Evelyne Coussens

Leestijd 6 — 9 minuten

Duorecensie: twee keer ‘Addio Amore’ van Tutti Fratelli

Deze recensie is een experiment. Als aanvulling op het artikel rond de inclusie van de sociaal-artistieke sector in het reguliere kunstenveld – en wat dat betekent voor onze blik op de kunsten – wil ik proberen om twee keer een andere bril op te zetten bij het schrijven over Addio Amore, de jongste productie van het Antwerpse sociaal-artistieke gezelschap Tutti Fratelli.

Eén keer probeer ik te kijken naar de productie als naar eender welke andere voorstelling, probeer ik dezelfde criteria te hanteren in de artistieke analyse, hoewel ik het sociale voortraject in gedachten meeneem – zoals overigens elke voorstelling, ook in de ‘reguliere’ kunsten, niet los is te zien van zijn ontstaanscontext. Ik probeer dus niet te focussen op het eventuele ‘anders-zijn’ van het productieproces, en de niet-professionele spelers te beschouwen als volwaardige artistieke medewerkers. Mijn aanvoelen van wat ‘goed theater’ is blijft door deze bril ongewijzigd voorop staan.

In een tweede poging zal ik proberen aan dat aanvoelen te morrelen, mijn definitie van kwaliteit (bepaald door mijn eigen kijkkader) te verbreden en het sociale aspect dat in de voorstelling zichtbaar is proberen te zien als een artistieke factor, als iets wat an sich ook ‘kunstige’ waarde heeft – los van zijn menselijke relevantie. Kan ik de evidente technische onvolkomenheden van de niet-professionele spelers ook instrinsiek beschouwen als kunst? Is de sociale geladenheid van de voorstelling te bezien als een onvervreemdbaar, organisch onderdeel van kunst – als ik mijn eigen hoofd maar breed genoeg opentrek?

Het is een gekunstelde manier van kijken, dat spreekt. Maar de discussie over wat sociaal en wat artistiek is lijkt steeds opnieuw vast te lopen op een theoretische impasse, dus misschien brengt de praktijk soelaas. Er wordt me als recensent vaak gevraagd om ‘anders te kijken’ – dat is precies wat ik hier wil proberen. Belangrijk om mee te geven als disclaimer is dat Tutti Fratelli slechts fungeert als proefkonijn – het gaat er in dit experiment dus niet om de organisatie as such in vraag te stellen.

Klaar? En avant!

Addio Amore: de inefficiëntie van platte symboliek

Een pontificaal groot schilderij van een woeste, blauw-grijze zee domineert de scène. De zee geeft en neemt, maar tegenwoordig neemt ze toch vooral – de levens van veel mensen, die op zoek naar veiligheid en geluk in een gammel bootje haar grillen trotseren. Addio Amore van het Antwerpse sociaal-artistieke gezelschap Tutti Fratelli gaat over zij die afscheid nemen van geliefden, kinderen en geboortegrond, op zoek naar een betere toekomst. Onder begeleiding van Reinhilde Decleir en Nienke Reehorst brengt een dertigtal deelnemers uit de werking van Tutti Fratelli een beeldend concert, waarbij de thematiek(en) vorm krijg(t)(en) in de aaneenrijging van verschillende tableaux en zangnummers. Of beter: ze krijgen te weinig vorm, want de artistieke doorwerking van het inhoudelijke materiaal blijft in Addio Amore steken in een eerstegraads uitbeelding van gebeurtenissen en emoties.

Het begint nochtans sober en mooi: de scène blijft lange tijd leeg, terwijl vanuit de coulissen een gezongen frase uit Shakespeares Hamlet wordt ingezet (zangcoach: Steve Dugardin): What a piece of art is man, how nobel in reason… Wrang, want wat heeft dat piece of art van zijn wereld gemaakt? In een langzaam voortschrijdende processie verschijnen de deelnemers, met sombere gezichten, zonder het publiek in de ogen te kijken – ze verdwijnen opnieuw opzij om pas in een tweede beweging frontaal tegenover het publiek te gaan staan. De zwijgende massa imponeert, de stilte ook. Maar meteen daarna gaat het fout: een gekleurde man grijpt naar zijn been en schreeuwt geluidloos, een oudere vrouw steekt haar middenvinger op, een jongen kust een jongen… In de opeenvolging van solootjes krijgt de diversiteit van de deelnemers (en dramatisch gezien: van de personae) wel een gezicht, maar tegelijkertijd is het houterig, onbewerkt spelmateriaal, zo geplukt uit de improvisaties. Timing en intensiteit ontbreken, zodat er niet meer ontstaat dan een geïsoleerde reeks schetsmatige gestes zonder onderlinge spankracht.

Het is die zwakte die de hele productie onderuit haalt: het inhoudelijke materiaal is onvoldoende doorwerkt, intellectueel en spelmatig, waardoor de ene scène naast de andere hakkelig wordt uitgebeeld, in plaats van verbeeld tot een grotere boog. Waar muziek, zang en choreografie tools zijn om een inhoudelijke mededeling naar een hoger niveau van abstractie te tillen, worden ze hier in hun meest uitleggerige vorm aangewend. Neem nu de scène met de volksmenners: de massa wordt, jachtig over de scène ijlend, van de ene messias naar de andere gestuurd, maar al die profeten wijzen een andere weg, of ze wijzen naar elkaar – het volk draait slaafs in rondjes, tot het bang en verward achterblijft. Het is een leesbare en terechte referentie naar wat er vandaag in Europa en Amerika aan de hand is, maar is het ook een straffe scène?

