‘Nerf’ – Compagnie Karin Vyncke / Antonia Geirlandt

Myriam Van Imschoot

Leestijd 10 — 13 minuten

Een salon van weigeraars

Over het uitblijven van een dansbeleid

In weerwil van de adviezen van de Raad voor Dans besliste minister Luc Martens afgelopen zomer geen nieuwe dansgezelschappen te erkennen. Volgens het huidige decreet voor de podiumkunsten bevriest Martens daarmee het danslandschap voor de komende vier jaar. Een kaakslag voor de gegadigde choreografen Karin Vyncke, Bert Van Gorp en Marc Vanrunxt, die al jaren aan een loopbaan timmeren. Met het eenmalige initiatief Le salon des refusés (12 oktober 1995), een avond met werk van ieder van hen, tekenden ze dan ook protest aan. In dat kader vroeg co-organisator Vooruit aan Myriam Van Imschoot om een vervolg te schrijven op haar speech Hoge Bomen die ze twee jaar eerder op het Flemish Dance Platform uitsprak.

O la politique!

Tijdens de voorbije subsidieronde voor de podiumkunsten is beduidend minder politiek bedisseld dan in het verleden het geval is geweest. Dat zei althans minister Martens op het spraakmakende debat in het kader van het Theaterfestival. Twee maanden eerder hadden de beslissingen van de Vlaamse Regering over de subsidiëring van muziektheater, dans, kunstencentra en teksttheater veel deining veroorzaakt, vooral daar waar de adviezen van de raden niet waren opgevolgd, zoals zo ingrijpend in de dans was gebeurd. Op zes punten was minister Martens immers van de Raad voor Dans afgeweken. Voor Dans in Kortrijk zette hij het licht van rood op groen, De Beweeging kreeg een fikse stijging, en als een gevolg daarvan werd vier nieuwe gezelschappen erkenning geweigerd.

Een minister – dat is: een politicus – met bovendien weinig verstand van dans, die in een handomdraai zomaar even het hele dansveld voor de komende vier jaar hertekent: als dat al geen politieke daad is, wat is het dan wel?

Allicht alludeerde minister Martens met zijn bewering op het uitblijven van grootscheepse reddingsoperaties, zoals onder voormalig minister van cultuur Weckx, toen een vangnet met een omvang van 42 miljoen gespannen werd om vier Antwerpse, door de raad uitgerangeerde theatergezelschappen in extremis op te vangen. Het behoudsgezinde (naar eigen zeggen ‘politiek haalbare’) advies van de Raad van Advies voor Dramatische Kunst had voor deze subsidieronde reeds de weg geplaveid en maakte dergelijke drastische chirurgische ingrepen van overheidswege onnodig; enkel de make-up diende ‘hier en daar’ wat politiek bijgekleurd te worden. Het is een flagrant voorbeeld van hoe een raad reeds zélf (onbewust?) het politieke denken anticipeert in zijn aanbevelingen.

Dat de Raad voor Dans wél veel meer werd gepasseerd, komt dan ook niet doordat die Raad haar huiswerk minder goed heeft gedaan of zoals de minister suggereerde ‘dubbelzinniger’ was in zijn advisering, maar doordat die adviezen simpelweg niet in de lijn lagen van de hidden agenda. Daarom heeft minister Martens op eigen houtje vooralsnog Dans in Kortrijk erkend en gesubsidieerd. In zijn enthousiasme wees hij daarbij zelfs bijna 1,5 miljoen méér toe dan de initiatiefnemers hadden aangevraagd. Verdiend of niet, daar gaat het hier even niet om: punt is dat Dans in Kortrijk er louter op politieke voorspraak is gekomen. Dans in Kortrijk is de onstuimige flirt van Martens met zijn electorale thuisbasis.

Net zo is de forse stijging’ van De Beweeging niet het resultaat van een inhoudelijke appreciatie voor – bijvoorbeeld – de werking van de afgelopen jaren, maar een regionalistisch manoeuvre van een collega-minister. Die vond dat Antwerpen op het vlak van dans ook wel iets mocht hebben. Met de 14 miljoen die De Beweeging nu krijgt, komt het schouder aan schouder te staan met het Leuvense Klapstuk.

