Paul Corthouts

Leestijd 7 — 10 minuten

Decreten voor Podiumkunsten en Hoger Kunstonderwijs hangende

Etcetera volgde de voorbije jaargang de ontwikkeling van het nieuwe theaterdecreet op de voet. Dat decreet is al een paar maal heen en weer gereisd tussen het kabinet van Gemeenschapsminister Dewael, de Vlaamse Executieve en de Raad van State, telkens voorzien van opmerkingen en wijzigingen. Paul Corthouts, studie- en adviesdienst van het Vlaams Theater Instituut, legt uit waarom dat reizen nodig is en welke onnauwkeurigheden in de nieuwe, gecorrigeerde tekst dat reizen nog kunnen verlengen.

Er is ook een nieuw decreet voor het Hoger Kunstonderwijs in de maak. Marianne Van Kerkhoven schetste in Etcetera 32 de (ideologische) context van de discussie. Het VTI organiseerde een debat met als titel Hervormingen Hoger Kunstonderwijs. Caroline Derycke brengt verslag uit.

Eind januari 1991 legde de Gemeenschapsminister van Cultuur Patrick Dewael voor de derde keer zijn ‘ontwerp van decreet houdende regeling van de subsidiëring voor de werking en de infrastructuur van organisaties voor podiumkunsten‘ ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Executieve. In deze versie werden door de Gemeenschapsminister ingrijpende veranderingen aangebracht, dit in een poging de bezwaren die de Raad van State in haar advies van 22 oktober 1990 geopperd had, op te vangen.

De aanpassingen betreffen vooral de voorwaarden voor erkenning en subsidiëring, de delegatie aan de Vlaamse Executieve om de erkenningsprocedure te bepalen en de invulling van de financieringsenveloppe. De Vlaamse Executieve gaf de Gemeenschapsminister haar fiat om deze tekst voor beoordeling aan de Raad van State voor te leggen.

De nieuwe artikelen en de wijzigingen mogen dan al de bedoeling hebben de Staatsraden deze keer gunstiger te stemmen, ze bevatten heel wat technische onnauwkeurigheden en dreigen ook inhoudelijk heel wat moeilijkheden te veroorzaken.

In dit artikel wordt een overzicht gegeven en een analyse gemaakt van deze nieuwe bepalingen.

Erkenning

In de nieuwe tekst blijft het onderscheid tussen de voorwaarden voor erkenning en die voor subsidiëring behouden. In de ‘Memorie van Toelichting‘ wijst de Gemeenschapsminister er op dat de Raad van State hiertegen geen enkel bezwaar formuleerde. De Staatsraden hadden echter wel opmerkingen bij het feit dat er in de vorige versie van het ontwerpdecreet geen duidelijke voorwaarden voor de erkenning bepaald waren. Dit euvel wordt nu verholpen.

Organisatie voor podiumkunsten

Organisaties voor podiumkunsten kunnen erkenning en subsidiëring als gezelschap aanvragen, dan wel opteren voor projectmatige betoelaging. Beide vormen van overheidssteun zijn niet cumuleerbaar.

Om voor erkenning in aanmerking te komen dienen de betreffende organisaties te beschikken over rechtspersoonlijkheid, georganiseerd te zijn als gezelschap en – rechtstreeks of onrechtstreeks – te kunnen bogen op in het verleden geleverde prestaties (1).

Een organisatie is als gezelschap gestructureerd wanneer “zij structureel beschikt over een minimum aantal vaste podiumkunstenaars waarmee als geheel een permanente werking wordt opgezet op basis van beroepskrachten op het vlak van artistiek, administratief en technisch personeel” (2). Deze bepaling wordt aangevuld met de eis dat 50% van de globale overheidstoelage gespendeerd wordt aan de betaling van het personeel (3). Bovendien moet 75% van de medewerkers van wie het loon betaald wordt vanuit het verplichte deel van de financieringsenveloppe zijn functie in hoofdambt verrichten en wel met contracten van onbepaalde duur (4).

