© Diego Franssens

Leestijd 6 — 9 minuten

Een grot vol slijm met een rietje – Lucas van Haesbroeck & Benjamin Verdonck

Analoge Koyaanisqatsi voor kinderen

Voor Een grot vol slijm met een rietje doken Benjamin Verdonck en Lucas van Haesbroeck in het archief van figurentheater De Maan. Dat resulteert in een betoverende, associatieve voorstelling waarin je je ogen de kost kan geven. Toch leggen de makers met hun werkwijze een fundamentele vraag bloot: hoe universeel is verbeelding?

Binnenkomen in de grote zaal van De Maan voor Een grot vol slijm met een rietje lijkt op aanschuiven voor Fata Morgana in de Efteling, de droomachtige bootrit ‘door een verboden oosterse stad’ geïnspireerd door de sprookjes van Duizend-en-een-nacht. Exotische vogelgeluiden overstemmen het ongeduldige geroezemoes van kinderen in de donkere, benevelde zaal — en eens gezeten probeer je met dichtgeknepen ogen in de contouren toch al objecten te ontwaren, terwijl een zonderlinge lantaarn ietwat aarzelend flikkert. Staat daar een zwaan? Een gigantische banaan? Of is het slechts een schaduw op een doek? 

Benjamin Verdonck en Lucas van Haesbroeck kregen carte blanche om uit het legendarische archief van De Maan hun decorstukken te selecteren, al jaren zorgvuldig bewaard door de Mechelse poppentheaterfamilie Contryn. Een grot vol slijm met een rietje begint dan ook met misschien wel een van de fraaiste stukken uit de collectie: een pauw komt op piepende wieltjes aangereden en opent dan zijn prachtige verenbundel. Stralend in de schijnwerpers begint de pauw te spreken met een stem als een vuvuzela, tot hij plots moe wordt, valt, plooit, en slapjes zijn nek laat hangen. Stilletjes dwarrelt er sneeuw neer. In dit vertederende startbeeld vind je al alles terug wat aan deze voorstelling een ziel geeft: de magistrale poppen, de merkbaar analoge theatertechnieken, een bijeen gebricoleerde stoet van incoherente elementen die je fantasie kriebelen en onverwachtse rêverieën ontlokken. 

“In Een grot vol slijm met een rietje worden het micro- en het macroscopische een paar keer zodanig samengebracht dat je het gevoel krijgt langzaam tot de textuur van de kosmos door te dringen.”

Op een bepaald ogenblik zie je noorderlicht dat levensecht rondwervelt met daaronder een doekenoppervlak dat gelijkmatig opzwelt, zacht pulseert, en zo het repetitieve effect van een rimpeling in water creëert — alsof je een voorbijsuizend berglandschap te zien krijgt. Als het textiel dan plots in een vloeiende beweging in het niets wordt opgezogen krijgt de scene iets van een analoge time-lapse waarin planeten uitdijen, tot ze langzaam verzwelgen in een zwart gat. Nog zo’n moment is het vredige gezweef in het ijle van drie oranjegloeiende bollen — zonnen? lichten? atomen? — wanneer er uit de lucht pardoes nog zo’n wonderlijke bol openvalt, maar deze keer een gigantisch, metersbreed exemplaar. 

Op de beste momenten van Verdoncks rit — die zijn vaak in dosering te vinden — kijk je naar een soort Koyaanisqatsi voor kinderen. De film van Godfrey Reggio uit 1982 toont repetitieve beelden (van cinematograaf Ron Fricke) op de muziek van Philip Glass, een audiovisuele meditatie over natuur, menselijke beschaving en hun relatie. Net als bij Reggio’s woordeloze documentaire worden in Een grot vol slijm met een rietje het micro- en het macroscopische een paar keer zodanig samengebracht dat je het gevoel krijgt langzaam tot de textuur van de kosmos door te dringen. Er schiet mij een moment binnen waarop ik als kind een keer tergend lang in mijn eigen ogen in de spiegel aan het staren was, verdrinkend in dat spiegelpaleis alsof ik op een weeffout van het universum was gebotst waarbij ik voelde dat ik, als ik lang genoeg aan dat losse eindje trok, als ik nog net een laagje dieper keek, misschien wel zou kunnen ontdekken waar de wereld van gemaakt is. 