Regionale troeven had de Amerikaanse in Brussel gevestigde choreografe Meg Stuart niet. Haar aanvraag om Damaged Goods als gezelschap te erkennen, unaniem door de Raad gesteund, werd niet gehonoreerd. Op het debat tijdens het Theaterfestival klapte minister Martens uit de biecht: hij had ‘geen meerderheid gevonden binnen de Vlaamse Regering voor Damaged Goods’. Hoe dat zo komt, is me nog steeds niet duidelijk, wél dat ook deze beslissing kennelijk politiek gestuurd werd.

Het vervolg laat zich raden. Wie wel wat krijgt, heeft wat een ander niet kreeg. De aanzienlijke meerkost van De Beweeging en Dans in Kortrijk in de huidige constellatie is omgekeerd evenredig met het geld dat de drie overige gezelschappen niét kregen. De minister verdedigt zich door te wijzen op de reserves die de Raad blijkbaar ook had jegens Aquilon, Contrecoeur en Hyena. Dat is slim van hem, maar niet geheel fair. De subsidieregeling van de podiumkunsten in haar geheel genomen, laat immers zien dat de overheid er duidelijk voor geopteerd heeft slechts een minimaal aantal nieuwe initiatieven toe te laten. Minister Martens mag dan wel 213 miljoen extra uit de begroting hebben kunnen halen, blijkbaar stond snel vast dat die som zou geïnvesteerd worden in een verdere consolidering van de bestaande structuren en niet in het opnemen van vers bloed. Ook dat is een politieke afspraak. Met andere woorden: de refusés die hier op dit salon aanwezig zijn, werden niet geweigerd omdat ze niet goed zouden zijn, of wat dan ook, ze zijn refusés omdat een politieke conjunctuur dat zo besliste.

Wel dan, er is minder bedisseld? Voor dans blijkt dus het tegendeel waar: daar is, in vergelijking met de vorige subsidieronde van 1993, iedere verandering (die van enig belang is) in de eerste plaats het gevolg van politieke machinaties. Eufemistisch mag men dit dan wel geritsel noemen, op een nog steeds krap budget van 116 miljoen heeft iéder geritsel het effect van een orkaan. Die orkaan woedt nog altijd voort.

Wat voorafging

Jeanne Brabants is de eerste die de overheid zo ver kreeg om een Vlaams dansinitiatief stuctureel te steunen. De overheid had weliswaar niet zo veel met dans, maar de beslissing was tricoloor Belgisch: Brussel had sinds 1960 zijn Ballet van de XXste Eeuw onder leiding van Maurice Béjart, in Wallonië was in 1966 het Ballet Royal de Wallonië opgericht, dus kon men in Vlaanderen niet achterblijven en kreeg Brabants in 1969 haar eigen Ballet van Vlaanderen. De subsidie-overeenkomst laat zich het best omschrijven als een soort ‘contract’ tussen gezelschap en overheid – met jaarlijkse geldelijke transfers. Een dansbeleid was het dus nog niet, verre van, daarvoor was het te restrictief gekoppeld aan één gezelschap, maar het was tenminste iets: een wapenfeit (de overheid ondersteunde dans!), en als dusdanig een niet onbelangrijk precedent voor een later te voeren dansbeleid.

Meer dan een decennium later kwam het nieuwe elan echter niet uit dit staatsbedrijf. Terwijl het Ballet wegdeemsterde, maakte een nieuwe generatie opgang buiten die gevestigde structuur. Dansmakers als Anne Teresa De Keersmaeker, Marc Vanrunxt, Jan Fabre en later Wim Vandekeybus gooiden hoge ogen in het buitenland. In eigen land konden ze echter amper rekenen op een aalmoes uit de experimentenpot, een soort restcategorie in het theaterdecreet voor ad hoe initiatieven. Een aparte regeling voor dans bestond niet.