Deze eigenaardige bepaling dreigt een zware rem te zetten op de ontwikkeling van de theaterpraktijk. Binnen de bestaande categorieën van gesubsidieerde gezelschappen is er immers meer dan één organisatie te vinden met een zeer beperkt aantal artistieke en administratieve medewerkers. Deze vaste produktiekern zoekt voor elk nieuw project de nodige artiesten die dan voor de duur van dat project aan de organisatie verbonden zijn. Deze manier van werken werd onder het decreet van 1975 getolereerd en zelfs gehonoreerd. Nochtans werd ook in die tekst gesteld dat, om voor erkenning en subsidiëring in aanmerking te komen, een instelling diende te beschikken over een vast gezelschap van beroepsacteurs (5). Bij toepassing van de nieuwe regeling zullen heel wat van de huidige gezelschappen nog slechts op projectmatige steun mogen hopen.

Om in aanmerking te komen voor erkenning onder het theaterdecreet van 1975 diende een organisatie opgericht te zijn, hetzij door een provinciebestuur, een gemeentebestuur, de Nederlandse Commissie voor de Cultuur van de Brusselse Agglomeratie (nu Vlaamse Gemeenschapscommissie), hetzij als instelling van openbaar nut of als vereniging zonder winstoogmerk als bedoeld in de wet van 27 juni 1921. De huidige tekst spreekt gewoon van ‘beschikken over rechtspersoonlijkheid’, zonder bepaalde juridische vormen te specifiëren. Ook commerciële vennootschapsvormen komen dus, theoretisch gezien, in aanmerking.

De organisaties moeten ofwel in het verleden ten minste één produktie gerealiseerd hebben met een minimum aantal voorstellingen (1) voor organisaties voor Nederlandstalige Dramatische Kunst; 5 voor organisaties voor Muziektheater en dans), ofwel bestaan uit medewerkers waarvan de helft reeds in het verleden meegewerkt heeft aan een produktie van een gesubsidieerd gezelschap of project zoals bedoeld in het nieuwe decreet, ofwel in het verleden subsidie ontvangen hebben van de Vlaamse Gemeenschap (6).

Bij de erkenningsprocedure voor de groep Nederlandstalige Dramatische Kunst wordt er apart melding gemaakt van diegenen die opgericht of medeopgericht zijn door lagere overheden, rechtstreeks ressorterend onder de verantwoordelijkheid van één van deze overheden, en van diegenen die specifiek actief zijn als kinder- en jeugdtheater en figurentheater en die minimum 50 voorstellingen – wellicht per seizoen – brengen in andere zalen dan die van hun eigen vestigingsplaats (7). Deze verschillende categorieën hebben elk hun specifieke bepalingen in verband met de overheidsfinanciering.

Een organisatie voor podiumkunsten kan er ook voor kiezen projectmatig te werken. Dit wil zeggen dat zij voor de produktie van een tijdelijk initiatief een eenmalige toelage aanvraagt, met de verplichting dit ook daadwerkelijk te realiseren (8).

Voor organisaties die met projecten willen werken zijn er geen eigen erkenningsvoorwaarden voorzien. Dit is een eigenaardige vergetelheid. Om projectsubsidie te kunnen ontvangen dienen de belanghebbende organisaties immers wel erkend te zijn. Er wordt hiervoor expliciet verwezen naar al de voorwaarden die gelden voor de gezelschappen (9). Deze situatie maakt elke uitwerking van deze regeling praktisch onmogelijk.

Kunstencentrum

Een instelling kan als kunstencentrum erkend worden indien het beschikt over rechtspersoonlijkheid – ook hier geen verplichte juridische vorm -en als een kunstencentrum georganiseerd is.

