Desi Bouterse (rechtsboven in beeld) en het basketbalteam in de jaren vijftig

Leestijd 17 — 20 minuten

Een erfenis ontrafeld

Bouta, of het Surinaamse steentje in de schoen van Nederland

Onder de vleugels van het Productiehuis Rotterdam maakten Anoek Nuyens, Tjon Rockon en Marjolijn van Heemstra afgelopen najaar een voorstelling over Desi Bouterse, de sterke man, pardon: de huidige president van Suriname. Anoek Nuyens schreef een stuk over de research en het werkproces. ‘Bij iedere nieuwe periode in het leven van Bouterse,’ zo zegt zij, ‘zoeken we naar mensen die dicht bij hem stonden, die hem geobserveerd hebben, die ons dichter bij de kern kunnen brengen. Maar steeds opnieuw lijkt hij ons te ontglippen.’ Hoe maakje daar theater van?

In de zomer van 2010 wordt Desi Bouterse na een onrustige verkiezingsstrijd verkozen tot president van Suriname. Op straat feesten de mensen in paarse T-shirts, zwaaiend met vlaggen, schreeuwend en joelend. Het is hem eindelijk gelukt. In Nederland, de voormalige kolonisator van Suriname, wordt met afschuw en verbijstering gereageerd op dit nieuws. Zwijgend kijkt men er naar de beelden van een uitgelaten menigte die door de straten van Paramaribo trekt. Uitgerekend Bouterse, in Nederland veroordeeld voor grootschalige drugspraktijken en hoofdverdachte in het slepende proces rond de Decembermoorden, krijgt het nu voor het zeggen in Suriname. Gekozen door de Surinamers zelf. Wat is hier aan de hand?

Steentje in de schoen

Om dat te kunnen begrijpen moeten we terug naar 1975. In dat jaar wordt Suriname na ruim drie eeuwen Nederlandse kolonisatie onafhankelijk. Een paar weken voor de onafhankelijkheid vliegt Bouterse vanuit Nederland, waar hij werkzaam is als militair, terug naar Suriname. ‘Met een koffer vol initiatieven’, zal hij later in een interview beweren. Het duurt echter niet lang vooraleer zijn koffer vol initiatieven plaatsmaakt voor frustratie over de gang van zaken in de ex-kolonie. Bouterse stoort zich mateloos aan de organisatie van het Surinaamse leger waarin hij terechtkomt. Hij mist de Nederlandse orde en discipline. Ook ziet hij met lede ogen aan hoe de Surinaamse samenleving langzaam steeds corrupter wordt: maar liefst zeven op de tien Surinamers werken in die tijd voor de overheid. De Surinaamse economie komt nauwelijks meer vooruit, het straatbeeld verloedert en de regering heeft geen gezag. Bouterse ziet maar één oplossing: een staatsgreep. De Nederlandse regering reageert in eerste instantie positief op de coup van de zestien sergeanten onder leiding van Bouterse op 25 februari 1980. Soms is geweld nodig om weer op het juiste pad te komen, staat er in een Nederlandse krant uit 1980.

De bedoelingen van de militairen lijken in eerste instantie oprecht. Er wordt een burgerregering aangesteld en de militairen houden zich vooral bezig met het reorganiseren van het leger. Toch lukt het Bouterse, die inmiddels is gepromoveerd tot bevelhebber, niet om het vertrouwen van het Surinaamse volk te winnen. Wat Bouterse ook doet: de ontevredenheid in de samenleving wordt groter en groter. En daarmee ook de paniek van Bouterse. Hij stelt een avondklok in, kritische kranten en radiostations worden verboden, maar niets lijkt te helpen. Bouterse gaat uiteindelijk te rade bij zijn Zuid-Amerikaanse collega Maurice Bishop, revolutionair leider van Grenada. ‘A revolution is not a tea party’, drukt hij Bouterse op het hart. En: ‘You have to crush your enemies, just like they would crush you!’

Niet lang na de ontmoeting met Bishop worden in Paramaribo vijftien advocaten, vakbondsleiders en journalisten van hun bed gelicht en op bevel van Bouterse vermoord: de Decembermoorden. Na de moorden volgt een bloedige binnenlandse oorlog. De drugshandel bloeit op en Suriname gaat gebukt onder een jarenlange dictatuur onder leiding van Bouterse.