Het spreekt voor zich dat die situatie onhoudbaar was. Toen aan het begin van de jaren negentig het theaterdecreet omgevormd werd tot een podiumkunstendecreet, kon de dans eindelijk aan zijn inhaalmanoeuvre beginnen. (Ter vergelijking: voor het theater bestond al van in 1975 een decreet). Voortaan zou niet één geprivilegieerd dansgezelschap maar ‘de dans’ bij decreet worden erkend en als dusdanig een subsidie-enveloppe krijgen. Nóg een heuglijk feit: de pas opgerichte adviesraad was weliswaar nog samengesteld volgens het cultuurpact, maar toch, voor het eerst kon men grosso modo stellen dat de leden van een raad er veeleer zaten om hun vakbekwaamheid dan om hun politieke kleur. Een belangrijk signaal: het kersverse te voeren dansbeleid zou enkel artistieke criteria hanteren. Het zou gedepolitiseerd zijn of niet zijn.

Precies daarom is het politiek gekonkel (in de mate dat we daar zicht op hebben) van de afgelopen subsidieronde een symbolische nekslag. Minister Martens heeft door de adviezen van de Raad zo flagrant naast zich neer te leggen, wel degelijk laten aanvoelen dat de Raad slechts een adviserende functie heeft, en dat uiteindelijk de politiek het laatste woord krijgt. Het gevolg is dat de politiek-vrije zone 2 waaruit het dansbeleid werd gedacht (want van denken over dans heeft het kabinet noch de administratie ooit veel blijk gegeven) failliet kan worden verklaard. Of juister: mijn geloof in een politiek-vrije behandeling van de dans – misschien van meet af aan een fabeltje -heeft een knauw gekregen.

Artistieke verzuiling

In 1993 bleef een grote kans onbenut. Het van kracht worden van het nieuwe decreet was immers de uitgelezen aanleiding om het Koninklijk Ballet van Vlaanderen op te nemen in een integraal dansbeleid. Dat dit niet gebeurd is, bewijst hoe politiek beschermd het Ballet van Vlaanderen wel is. Ook vandaag staat dat gezelschap nog steeds rechstreeks ad nominatim op de begroting ingeschreven – een soort geprivilegieerde liaison met de overheid, en daarmee meteen ook: een hors catégorie positie, die het ballet onttrekt aan iedere inspraak van buitenaf.

Herhaaldelijke keren heeft de Raad zich hierover beklaagd. Terecht, want hoe kan een Raad voor Dans (sic) een totaalbeleid uitstippelen als slechts een derde van het totale dans-budget binnen haar bevoegdheid ligt? Dat is een zaak van middelen, voorwaar een gevoelig punt in een ondergesubsidieerd landschap. Maar er is meer. De scheiding tussen het Ballet van Vlaanderen en de rest van de dans verdiept de mentale kloof tussen de klassieke dans en de zogenaamd hedendaagse dans. Erger nog, het houdt die kloof artificieel in stand op een ogenblik dat de verhoudingen tussen beide strekkingen aan herziening toe zijn. Daarom, al kunnen we de tweespalt ballet versus hedendaagse dans historisch wel begrijpen, ze verder bij decreet in stand houden, dreigt een belachelijk anachronisme te worden.

We mogen dan ook hopen dat deze anomalie zal worden weggesneden als eerstdaags het decreet opnieuw op de operatietafel komt te liggen. Een nieuwe fase in het cultuurbeleid, in welke vorm ook, zou de gelegenheid moeten zijn om het dansbeleid artistiek te ontzuilen. Dat zal veel openheid vergen, niet in het minst van het Ballet van Vlaanderen, maar ook van de hedendaagse danssector zelf. Immers, in retrospectief bekeken, blijkt nu dat het decreet in eerste instantie het officialiseren was van een generatie (en dan blijkbaar alleen de succesvolle topdrie) en daarmee ook van een dansopvatting (wat kan omschreven worden als ‘hedendaagse’ dans). Op zich is daar vanzelfsprekend niets fout mee; alleen zullen we stilaan de impliciete canons moeten expliciteren om ze op termijn in vraag te stellen en open te gooien naar andere vormen van dans toe: klassiek, historisch, niet-westers, low culture, enzovoort.