Kunstencentra zijn “organisaties met een multidisciplinair karakter met de nadruk op podiumkunsten, die beschikken over een vaste infrastructuur waarin ontwikkelingen in de nationale en/of internationale kunstproduktie op een receptieve of produktieve wijze gevolgd kunnen worden” (10).

Om voor erkenning in aanmerking te komen volstaat het dus dat het centrum enkel maar de mogelijkheid heeft om zowel receptief als produktief te werken.

Er dient echter opgemerkt te worden dat, om daadwerkelijk subsidie te ontvangen, het centrum beide taken effectief moet vervullen. Deze subsidievoorwaarde kan dan al logisch lijken, voor de instellingen die, avant-la-lettre, reeds bij de groep kunstencentra worden gerekend is dit niet evident. Zo heeft deSingel geen traditie op het gebied van eigen theaterproduktie; er zou daar zelfs geen gepaste infrastructuur voorhanden zijn om produktief te werken. Zo is ook het receptieve luik bij het Kaaitheater veeleer beperkt tot het tonen van eigen produkties.

Verder moet, om erkend te worden, een kunstencentrum “ten minste één eigen produktie of co-produkties van elk minimum 5 voorstellingen gerealiseerd hebben op het vlak van de podiumkunsten” (11). Deze voorwaarde is onnauwkeurig geformuleerd en kan voor interpretatieproblemen zorgen.

Erkenningsaanvraag

In de nieuwe artikels 5,17, 29, en 39 wordt de administratieve procedure voor de erkenningsaanvraag bepaald.

De aanvraag dient vergezeld te zijn van een minimum aantal documenten. Het gaat om de statuten, het activiteitenverslag van het voorbije seizoen ofvan de voorbije drie seizoenen, een beleidsnota en een overzicht van de financiële situatie. Zij dient te gebeuren bij aangetekend schrijven. De termijn van indiening zal door de Vlaamse Executieve worden bepaald.

Subsidiëringsvoorwaarden

De initiële tekst werd, voor wat de subsidiëringsvoorwaarden zelf betreft, grotendeels ongemoeid gelaten. Enkel voor de organisaties voor Nederlandse Dramatische Kunst werden, in algemene bewoordingen, criteria omschreven die de bevoegde adviesraad moeten toelaten de artistieke kwaliteit, de globale werking en het beheer van de organisatie te beoordelen. Deze beoordelingsnormen betreffen o.m. de oorspronkelijkheid van artistieke keuzes, de dramaturgie, de culturele uitstraling in Vlaanderen en/of internationaal, het genre van het gebrachte repertorium, het vernieuwend karakter, het publieksbereik, de grootte van tewerkstelling, het aantal produkties en voorstellingen, de spreidingsfunctie, het beheer en exploitatie van de eigen schouwburg. Deze lijst dient door de Raad voor de Nederlandstalige Dramatische Kunst uitgewerkt en vóór de start van de evaluatieprocedure bekend gemaakt te worden (12).

De regeling van beoordelingscriteria gelden niet voor de andere organisaties voor podiumkunsten. Een decretale regeling betekent voor hen en voor de overheid een nieuwe situatie. De Gemeenschapsminister oordeelde dat, wegens gebrek aan voldoende voorkennis, het niet opportuun was om ook voor die sectoren nu reeds dergelijke beoordelingscriteria op te stellen.

De wijziging in de omschrijving van de creatieopdrachten aan de diverse auteurs is een andere, zij het indirecte, aanpassing in de reeks subsidiëringsvoorwaarden.

In de hervormde tekst blijft een Vlaams toneelauteur “een auteur van Belgische nationaliteit of die reeds ten minste vijf jaar zijn woon- en verblijfplaats in België heeft”. Een Vlaams choreograaf, componist of librettist wordt er nu omschreven als “een auteur van Belgische nationaliteit en wonende binnen de Vlaamse Gemeenschap of diegene die reeds ten minste vijf jaar zijn woon- en verblijfplaats in de Vlaamse Gemeenschap heeft”.