Nederland probeert Bouterse sindsdien voor het gerecht te slepen, maar steeds weet hij te ontglippen. Nu hij president van Suriname is geworden, lijkt een arrestatie verder weg dan ooit. Hij kreeg het zelfs voor elkaar om zichzelf amnestie te verlenen. Daar was een wetswijziging voor nodig, want jezelf vrijpleiten van strafvervolging is nogal ongebruikelijk. Maar het is hem gelukt. De kans dat hij ooit nog wordt veroordeeld voor de Decembermoorden of zijn drugsverleden is daardoor nihil geworden.

Wie is deze man die al meer dan dertig jaar het steentje is in de schoen van Nederland? Hoe kwam dat steentje daar terecht? En wat zegt het over de weg die wij aflegden, dat dat steentje in onze schoen terecht kwam? Het zijn enkele vragen waarop Marjolijn van Heemstra, Tjon Rockon en ik een antwoord proberen te vinden door een voorstelling te maken over het leven van de machtigste man van Suriname, Desi Bouterse.

Maandenlang wroeten we in zijn leven. We spreken met buren, kennissen, jeugdvrienden, ambassadeurs, partijleden, militairen, politici, journalisten, klasgenoten, buitenvrouwen. We bezoeken de plaatsen waar hij ooit te vinden was: Havelte, Steenwijk, Weert, Rotterdam, Amsterdam, Dordrecht en uiteindelijk vliegen we ook naar Suriname. Het land waarin hij, zo benadrukt hij steeds weer in zijn speeches, zoveel potentie ziet. Een land dat ruim driehonderd jaar geleden door Nederlanders werd bedacht.

Nederland had grootse plannen met Suriname. Het moest de Nederlandse parel op het westelijk halfrond worden. Een soort tweede Nederland, maar dan met een tropisch klimaat. En zo kwam het dat in de zeventiende eeuw tonnen Nederlandse bakstenen naar Suriname werden verscheept. In oude archieven vinden we de namen van verre familieleden van Marjolijn die als Nederlandse gouverneurs werkzaam waren in Suriname. Een daarvan is bijvoorbeeld gouverneur A.J.A.A. van Heemstra, baas van Suriname in de jaren twintig van de vorige eeuw.

Er zijn nog steeds sporen van hem te vinden in Suriname. Hij organiseerde bijvoorbeeld de eerste expeditie naar de Voltz-berg. Nog nooit had iemand die berg durven beklimmen, want de inheemse stammen die daar woonden, waren bang voor de duivelse krachten van de pikzwarte berg, waarop geen grasspriet groeide. Samen met zijn vrouw en een groep dragers beklom hij de kale, zwarte berg middenin de Surinaamse jungle. Hij liet er een steen inmetselen met zijn naam erop: A.J.A.A. van Heemstra.

Ons Eigen Ding

Ongeveer een eeuw voordat A.J.A.A van Heemstra aankwam in Suriname, zette de Nederlander Jan Bouterse, stamvader van Desi Bouterse, er voet aan wal. Maar weinig mensen weten dat Desi Bouterse afstamt van een Zeeuwse familie. De Nederlandse Dina Koole raakte in de negentiende eeuw ongewenst zwanger van een lid van de familie Bouterse. De familie Bouterse, een familie van gewerenmakers, wilde het kind niet erkennen. Als buitenechtelijk kind waren er weinig kansen in het conservatieve Nederland, dus besloot Jan Bouterse zijn geluk te zoeken in Suriname.

Marketinggewijs zou het Bouterse waarschijnlijk niet goed uitkomen als te veel mensen van zijn Nederlandse wortels zouden afweten. Hij presenteert zichzelf het liefst als een Surinaamse moksi, een mix. Want behalve Nederlandse wortels heeft Bouterse ook creools, Chinees en indiaans bloed. Vooral zijn indianenbloed, van de oorspronkelijke bewoners van Suriname, benadrukt hij regelmatig in zijn speeches. En dat spreekt kiezers aan. Hij kan dat gevoel uitdrukken, vertellen mensen ons op straat in Paramaribo, het gevoel dat we trots mogen zijn om Surinamer te zijn.

