‘Eind goed al goed’ © Sanne Peper

Geert Sels

Leestijd 4 — 7 minuten

Eind goed al goed

Tg STAN

Vakantie heeft iets paradoxaals. Op deze paar dagen weegt de druk om kommerloos te zijn. Ze moeten alles zijn wat de overige dagen niet zijn. Geen verplichtingen, geen stress, geen inspanningen. Net als een lichte griep ontslaan ze ons van de noodzaak paraat te staan. Ze stellen ons een haast paradijselijk er-niet-zijn in het vooruitzicht. Hoeveel opluchting spat er niet van een out-of-office-bericht dat begint met: ‘Ik ben er even niet.’

Zoals het een overdrijvingskunstenaar betaamt, heeft de ‘uittap’ bij de Oostenrijkse toneelschrijver Thomas Bernhard (1931-1989) nog een grotere noodwendigheid. Bij hem is de nood permanent. Het is een knagende sehnsucht die vooruitzicht biedt om elders te zijn. Het is het houvast van de claustrofoob die weet dat hij kan ontsnappen. Een oplossing heeft Bernhard echter niet in de aanbieding. Hoogstens wordt de ene kerkering ingeruild voor een andere. Hilarisch zijn de beschrijvingen in Wittgensteins Neffe, waar de verteller van Salzburg naar Wenen naar Gmunden vlucht. Telkens achternagezeten door… zichzelf. Daar is natuurlijk geen ontsnappen aan.

De meeste theaterstukken van Bernhard spelen zich af op één locatie. Veelal zijn het bedompte herenhuizen waar het verleden zich in stand houdt. Het zijn gesloten instellingen waar de bourgeoisie zich koestert in zijn eigen gelijk. Hier wonen overwegend hogeropgeleide voorname lieden, niet zelden gewezen hoogwaardigheidsbekleders en hier en daar een ex-nazi die dekking gevonden heeft binnen het establishment.

Het zag er naar uit dat Tg STAN in zijn Bernhardtrilogie de kaart van het voortsluimerend naziverleden zou trekken. Alles is rustig (1999) focuste op een verwaten kamergeleerde, die zich op zijn oude dag nog opmerkelijk druk maakte over de reine volksaard. De voorstelling onthulde de ranzige randjes van een onverwerkt verleden en stemde daardoor onbehaaglijk. Redde wie zich redden kan (2005), dat inspiratie vond bij enkele dramoletten, hield het thema niet langer onderhuids maar stelde het expliciet aanwezig. Daar viel vrij bozig theater mee te maken. In de laatste worp, Eind goed al goed, is het thema echter niet aan de orde. Het doet de vraag rijzen wanneer men over een trilogie spreekt en wanneer over drie Bernhardvoorstellingen.

Am Ziel (1981), zoals Eind goed al goed oorspronkelijk heet, speelt op het verlangen ergens op te stappen om dan el- ders te floreren. Het eerste deel situeert zich in zo’n hoger beschreven stadswoning voor betergesitueerden. Het tweede deel stelt daar de wellnessachtige weidsheid tegenover van Katwijk aan Zee. Tg STAN werkt dat contrast ruimtelijk uit. Door middel van een zeil is het speelvlak eerst ingedamd tot een smal voortoneel. De bewegingsvrijheid is minimaal, de bekrompenheid fysiek voelbaar. Na een ingewikkelde manipulatie in slapstickstijl wordt het zeil voor deel twee verhangen tot achterdoek. Zo krijgt de bühne diepte, en de oppervlakte die open komt te liggen voelt bevrijdend. Geprojecteerde beelden van aanrollende golven maken de suggestie van een zeespa compleet.

Voor de rest is zowat de hele scenografie gericht op één attribuut: een rieten reiskoffer. Het is het enige bezit dat de weduwe van een industrieel ooit inbracht in haar huwelijk. Van haar man hield ze niet, deze onverdraaglijke mens, de Wagnernar. En van zijn eeuwige frase ‘eind goed, al goed’ al helemaal niet. Maar zijn ijzergieterijfabriek, zijn kapitaal en zijn huis aan zee, die vielen wel mee. In het stuk mag het dan heten dat ze per jaar maar één doel (das Ziel) heeft, namelijk Katwijk, deze vrouw is zo nietsontziend dat ze zich altijd als een havik op haar doel stort. In haar jonge tijd waren dat status en bezit, in haar oude dag zijn dat troost en bijstand.

