Eric De Kuyper

Leestijd 3 — 6 minuten

Eric De Kuyper

We lopen over besneeuwde straten, op zoek naar een ‘Veem’ in een verlaten uithoek van Amsterdam, waar het BEWTH (Bewegingstheater) een nieuw programma voorstelt. Helemaal uit het Oosten van het land hierheen gekomen. Twee, drie uur afwisselend in de kou, uit de kou. Snel een (slechte) Fou-Jong-of-zo verorberd. Het BEWTH – vermoedelijk onder de indruk dat een correspondent voor een Frans-Belgische krant zijn schouwspel komt recenseren – staat op ons te wachten en maant ons aan! Snel, we wilden niet beginnen alvorens jullie er waren! Alsof het zonder ons niet zou kunnen.

Ben eigenlijk een beetje bang dat het zou tegenvallen. Een paar jaar tevoren was ik zo onder de indruk van één van hun opvoeringen dat ik dacht: ‘eigenlijk kan het niet verder meer.’ En ben dus ook daarna niet meer gaan kijken wat ze verder nog produceerden. Waarom nu dan plots opnieuw? In de barre kou denk ik: zou ik niet liever bekennen dat het BEWTH mij gestolen kan worden? Dat ik liever thuis zou zijn gebleven, waar genoeg werk op mij ligt te wachten?

Integendeel. Ik ben blij dat ik er ben. En dat X. er ook bij is ditmaal.

Is dit liefde voor het theater? Beroepsernst (ik hoef echt niet. Ik kom uit vrije beweging. Het brengt me geen cent op; het kost me geld en werk…)?

Het doet me denken aan een anekdote die – ik meen – Hildegarde Kneff vertelt. Hoe na de oorlog in het verwoeste Berlijn de criticus Friedrich Luft soms uren te voet, met slechte schoenen, door de ruïnes zich een weg baande op zoek naar een of andere kelder in een afgelegen buurt, Spandau of Charlotteburg, waar een opvoering te zien was.

Dat gevoelen ken ik erg goed. Is het verslaving of zo? Reizen door de nachtelijke Duitse provincie. Middenin een opvoering te Covent-Garden, een bomaanslag. We staan een half uur te rillen op straat, in afwachting van een mogelijke verderzetting van het tweede bedrijf. Die dan doorgaat alsof er niets geweest was. Of nog: een tentamen Latijn (of all things) voorbereiden in de Mirabellengarten, tussen een opvoering van Le Nozze en Rosenkavalier door. Of nog: ik maak met Y. een heel ingewikkelde afspraak – omdat we beiden een totaal afwijkend en ingewikkeld programma hebben – en treffen ons wonderlijk – zoals afgesproken – in het King’s Theatre te Edinburgh, tien minuten voordat Teresa Berganza aan het zingen gaat.

Dit is de andere kant van “the show must go on”, de kant van de toeschouwer voor wie uiteraard ook zo iets bestaat. Dat mag blijken uit deze voorbeeldjes van geobsedeerd zijn door…

Wat Hildegarde Kneff er niet bij vertelt is of F. Luft met P. op zoek ging naar een opvoering; of hij met L. afgesproken had aan de ingang.

In het Moskouse Dagboek van Walter Benjamin (geschreven in de jaren 26-27) valt mij op dat hij vrij vaak (historische) opvoeringen gaat zien en daar nauwelijks iets over schrijft. Zo over een Meyerhold-opvoering: ‘Mittags hatte mich Reich mit Meyerhold verbunden der mit Karten bewilligt hatte. Mit grosser Mühe schlug ich mich nun, um sie abzuholen, zum zweiten Direktor durch. Uberraschender Weise kam Asja zur Zeit. Sie hatte ihr gelbes Tuch wieder mit. Ihr Gesicht hat in diesen Tagen eine unheimliche Glätte. (…) Die Revue war sehr interessant und einmal fühlten wir – ich weiss nicht mehr an welcher Stelle das war – uns wieder einander näher. (…) Im letzten Akt störte Asja das Schiessen. Auf der Treppe, als wir während der ersten Pause Meyerhold suchten (…) ging ich auf einen Augenblick voran, Da fühlte ich an meinem Halse Asjas Hand. Mein Rockkragen hatte sich umgelegt und sie klappte ihn wider zurecht. Mir wurde bei dieser Berührung inne, wie lange schon mich keine Hand freundlich berürht hat.’ (W. Benjamin, Moskauer Tagebuch, Suhrkamp, Frankfurt, 1980, p. 85-86)

Niets over de opvoering, tenzij dat het een ‘interessante revue’ was. Ik weet ook niet of ik het mis; wat Benjamin daar geschreven heeft is zo mooi dat ik mijn nieuwsgierigheid naar zijn mening over de opvoering graag vergeet. Het ene hoeft het andere natuurlijk niet uit te sluiten. Ik merk echter dat er steeds zoveel over de opvoering (enz.) geschreven wordt en zo weinig over de toeschouwers. Terwijl toneel toch bij uitstek een kunst van en voor toeschouwers is. Of niet?

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

column
Leestijd 3 — 6 minuten

#2

15.03.1983

14.06.1983

Eric De Kuyper