Maar wat is dat, Surinamer zijn? Het is eigenlijk iets waar pas recent over wordt gesproken. Voor de onafhankelijkheid van 1975 was het duidelijk: je was een Nederlander met een Nederlands paspoort. Surinamers leerden op school waar de Rijn hun land binnenkwam en dat België aan hun land grensde. Zij voelden bovendien een grote verbondenheid met het Nederlandse koningshuis. Een generatiegenoot van Bouterse vertelt ons dat hij pas Surinamer werd toen hij in de jaren vijftig in Nederland aankwam om te studeren. Want daar werd je er door de Nederlanders op gewezen datje geen Nederlander was, maar een Surinamer. De eerste Surinaamse nationalistische beweging Wi Egi Sani (Ons Eigen Ding) ontstond dan ook in Amsterdam.

Bouterse maakt van die nationalistische beweging niet veel mee, want in de jaren vijftig speelt zijn leven zich af op het Sint-Bonifaasinternaat in Paramaribo. Het internaat wordt geleid door de Nederlandse fraters van Tilburg. Via via komen we te weten dat de Nederlandse frater die Bouterse jarenlang onder zijn hoede heeft gehad, sinds kort weer in Tilburg woont. Hij is inmiddels ver in de tachtig, maar nog scherp van geest en hij wil met ons praten. Bouterse, zo vertelt hij ons, was een middelmatige leerling. Hij viel eigenlijk helemaal niet zo op, behalve als het op sport aankwam. Daarin was hij bloedfanatiek. Daarin ging hij all the way. Hij moest winnen. In het archief van de fraters vinden we een foto van het basketbalteam waar Bouterse in speelde. Volgens de frater was het een zeer hecht team, deelde het lief en leed. We duiken meteen achter onze laptops en met behulp van Google en Facebook sporen we alle jongens op.

Kloppend hart en een fles rum

Met kloppend hart en een fles Surinaamse rum lopen we het terrein op van het oude Nederlandse internaat in Paramaribo. Hier ontmoeten we het oude basketbalteam. Bouterse is hier samen met hen opgegroeid. Ze zagen hun ouders weinig, die woonden ver weg. Ze waren praktisch familie. De jeugdvrienden weten veel te vertellen over Bouterse. Zijn favoriete feest was bijvoorbeeld sinterklaas. Bouterse wilde, net als de andere jongens. Zwarte Piet zijn, want dan werd je zwart geschminkt en mocht je met de roe achter de andere kinderen aan. Ze vertellen dat Bouterse op het internaat zijn fameuze bijnaam Bouta kreeg. Ze willen niet zeggen waarom Bouterse juist die bijnaam kreeg. Maar achter die bijnaam zit een verhaal: dat is af te lezen aan het ongemakkelijke gelach en de blikken die ze met elkaar wisselen. Ze vertellen ook dat Bouterse zout vlees kookte als ze gingen kamperen, wat niet te eten was, maar dat iedereen het opat omdat hij het had gemaakt. We horen dat Bouterse niet tegen zijn verlies kon, dat hij geliefd was bij de meisjes. Maar wie hij nu precies is, wanneer hij zichzelf was en of er toen al iets zichtbaar was van de man die hij later zou worden: daarover lopen de meningen uiteen.

Dat Suriname een kleine gemeenschap is, ervaren we tijdens het gesprek met de oud-basketballers. De zus van een van de jongens is de huidige vrouw van de vader van Tjon. Zijn Surinaamse ouders zijn gescheiden toen hij nog jong was. Tjon groeide op bij zijn moeder in Nederland, zijn vader keerde terug naar Suriname. De zoektocht naar Bouterse is voor Tjon ook een zoektocht naar zijn vader. Toen Tjon elf jaar oud was, zou hij voor lange tijd naar Suriname gaan, zijn vader bezoeken. Zijn ticket lag al klaar, hij telde de dagen af, maar vlak voor hij zou gaan kreeg hij een telefoontje. Hij kon niet komen. Het was te gevaarlijk. Het was een week na de Decembermoorden in 1982. Jarenlang zou hij zijn vader niet zien.