De moeder is zo opslorpend dat ze tekstueel het stuk inpalmt en de resterende personages om zich heen laat cirkelen. Ze claimt het alleenrecht op de waarheid, bepaalt wanneer anderen wel of niet drinken en zou desnoods het weer haar nukken opleggen. Frustraties en tegenslagen hebben een schild van verbittering om haar heen gelegd. Alleen met die pantsering komt ze enigszins ongeraakt door het leven. De aanval is de beste verdediging. Dus schampert ze op alles en iedereen. Maar eigenlijk heeft ze al lang haar interesse in wat dan ook verloren.

In haar drang tot zelfbehoud aarzelt ze niet anderen te knechten. De medepersonages zijn de krukken waarop ze steunt. Met een pervers genoegen kleineert ze haar dochter, die mislukte in haar operacarrière en haar relaties, opdat ze haar afhankelijk zou kunnen houden. Hetzelfde soort emotionele chantage zit in Ritter Dene Voss (1984). Familieleden worden uit eigenbelang versmacht in verplichtingen. Het is een subtiel afgedwongen mantelzorg. In Am Ziel gaat het zo ver dat de moeder haar dochter voor zich laat knielen, net als toen ze een klein meisje was.

Het stuk speelt op een tussenmoment. De avond voordien woonden moeder en dochter een theaterpremière bij, de dag nadien reizen ze af naar Katwijk. De moeder dacht niet dat het stuk iets zou worden. Daarvoor woelde de schrijver te veel in de ellende en wierp hij het publiek te veel drek in het gezicht. Bovendien interesseert de toneelspeelkunst haar geen moer meer. Toen het stuk een overdonderend applaus kreeg, veranderde dat de zaak. ‘In een moment van zwakte’ vroeg ze de schrijver op de receptie mee naar Katwijk. En wanneer hij, eenmaal in Katwijk, een scherpe opmerking maakt, zegt ze: ‘Eén zin van hem en alles licht op.’ Ook de schrijver is iemand die ze nodig heeft. Iemand waaraan ze zich wanhopig vastklampt om verder te geraken.

Bernhard drijft de relaties op de spits en vergroot de tirades uit. De realiteit blaast hij op tot een groteske. Daarom gaat het in de receptie van zijn werk zo vaak over gezeur en misantropie. In Eind goed al goed pareert Tg STAN de groteske deze keer overwegend met ironie. De vraag is of dat volstaat. Het komt er op neer dat een aanhoudende reeks overdrijvingen telkenmale met ‘o ja? ’ wordt afgerond. De stellingnames zijn zo opzichtig gechargeerd, dat het weinig bijbrengt om de aandacht op de charge te vestigen.

Tg STAN heeft natuurlijk een patent op een licht-afstandelijke speelstijl die de tekst bevraagt. Sara De Roo speelt de dochter met grote vragende ogen, in een staat van constante verbazing over wat ze allemaal te horen krijgt. Ze houdt haar personage groot, en laat haar geen serviele slof worden. Jolente De Keersmaeker heeft in deze quasi-monoloog een indrukwekkend tekstaandeel en zat tegen premièretijd nog in de worsteling met de lijnen. Het was zoeken naar het ritme. De tirades van Bernhard kwamen nog niet in opgebouwde golven aanrollen, maar in kortere gelijkelijk verlopende zinspatronen. Daar zal ondertussen vast veel aan veranderd zijn. Bernhard is voor Damiaan De Schrijver ondertussen zijn pakkie-an.

Veel van de zinnen in Eind goed al goed krijgen een hamerende cadens en veelal dezelfde scheut temperament. Daardoor wordt de enscenering allicht wat eenzijdig. Zelfs met een ironische insteek liggen er in dat grote tussengebied tussen realiteit en groteske tal van nuances voor het grijpen. Er is volop gelegenheid om verwatenheid, verongelijktheid, arrogantie, kortzichtigheid, narcisme of misplaatste gekwetstheid te exploreren. Dat heeft Tg STAN vroeger meermaals met succes aangetoond.

Eind goed al goed is nog tot 15 juni op tournee in Nederland en Vlaanderen.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Geert Sels

recensie