Zover is het echter nog lang niet. De voorbije subsidieslag heeft alvast duidelijk gemaakt dat dans niet langer tot de prioriteiten van de regering behoort en derhalve weer in het vrieskastje zit. Onder minister Weckx had dans wél een voorkeurbehandeling gekregen. Ook al waren zijn inhaalbewegingen niet toereikend – de in te halen afstand ten opzichte van het theater is nu eenmaal bijzonder groot -, verwacht werd dat minister Martens de inspanningen van zijn voorganger zou voortzetten. Dat hij daar niet in geslaagd is, is betreurenswaardig. Op die manier blijft dans stief-zusterlijk behandeld. Ter vergelijking: een beginnend gezelschap in het theater krijgt een startenveloppe van 6 miljoen; in de dans kan er niet eens sprake zijn van een beginnend gezelschap. Die zijn er niet, naar verluidt omdat men ‘de versnippering van de middelen’ wou tegengaan.

Who’s afraid of diversity?

Met het argument van de versnippering is iets vreemds aan de hand. Het duikt verschillende keren op in de beleidsteksten van de overheid. Ook op het debat in het Theaterfestival was het zowat een sleutelwoord. ‘Versnippering’. ‘We moeten ons hoeden voor versnippering’, ‘we moeten versnippering tegengaan’. Blijkbaar wordt er zo kwistig met dit woord omgesprongen, dat de ‘versnippering’ zelf versnipperd dreigt te geraken. Maar over welke versnippering gaat het hier?

Bedoeld wordt de versnippering van de middelen. Wanneer er weinig geld voorhanden is, dan moet je daar spaarzaam mee omspringen. Liever een boterham voor een handvol, dan wat kruimels voor iedereen. Volgens diezelfde redenering heeft de Raad voor Dans al tijdens de vorige subsidieperiode hard gesnoeid in het aanbod en kwamen bijgevolg slechts drie gezelschappen (Rosas, Ultima Vez en Les Ballets C. de la B.) en twee dansorganisaties (Klapstuk en De Beweeging) voor erkenning in aanmerking. Vijf erkende structuren op een heel veld in expansie, het is niet veel. Maar wie versnippering van de middelen wil tegengaan, moet hard zijn.

Echter, wrang gaat datzelfde argument klinken vier jaar later: 45 miljoen rijker en een subsidieronde verder blijkt een ditmaal door de Raad voorgedragen groep choreografen geen toegang tot het erkende bestel te verkrijgen omdat dit een versnippering… (ja, ja) zou inhouden. Schuilt er achter het argument van ‘de versnippering’ niet nog iets anders dan het behoedzame beheer van de beschikbare middelen? Betekent de angst voor versnippering niet de angst voor de versplintering van het landschap, voor een soort invasie van groepen, een overbevolking van choreografen? Vreest men, minder spectaculair gesteld, niet gewoon diversiteit? Eenmaal erkend kun je een choreograaf niet zomaar meer terugtoveren in de wolk van de danswerkplaatsen.

Met andere woorden: de beleidsmakers zijn bang voor een beleid dat verder uitdeint en waar men na verloop geen vat meer op heeft. En niet alleen de beleidsmakers. Het hele veld van de podiumkunsten lijkt op een geografische map waar territoriale ruimten worden afgebakend en vergrendeld. Zodoende lijkt het landschap niet zozeer op een continuüm, verglijdend, met graduele kwantitatieve verschillen. Veeleer is het volgens een trapsgewijze verdeelsleutel opgedeeld, met tussen iedere trede een duizelingwekkende afstand. Zo is tussen theater en de rest van de disciplines een hoogteverschil ingebouwd, rond het ballet ligt een cordon sanitaire. L’histoire se répète. De hedendaagse dans dreigt intern hetzelfde te doen: namelijk het beveiligen en betonneren van een top ten opzichte van de rest. Dat zijn niet alleen differentiaties; in een klimaat waar men in een concurrentiële positie ten opzichte van elkaar staat, zijn dat symbolische grendels.