We werken gestaag verder. Bij iedere nieuwe periode in het leven van Bouterse zoeken we naar mensen die dicht bij hem stonden, die hem geobserveerd hebben, die ons dichter bij de kern kunnen brengen. Maar steeds opnieuw lijkt hij ons te ontglippen. Onder iedere laag die we afpellen verschijnt een nieuwe laag. Een nieuw verhaal, een nieuw pak dat hij aantrekt. Identiteit op identiteit. Hij transformeert van een kleine indiaan die ervan houdt om in de bossen te spelen tot een gedisciplineerde internaatsjongen die iedere ochtend om su opstaat om te bidden. Van een romanticus die zijn jeugdliefde achterna reist tot een harde militair. Van professionele sporter tot moordenaar. Van varkensboer tot grote baas. Van iemand die zich niet in politiek interesseert tot machtigste politicus van Suriname. Bestaat er een kern in een ui?

Open vorm

Wanneer we terugkeren uit Suriname duiken we met ons materiaal de studio in. Onze eerste doorloop levert een explosie op aan feiten, verhalen, sappige details, muziek, video en een aantal persoonlijke teksten. Achter ons een wand vol jaartallen en briefjes. Naast ons een beamer, laptops, een muzikant met een gitaar, een platenspeler en enkele kostuums die bij Bouterse horen. We beginnen bij het begin. In 1945, het geboortejaar van Bouterse. Soms lopen we naar de wand om een jaartal aan te wijzen, soms laten we iets zien op de beamer, op onze laptop. Soms zingen we wat. Of beelden dingen uit met de minimale middelen die we tot onze beschikking hebben. We hebben zoveel te vertellen dat we na vijf uur nog niet eens bij de jaren negentig zijn beland.

Met het materiaal dat we nu hebben, kunnen we alle kanten op: je zou er een boek mee kunnen schrijven (dat zou dan de eerste biografie over Bouterse zijn), het zou kunnen dienen als materiaal voor een filmscenario over het leven van Bouterse, misschien zelfs een documentaire. Maar hoe maak je er theater van? Heel simpel: door de vloer op te gaan. En dat doen we ook. Marjolijn heeft op basis van onze allereerste doorloop een tekst geschreven. De tekst bevat veel feiten, veel verhalen, ontmoetingen met mensen, maar ook onze persoonlijke posities ten opzichte van deze geschiedenis. Uit de tekst komen verbeeldingen naar boven, die geef je vorm op de vloer. Je zoekt de juiste balans tussen de taal van het beeldende en de verbeeldingskracht van het woord. Je kijkt, je luistert, je overlegt, je probeert uit. Het peinzende hoofd wordt een bewegend lichaam. Soms kan het bewegende lichaam alleen maar luisteren, soms wordt het verleid om alle taal te vergeten.

Het klinkt als een klassiek theatermodel uit een handboek. Je hebt een idee, zet het op papier, je gaat de vloer op, je probeert het uit en dan heb je een voorstelling. Toch is er in ons geval in vergelijking met de meer gangbare maakprocessen een groot verschil: we zijn geen van drieën acteurs, sterker nog: we kwamen bij elkaar als regisseur, schrijver en dramaturg. Tjon en Marjolijn hebben allebei wel ervaring op het podium, ik als dramaturg vrijwel niet.

Aan de keuze om zelf op het podium te staan, is automatisch een houding verbonden. We moeten het hebben van ons persoonlijke en oprechte engagement met het onderwerp. We kunnen ons niet verschuilen achter personages. We kunnen niet terugvallen op briljant spel. Het enige wat we hebben, is onszelf en het verhaal. Daardoor is er op het podium sprake van een open vorm. Niet alles ligt vast. Iedere keer dat we spelen ontstaan kleine nieuwe scènes of anekdotes. Geen grote veranderingen, maar de vrijheid bestaat om dingen uit te proberen. De actualiteit wordt meegenomen. Stond Bouterse gisteren in de krant met opzienbarend nieuws? Dan is de kans heel groot dat dat nieuws morgen in onze voorstelling verwerkt zit.

