal-culturele beweging die zich binnen het culturele veld articuleerde en manifest werd in instituut-kritische, identiteitspolitieke en muzikale producties.

Goudzoekers

In het Berlijn van de jaren negentig -maar niet persé daar- kregen deze activiteiten na de val van de Muur een nieuwe impuls. Bevorderd door de bijzondere toestand van Oost-Berlijn, het wegvallen van het Ijzeren Gordijn, de massale leegstand van gebouwen, de goedkope huurprijzen enz., ontwikkelde er zich schijnbaar als vanzelf een soort goudzoekersstemming met betrekking tot de mogelijkheden van zelforganisatie. Galeries, clubs, bars, theaters en actieruimtes werden gedurende een aantal jaar kristallisatiepunten van een sociale wereld waarin de meest uiteenlopende culturele activiteiten raakpunten en overlappingen vertoonden, die een dichtheid en intensiteit bezaten die ik niet kende in andere steden. Nochtans ging het vanaf het begin om een zeer tegenstrijdig en conflictrijk proces, waarbij op het einde ook meteen het concept van cultuur-links opgebruikt was.

Deze ontwikkeling helemaal schetsen zou ons hier te ver leiden, in plaats daarvan zou ik graag het concept zelforganisatie aan de hand van een praktijkvoorbeeld kort concretiseren. Nadat ik een tijd in Parijs had gewoond, kwam Berlijn in vergelijking volledig ongedefinieerd over. Het idee om één van de vele leegstaande panden te huren en daar een werkruimte in te richten waarin openbaarheid tot stand kon worden gebracht, kwam louter en alleen al bij je op door de aanwezigheid van deze ongebruikte ruimtes, maar ook door het al bestaande ‘tussengebruik’ dat zich over de stad had verspreid. Tussengebruik betekent dat ruimtes en gebouwen die normaal gezien door het particuliere bedrijfsleven of als publieke ruimte werden gebruikt, voor een bepaalde tijd ‘legaal’ van hun oorspronkelijke doel kunnen worden ontvreemd, tot zich weer iemand aandient die hen weer een ‘reguliere’ bestemming geeft. Er was een oude kapperszaak in de buurt van de Potsdamer Platz die een club werd, maar verder het opschrift ‘Kapper’ bleef dragen en ook zo genoemd werd. Om de hoek was er nog de ‘Elektro’ in een oude elektronicawinkel, de ‘Kluis’ in een oud bankgebouw en de ‘WMF’, allemaal technoclubs die vernoemd waren naar de vorige uitbater of de plaats waar ze nu gevestigd waren. In de loop van de tijd werden er van de prozaïsche opschriften en lichtreclames culturele labels gemaakt, die hun oorsprong tot op vandaag gedeeltelijk overleefd hebben. Tussengebruik betekende namelijk ook dat je vaak moest verhuizen. De Potsdamer Platz, het centrum van de stad dus, was toen nog braakland en in de weekends een reusachtige rommelmarkt.

Het interessantste aan deze plekken was dat ze niet gewoon zomaar een functie hadden, maar dat ze telkens aan een sociale structuur verbonden waren die ook overdag in andere verhoudingen bleef bestaan. De plaatsen hadden hun unieke bestaan en specificiteit en waren tegelijkertijd delen van een informeel netwerk dat door niemand gepland of georganiseerd werd. Ikzelf heb met een groep mensen, die de naam ‘Klasse twee’ droeg, eerst de ruimtes van de oude DDR-afvalverwerking gehuurd en later een handelspand in de Schröderstrafie. We hadden elkaar leren kennen aan de kunsthogeschool en hadden daar samen tentoonstellingen georganiseerd. Na onze studies besloten we ons werk georganiseerd voort te zetten. Hoewel de huurprijs voor deze ruimtes erg laag was, moesten we natuurlijk geld zien te vinden om te kunnen werken. Dat betekende in ons geval subsidies aanvragen en één keer per week een ‘illegale’ bar openhouden. Er waren veel van zulke bars, voor elke weekdag één, en de onze was die van de dinsdag. Je moest voor zo’n bar geen reclame maken omdat het als een lopend vuurtje de ronde deed en het elke week voller werd dan ons lief was. Met de inkomsten van de drankverkoop konden we onze activiteiten en de ruimte betalen. Maar het werd ook snel duidelijk dat het barbedrijf niet gewoon een economisch noodzakelijke nevenactiviteit was, maar een beslissend element van de gehele sociale constructie én een last. Ik som deze banaliteiten hier op omdat ze met betrekking tot zelforganisatie niet banaal zijn.