Niet dat Verdoncks mensenloze objectentrip de hele tijd uitnodigt tot dat soort begoochelende diepte-ervaringen. Soms — en dan spreek ik als de volwassen kijker die ik ben — mist de beeldentrein een bepaalde nauwkeurigheid in esthetiek of compositie die me echt aan het dromen zet en mijn bewustzijn voorbij de aparte objecten tilt. Het enthousiaste eclecticisme is gewaagd, en dat is zowel zegen als vloek. Stel je een geschilderd kasteel in geel-groen licht voor, opgerold op de tonen van een mondharmonica, onderbroken door een gezellig knarsende schommelstoel, een automatisch openzwiepend raamkozijn, marimbageluiden, een oosters paleis met minaretten, dennenbomen, het oplichten van een reuzegroot fluoroze-gearceerd rietje met een stilleven van grote stukken tropisch fruit ernaast.

“De vrijblijvendheid van individuele associatie is nu net de keerzijde van een dramaturgie die berust op iets vaags als een (veronderstelde) grenzeloos vrije fantasie.”

Verdonck toont veel en maakt daarmee waar wat hij belooft — ‘een droom die je zelf mag invullen’. Als je echter de strikt persoonlijke verbeelding van het publiek als betekeniscriterium neemt, loop je natuurlijk het risico dat bepaalde beelden iemand zo nu en dan ook onverschillig achterlaten, of iets teweegbrengen wat helemaal niet zo bedoeld wordt. Zo bedenk ik me na een tijdje dat de (voor de rest bijzonder geslaagde) soundscape weleens, bijvoorbeeld door de veelvuldige ud- of voorbijtrekkende karavaangeluiden in combinatie met de oude Alladin-decorstukken, wat gratuit oosters aandoet, alsof die oriëntale toets het geheel dan maar de nodige poëzie moet verlenen. Niet dat dit de voorstelling ingrijpend bepaalt, maar die vrijblijvendheid van individuele associatie is nu net de keerzijde van een dramaturgie die berust op iets vaags als een (veronderstelde) grenzeloos vrije fantasie.

Natuurlijk zorgt die excentriciteit, die onbevangen kruising van sferen, figuren en geluiden ook soms voor een coup de magie die je op het puntje van je stoel brengt. Een stoomtreingeluid vermengd met een plechtige klaroenenmelodie, tegengekleurd door vals trompetgeschetter en daarbij nog eens het echte schuren, rinkelen of tikken van objecten op scene: je oren knetteren mee, je móét luisteren, want het is geen mens, geen afzonderlijk object, maar de hele ruimte die tot je spreekt. Als je af en toe een schim opvangt van de onzichtbare machinisten (Amélia Malfait, Aaron Bruyninckx, Patrick Romain, Tuur Decoene, Lies van Loock) die alle figuren op kousenvoeten met touw en katrol tot leven brengen, kan je niet anders dan glimlachen, ingenomen door de onweerstaanbare romantiek van deze liefdevolle ode aan het Mechelse poppentheater.

Naar het einde toe wordt plots een grijsbruine rotsstructuur (of dat is toch wat ik zie) zichtbaar. Het daaropvolgende beeld is erg secuur, en daarom erg mooi: uit een spleet van de grot komt als vanzelf gouden folie gefrommeld, opnieuw lijkt het een soort analoge time-lapse, nu van een kostbare erts die langzaam aanwast tussen de stenen — als een glinsterende belofte van de onbekende goudmijnen die zowel in de verste Melkwegen als in het diepst van onze gedachten verborgen blijven. Verdonck laat nog een keer alle bollen, manen en zonnen oplichten, en dan: een spinnende discobal. De piepkleine spiegeltjes vangen het licht en reflecteren het tot in het oneindige, ook op het publiek, op je handen en armen, en voor een ogenblik voel je jezelf deel van Verdoncks betoverende universum.

Ontdek hier waar de voorstelling nog te zien is.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#173

15.09.2023

14.12.2023

Floris Baeke

Floris Baeke (hij/hem) is filosoof en criticus. Hij schrijft voor De Standaard en is co-hoofdredacteur van Etcetera.

recensie

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!