Het idee om zelf op het podium te gaan staan, ontstond organisch. We zaten met z’n drieën aan tafel en kwamen er al pratend achter dat we alle drie een eigen perspectief op deze geschiedenis hebben. We interpreteerden alle drie dezelfde geschiedenis vanuit een ander perspectief, wat meteen aantoonde hoe moeilijk het zou worden om een eenduidig verhaal te vertellen. Maar dat was dan ook precies wat we niet wilden, dat eenduidige verhaal. We wilden juist de complexiteit en de gelaagdheid tonen. Tjons perspectief is persoonlijk: zijn ouders zijn van Surinaamse afkomst, zijn vader woont in Paramaribo. Suriname staat vanuit zijn perspectief voor zijn vader. En Suriname is onlosmakelijk verbonden met Bouterse. Marjolijns perspectief is historisch: haar voorvaderen werkten als Nederlandse gouverneurs ten tijde van het kolonialisme in Suriname. Mijn eigen perspectief is minder persoonlijk: ik heb geen familie in Suriname of verre voorvaderen die er ooit gouverneur waren. Toen Tjon, die het idee had om een voorstelling over Bouterse te maken, me vroeg voor dit project, weet ik nog dat ik dacht: maar ik heb helemaal niets met Suriname! Dat veel Nederlanders er zo over denken wordt ook duidelijk uit de reacties van toeschouwers op onze voorstelling. Veel Nederlanders zijn er zich helemaal niet van bewust dat Bouterse net zo Nederlands is als Surinaams. Het is veel te simplistisch om te denken dat met de onafhankelijkheid van 1975 alle banden tussen beide landen werden doorgeknipt.

Oranje boven

De meeste Surinamers wilden zelfs helemaal niet onafhankelijk worden. Ze waren Nederlanders en wilden dat blijven. Zelfs lang na de onafhankelijkheid was dat nog steeds zo, vertelt een oud-ambassadeur. Hij weet zich te herinneren dat in 1982, vlak na de Decembermoorden, een groep van een paar honderd vrouwen zich op het Onafhankelijkheidsplein in Paramaribo verzamelde voor het balkon van de Nederlandse ambassade. De vrouwen zongen Oranje boven en stopten briefjes in de bus van de Nederlandse ambassade met de vraag of ze alstublieft weer bij Nederland mochten horen.

Waarom wilden wij Nederlanders zo graag van onze kolonie af? We waren tijdens de Tweede Wereldoorlog zelf door de Duitsers onderdrukt. Een kolonie hebben werd als een vorm van onderdrukking gezien. Het waren de jaren zestig: we geloofden in gelijkheid en rechtvaardigheid. Suriname had recht op een eigen geschiedenis en een eigen cultuur. Toch bleef Nederland zich na de onafhankelijkheid nadrukkelijk bemoeien met zijn ex-kolonie. Alsof het Suriname niet kon loslaten en daarmee Bouterse ook niet. Nederland veroordeelde Bouterse, maar het curieuze aan de hele zaak is dat toen de kans zich voordeed om Bouterse op te pakken, het land dat niet deed.

Zo weigerde de Nederlandse premier Lubbers in 1986 de hulp van Amerika bij de arrestatie van Bouterse. ‘Het ligt allemaal te gevoelig.’ zei Lubbers door de telefoon tegen Ronald Reagan. En lag het in de jaren negentig ook nog te gevoelig? Toen Nederland zelf de kans had om Bouterse in Brazilië op te pakken? Op het laatste moment werd de arrestatie persoonlijk stopgezet door minister van Buitenlandse Zaken Hans van Mierlo. Van Mierlo beweerde dat hij aanneembare aanwijzingen had dat Brazilië Bouterse niet zou uitleveren. Zo’n situatie zou de banden met zowel Brazilië als Suriname ernstig beschadigen. Van Mierlo heeft met zijn aanneembare aanwijzingen politiek noch media ooit kunnen overtuigen.

Geheime rapporten

We begonnen met het bestuderen van het leven van Bouterse. We kwamen uit bij het verhaal van een relatie tussen twee verstrengelde landen die elkaar met alle macht proberen los te laten, maar steeds weer naar elkaar toetrekken. Waarom kunnen ze elkaar niet loslaten? Of willen ze het niet? Waarom zou het moeten? De antwoorden op deze vragen zijn onlosmakelijk verbonden met het verleden. Maar ook met de toekomst. Wij zijn de kinderen van de Nederlanders en Surinamers die ervoor kozen om elkaar los te laten. En toch zijn we nog lang niet van elkaar af. Ook tussen ons drieën zijn spanningen en emoties voelbaar. Het lijkt alsof alle ongemakken en pijnlijke gebeurtenissen uit deze geschiedenis onder onze huid gekropen zijn. We zijn een soort karikaturen van onszelf geworden. Tjon is de verscheurde onbegrepen Surinamer, Marjolijn de oude blanke man en ik ben de sociaaldemocraat die zich blind staart op begrippen als verbondenheid en gelijkheid.