Zodra men zich buiten een institutioneel en duidelijk financieel kader bevindt, vermengen de economische, sociale en inhoudelijke niveaus zich automatisch tot een soort subjectgroep, om hier een begrip van Félix Guattari te gebruiken. Deze niveaus, domeinen en functies worden in instellingen normaal gezien uit elkaar gehaald en zijn onderhevig aan een hiërarchische arbeidsverdeling. Deze splitsing betekent een zekere abstractie en regelt het verloop. Elke functie-uitvoerder van het collectief van een instelling wordt naargelang zijn takenpakket betaald. In een subjectgroep, zoals Guattari het definieert, lossen de grenzen zich geleidelijk op of moeten de grenzen telkens weer opnieuw gedefinieerd en besproken worden. De individuele leden van de groep zijn niet gewoon dragers van een functie, maar overlappende existenties die samen zoiets als een groepssubjectiviteit vormen, die sterk met de omgeving verbonden is. Je vindt samen een kunstterritorium uit, verzint een naam, gebruikt vaak het woord ‘wij’ en creëert zo een zichtbaarheid en openbaarheid die de fragiele randen van de subjectgroep definieert. Ook als die randen transparant zijn, hebben zulke zelfgeorganiseerde collectieve plaatsen een beweeglijke identiteit, die zich van andere plaatsen onderscheidt en wedijvert.

In het geval van ‘Klasse twee’ bestonden er vele redenen om haar in het leven te roepen: een zekere autonomie tegenover het kunstbedrijf en zijn institutionele dwangmatigheden, de ondervonden noodzaak om de kritisch-theoretische praktijk aan kunstproductie te koppelen en als politieke interventie in de openbare ruimte te brengen, en de zin een plaats te hebben en samen te werken. Ons ging het om een politieke kunstpraktijk die niet enkel de vrije markt en de oedipale driehoek van galeriehouder, verzamelaar en kunstenaar ter beschikking staat, maar toch op het gebied van kunst doeltreffend zou zijn. Maar net zoals zo’n groep een ‘identiteit’ bezit, zo wordt hij ook door centrifugale krachten bepaald, die hem systematisch uiteendrijven. Bovendien heeft het personeel van het kunstbedrijf, dat altijd op zoek is naar nieuw materiaal voor zijn instituten, er belang bij om zich toch delen van het collectieve werk toe te eigenen om ze te gelde te maken. Voor deze spanningsverhouding en haar paradoxen hebben we ooit zelfironisch het begrip DagegenDabei gebruikt. Een ander gevleugeld woord was gentrificatie, wat de kapitalistische annexatie van een verloederd stadsdeel betekent. Cultuurproducenten zoals wij worden aangetrokken door een morbide charme en lage huurprijzen en creëren door hun initiatieven een nieuwe ‘attractiviteit’. Zo wordt uiteindelijk de vijand binnengehaald in het eigen huis. Naast de bar hebben we een bureau met archief ingericht, een band opgestart en met andere groepen samengewerkt om op een gegeven moment te ontdekken dat het voorbij was.

Vertaling Mathias De Prest

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 9 — 12 minuten

#102

15.06.2006

14.09.2006

Nicolas Siepen