Het is allerminst duidelijk waarom de definities van de verschillende auteurs niet allemaal op dezelfde wijze hervormd werden. Nu is er een discriminatie ingebouwd ten voordele van toneelauteurs. Een Belgische toneelauteur die in het buitenland woont kan, in tegenstelling tot zijn collega’s uit de andere kunsttakken, wel een creatiepremie in de wacht slepen.

Tenslotte werd de mogelijkheid voor de Vlaamse Executieve om van de subsidiëringsvoorwaarden af te wijken nauwer omschreven en beperkt (13).

Financieringsenveloppe

De Raad van State drong erop aan dat de financieringsenveloppe werd opgesplitst in wedde-, werkings- en basistoelagen. De Gemeenschapsminister was echter – en terecht – van oordeel dat dit systeem elke flexibele werking onmogelijk maakt. In de aangepaste versie van het ontwerp werd wel voorzien dat een minimum percentage van de enveloppe zou aangewend worden voor de betaling van alle lonen en honoraria. Voor de organisaties voor Nederlandstalige Dramatische Kunst, Dans en Muziektheater bedraagt dit verplicht te besteden gedeelte 50% van het globale subsudiebedrag; voor de kunstencentra is dit beperkt tot 20%. De desastreuze gevolgen die deze regeling kan hebben op de gezelschapsstructuur werden hoger reeds vermeld.

Het huidige tewerkstellingspeil werd ook gewaarborgd door als overgangsmaatregel te voorzien dat het huidige aantal gesubsidieerde functies in de A-, B- en C-gezelschappen – een 230-tal voltijdse betrekkingen – ten minste behouden blijft voor de globale sector Nederlandstalige Dramatische Kunst (14). Dat er binnen die sector verschuivingen gebeuren is niet uitgesloten.

Adviesraden

De beraadslagingsprocedure voor de diverse Raden van Advies werd aangevuld met de maatregel dat, om geldig advies te kunnen uitbrengen, minimum 2/3 van de leden aanwezig dient te zijn.

Indien de Vlaamse Executieve van de adviezen wenst af te wijken, kan dat alleen nog indien zij haar beslissing uitdrukkelijk motiveert. De bedoelde afwijkingen kunnen zowel betrekking hebben op de geadviseerde toelagen als op de door de Adviesraad gehanteerde criteria (15).

Afwachten

Het valt af te wachten hoe de Raad van State op deze vernieuwde tekst zal reageren. In het gunstige geval zou het ‘ontwerp van decreet houdende regeling van de subsidiëring voor de werking en de infrastructuur van organisaties voor podiumkunsten’, reeds zeer snel van toepassing kunnen zijn. Indien het decreet vóór 30 juni 1991 in het Belgisch Staatsblad verschijnt zal het het in werking treden vanaf het seizoen 1991-1992. In het andere geval zal het decreet van 13 juni 1975 nog een seizoen langer van kracht blijven.

Hoe dan ook, hopelijk zullen, vóór de publikatie, de laatste onnauwkeurigheden en onduidelijkheden uit de tekst worden verwijderd.

Noten :

(1) art. 4 par. l,par. 2 en par. 3; art. 16; art. 38.

(2) art. 2, 10.

(3) art. 8, par 2; art 21, par 2; art 42, par 2.

(4) art. 11, 4; art. 23, 3; art. 44,4.

(5) theaterdecreet 1975, art 2, 2.

(6) art. 4, par 1, 2; art. 16, 2, art. 38, 2.

(7) art. 4, par. 2 en 3.

(8) art. 2, 19 en art 7, 2.

(9) art. 12, 1.

(10) art. 2, 5.

(11) art. 28, 2.

(12) art. 11, par 2 en par 3.

(13) art. 14; art. 26; art. 36; art. 46.

(14) art. 68.

(15) art. 63 en memorie van toelichting.

artikel
Leestijd 7 — 10 minuten

Paul Corthouts

artikel