Hoe inhoudelijk urgent de thematiek ook, ik geraak niet door de expliciete symbliek van de vorm. Wanneer de hele groep op het voorplan staat, met uitgestoken armen en uitpuilende ogen, kan ik uiteraard niet anders dan aan de bootjes denken. Maar het morele appèl is zo opdringerig dat het me afstoot. Wanneer theater met een bulldozer op me komt afgereden geeft het me de kans om opzij te stappen. Pas als het via omwegen naderbij sluipt kan het me onverhoeds op de nek springen.

Addio Amore: de ontroerende kracht van de massa

Een pontificaal groot schilderij van een woeste, blauw-grijze zee domineert de scène. De zee geeft en neemt, maar tegenwoordig neemt ze toch vooral – de levens van veel mensen, die op zoek naar veiligheid en geluk in een gammel bootje haar grillen trotseren. Addio Amore van het Antwerpse sociaal-artistieke gezelschap Tutti Fratelli gaat over zij die afscheid nemen van geliefden, kinderen en geboortegrond, op zoek naar een betere toekomst. Onder begeleiding van Reinhilde Decleir en Nienke Reehorst brengt een dertigtal deelnemers uit de werking van Tutti Fratelli een beeldend concert, waarbij de thematiek(en) vorm krijg(t)(en) in de aaneenrijging van verschillende tableaux en zangnummers. Maar voorbij wat er met zang en choreografie wordt verteld, is het vooral de fysieke aanwezigheid van zo veel en zo diverse mensen op het podium die beklijft.

In een langzame, statige processie komen ze uit de coulissen tevoorschijn, en ze blijven maar verschijnen; er lijkt geen einde te komen aan de sliert mensen die met sombere gezichten en teneergeslagen houding achter elkaar schrijden. Tegelijkertijd maakt de aanwezigheid van het schilderij ons bewust van de kwetsbaarheid van hun lichamen: de groep is groot maar de zee is nog groter, en soeverein. Zijn we dan werkelijk zo bang voor die verzameling van lijven, die vermoeid en beschadigd richting onze grenzen schuifelen, terwijl ze elkaar dragen of voortduwen? In de dubbelheid van groep versus enkeling, een tegenstelling die de hele voorstelling doordringt, schuilt de kracht van deze Addio Amore.

In de groepschoreografieën (zoals de processie, of een scène met collectief uitgestoken armen naar het publiek) maar ook in de samenzang en in de beroesende harmonie van de koperblazers (muzikale leiding: Florejan Verschueren) schuilt de kracht van de massa, die ontroert door zijn collectiviteit maar ook beangstigt door het potentiële gevaar dat schuilt in zoveel gemeenschappelijk verlangen. Daartussenin benadrukken de individuele spelmomenten dat het collectief bestaat uit personen, dat de massa uiteenvalt in mensen met een eigen verhaal en tragiek. Die tegenstelling tussen alleen en met velen is een eye-opener. Er wordt over vluchtelingen vaak gepraat in vloeibare en massale metaforen: waterval, stroom, tsunami. Maar de stroom bestaat uit afzonderlijke druppels, en al de rest is in het beste geval veralgemening, in het slechtste geval demonisering. ‘De’ vluchtelingenstroom bestaat niet, net zo min als de constructie van het ‘wij’ dat daar dan last van heeft. Is het nog mogelijk om de mens in de stroom te onderscheiden?  Het is een noodzakelijke vraag, die Addio Amore daar stelt.

En dus…

Ik heb het zelf nogal moeilijk met de tweede recensie. Te veel opinie, te weinig analyse – voortvloeiend uit het feit dat ik de ‘anderstaligheid’ (Bart Caron) van deze productie – het feit dat hier niet-professionele deelnemers uit alle lagen van de bevolking en na een intens werkproces op scène staan – moreel en politiek kan waarderen, maar nauwelijks artistiek. Ik verzwijg de vormelijke mankementen van de productie terwijl ik die wel degelijk heb geregistreerd. Is dat eerlijk? Is dat niet juist erg betuttelend?

Voor mij blijft de kern van het conflict berusten op het tot in den treure bediscussieerde duo vorm-inhoud. Ik herinner me uit een (nog steeds ongoing) gesprek met Wouter Hillaert, zijn verzuchting dat de gesprekken in de foyer achteraf zouden moeten gaan over meer dan ‘dat het goed gedaan is’. Maar ‘dat het goed gedaan is’ is een essentiële voorwaarde voor kunst: het gaat om vorm die een mededeling bemiddelt, niet andersom – wie de volgorde omkeert, betreedt op platoonse wijze het terrein van de moraliteit, daar waar goedheid, waarheid en schoonheid noodzakelijkerwijs samenvallen. Moet ik als recensent oordelen over de wenselijkheid van de mededeling? Op grond waarvan? Van welke expertise, behalve van mijn bestaan als mens?

Addio Amore blijft steken op het niveau van de onbemiddelde mededeling. Dat de voorstelling, dat Tutti Fratelli en dat bij uitbreiding de hele sociaal-artistieke sector belangrijk zijn zal niemand tegenspreken. Dat belang rechtvaardigt wellicht hun aanwezigheid, als een ‘stoorzender’, tussen de andere kunsten. Maar laat ons het dan helder benoemen als een belang in maatschappelijk, politiek of sociaal opzicht. Zo’n benadering is eerlijker en waardiger voor alle deelnemers dan de krampachtige poging om hun meerwaarde binnen het Kunstendecreet ‘artistiek’ te rechtvaardigen.

KRIJG JE GRAAG ALTIJD ONS MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS?
Abonneer je dan hier.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#147

15.12.2016

14.03.2017

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.