Nochtans loopt het allemaal zo’n vaart niet. Het doembeeld van oprukkende legers pretendenten en subsidiënten stemt niet overeen met het vrij trage, maar niettemin gestage tempo waarmee de dans zich verder ontwikkelt. De grote golven waarnaar men eerst reikhalzend uitkeek, zijn er niet gekomen. In plaats daarvan dient zich met de nodige regelmaat een volwassen aanwas aan, meestal in de vorm van nu en dan een choreograaf. Na blitzster Meg Stuart kwamen onder meer Alexander Baervoets, Annamirl van der Pluijm (vraagt niet eens subsidies aan) en Hans Van den Broeck (zit reeds in het collectief Les Ballets C. de la B.), na hen komen anderen. Hen straks ook de weg versperren, is een hypotheek zetten op de levensvatbaarheid van een landschap. Dat pas zou een versnippering, want verkwisting van talent zijn.

Dé uitdaging van het dansbeleid ligt momenteel evenwel niet aan de basis, maar in het middenveld. Het zijn de choreografen die in de jaren tachtig debuteerden maar nu nog steeds onerkend rondzwalpen. Ze worden wel eens ‘the lost generation’ genoemd. ‘Lost’, omdat ze de boot misten van de topdrie en de voorzieningen voor debuterende, jonge choreografen ontgroeid zijn. ‘Lost’, misschien ook omdat ze door sommigen opgegeven waren. Een veld kent nu eenmaal een natuurlijke afvallingskoers: het deint niet alleen uit, het krimpt ook in. Groot was dan ook de verbazing toen afgelopen seizoenen dé verrassingen uit dat middenveld kwamen. Marc Vanrunxt plaatste zich met Antilichaam en Dies Irae opnieuw in het artistieke brandpunt. Het tentoonstellingsproject van Eric Raeves is een boeiend aanknopingspunt voor verdere projecten. Thierry Smits, op en top Belgisch zwevend tussen Franstalige en Nederlandstalige zijde, heeft met zijn Cyberchrist en Soirée Dansante parels van voorstellingen afgeleverd. Intussen timmeren Bert Van Gorp en Karin Vyncke eigenzinnig verder aan hun oeuvre.

Dankzij de steun van organisaties als De Beweeging en Vooruit konden deze choreografen voorlopig nog overleven. Maar feitelijk zijn deze choreografen (zoals ook de door Klapstuk gelanceerde Meg Stuart en weldra Alexander Baervoets) te groot geworden voor die organisaties en moeten zij zich kunnen verzelfstandigen. Dat deze subsidieronde dat niet heeft kunnen mogelijk maken, is in strijd met de hele geest van doorstroming en continuïteit en legt een zware ballast op de verantwoordelijkheid van de werkplaatsen jegens aantredend talent. Ik hoop dat tussentijdse instapmaatre-gelen deze fout snel kunnen rechtzetten. Minister Martens heeft al bewezen kordaat te kunnen optreden. Hopelijk vindt hij met zijn overtuigingskracht de nodige meerderheid binnen zijn regering om prioriteit aan de dans te verlenen.

Intussen tonen drie choreografen hier in Gent dat ze niet’lost’ zijn. Marc Vanrunxt, Karin Vyncke en Bert Van Gorp hebben een stem, en ze weigeren pertinent geweigerd te zijn. Salon des refusés. Geen salon van geweigerden. Een salon van weigeraars.

1. De forse stijging van De Beweeging werd niet eens beargumenteerd in het persbericht van de Vlaamse Regering.

2. Daarmee is niet gezegd dat een politiek-vrije zone ook een artistiek belangvrije zone zou zijn.

 

statement
Leestijd 10 — 13 minuten

Myriam Van Imschoot

Myriam van Imschoot (°1969) was actief als dramaturge bij choreografen als Meg Stuart en Philipp Gehmacher. Als performancekunstenaar is ze ook actief met innoverende formats en workshops.

statement