In de voorstelling zie je hoe we alle drie op onze eigen manier met het besef van deze geschiedenis omgaan. Bij Tjon uit zich dat in een monoloog waarin hij zich afvraagt wat er van hem terecht was gekomen als hij in Suriname bij zijn vader was opgegroeid. Een monoloog die uitgroeit tot een bedwelmende speech van Bouterse. Die op en neer springt tussen woede, wanhoop en verdriet.

Marjolijn vraagt zich af of het mogelijk zou zijn dat zij in naam van haar voorvader A.J. A.A. van Heemstra, die het onderwijsniveau in de jaren twintig in Suriname verlaagde, haar excuses zou aanbieden. Het leidt tot een betekenisvolle ontmoeting tussen Tjon en Marjolijn. En ik? Ik ontwikkel me van onbevangen Nederlander tot politiek activist. Ik vertel de toeschouwers over onze ontdekking van een aantal geheime rapporten. In die geheime rapporten zou beschreven staan hoe bij de militaire coup die onder leiding van Bouterse in 1980 werd gepleegd een Nederlandse kolonel betrokken zou zijn. Deze Nederlandse kolonel zou zo ontevreden zijn geweest over de gang van zaken na de onafhankelijkheid dat hij samen met Bouterse de coup voorbereidde. De inhoud van deze rapporten is blijkbaar zo schokkend dat de Nederlandse overheid heeft besloten om ze als staatsgeheim in hun archief op te bergen tot 2060. In de voorstelling roepen we de toeschouwers op om onze petitie te tekenen. Een petitie die oproept om die geheime rapporten nu openbaar te maken en niet te wachten tot 2060.

Soms is het wat onwennig, theater op de grens van politiek. ‘Dit is theater, die petitie is niet echt, toch?’ krijgen we weleens na afloop te horen. ‘Dit is hartstikke echt!’, zegt een andere toeschouwer voor ik de man antwoord kan geven. ‘Dat zie je toch’, en ze wijst naar de petitielijst die inmiddels helemaal vol met handtekeningen staat. Niet alleen in Nederland wordt er getekend. Omdat over onze productie in Suriname in verschillende kranten werd geschreven, ontvangen we ook van daar online veel handtekeningen. Er zijn een aantal politici die zich inmiddels achter ons initiatief hebben geschaard. Oud-minister van Buitenlandse Zaken Jan Pronk pleitte tijdens de dertigjarige herdenkingsdienst van de Decembermoorden in 2012 voor het openen van de geheime rapporten. Kort daarvoor had ik het er met hem uitgebreid over gehad. Ook Tweede Kamerlid Harry van Bommel van de Socialistische Partij moedigde het op zijnblog aan om onze petitie te ondertekenen. Nu de rest van politiek Den Haag nog. Stel je voor dat het ons lukt. Dat zou dan een eerste stap zijn op weg naar volledige openheid tussen Suriname en Nederland. En een goed verhaal voor in de kroeg. Want hoe vaak lukt het nou om via theater de politiek te beïnvloeden?

To be continued…

Bouta. Concept, spel: Tjon Rockon, Marjolijn van Heemstra, Anoek Nuyens; eindregie: Sanne van Rijn; dramaturgie: Liet Lenshoek; vormgeving: Wikke van Houwelingen, Marloes van der Hoek; muziek: Michiel De Maische; productie: Productiehuis Rotterdam.

De petitie kan worden getekend op: maakvandegeschiedenisgeengeheim.nl.

www.productiehuisrotterdam.nl

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

reportage
Leestijd 17 — 20 minuten

#132

15.03.2013

—

14.06.2013

Anoek Nuyens

Anoek Nuyens (Nederland, 1984) is schrijver en maakt sociaal bewogen, documentair theater, met  als onderliggende vraag: hoe kan het theater bijdragen aan een betere wereld?

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!