John Bogaerts – Foto Studio Reusens

Alex Mallems

Leestijd 4 — 7 minuten

De visie van een architect op theater

John Bogaerts werkte vanaf 1961 als KNS-scenograaf in de Bourlaschouwburg. In 1980 verhuisde hij mee naar de nieuwe Stadsschouwburg. De geknipte man om de oud-klassieke tegenover de nieuw-moderne schouwburg af te wegen. Een gesprek over twee theatergebouwen en over het KNS-gezelschap erbinnen. Of de visie van een architect op theater.

In 1958 werd de Bourla onveilig verklaard en tijdelijk gesloten: het gebouw, de zaaien de scène waren in erg slechte staat. Hoe was het gesteld met de technische uitrusting van de schouwburg?

“De uitrusting van de scène was heel ouderwets: dat werkte nog allemaal manueel met houten trekken. De mensen die op dat moment verantwoordelijk waren om die installatie te moderniseren werkten graag met dat primitief systeem: dat waren van die ‘oude matrozen’ die het niet nodig vonden om metalen trekken met tegen-gewichten te hebben. Dat ging daar dus echt zoals bij de Chinezen : handenarbeid.”

“Het technisch équipement was niet aangepast aan de tijd, dat was in 50 jaar nauwelijks veranderd. Je kan dat best vergelijken met een oude wagen die jaar najaar naar de controle moet: op de duur zit de kaart vol gaatjes. Het nieuwe licht-orgel en de klankinstallatie (uit 1953) waren slechts minimum vereisten om de zaal te kunnen blijven bespelen.”

In hoeverre hypothekeerde die situatie de artistieke werking van KNS?

“Toneelstukken waar er een draaischijf voor nodig was leverden grote problemen op, omdat de scène langs alle kanten doorzakte en compleet vermolmd was. Dat was meer een ‘montagne russe’ dan een gladde scène: je kon daar enorm moeilijk werken met Bühnewagens, draaitonelen, of met om het even wat. Dat bracht dus een enorme beperking bij de keuze van de stukken mee. Of je moest in de mise-en-scène — en dat is dan mee de opdracht van de regisseur– zo’n visie op een stuk hebben dat het daar wel gemonteerd kon worden (Fred Engelen bracht bijvoorbeeld toch Moeder Courage in de Bourla). We waren dus verplicht om de beperkte mogelijkheden van dat gebouw maximaal uit te buiten. In die optiek zijn vooral de voorstellingen die we daar in regie van Walter Tillemans gebracht hebben toch boeiend geweest.”

Kon een grondig gerenoveerde Bourlaschouwburg geen volwaardig alternatief bieden tegenover de nieuwe Stadsschouwburg?

“Daar was in ieder geval voldoende ruimte voor. Die neoclassicistische architectuur biedt altijd de kans om dat binnenin herop te bouwen en het skelet te behouden. Dat hield echter in dat er voor een periode van 3 à 4 jaar onderdak moest gevonden worden voor KNS en KJT. Die termijn moet je toch incalculeren voor het leggen van een nieuwe scène en voor het technisch equiperen ervan volgens de eisen van deze tijd. Bovendien zullen de onkosten voor de verbouwing waarschijnlijk te hoog geweest zijn en was de Bourla op dat moment nog geen geklasseerd gebouw.”

Dus kwam de nog duurdere Stadsschouwburg er, één van de best uitgeruste theatergebouwen in West-Europa, waar desondanks nogal wat afkeer voor bestaat in theatermiddens.

“Er is nooit echt inspraak geweest van het gezelschap bij het ontwerp van het theatergebouw. De mensen die dat instrument moesten gebruiken zijn slechts achteraf geconsulteerd. Het ontwerp van de Stadsschouwburg was de zaak van drie architecten: de ene was een operabouwer, verantwoordelijk voor de scène (die dacht: “daar kan ik de opera van Bayreuth op zetten”); de tweede was een zalenbouwer zonder theaterfeeling (ontwerper van de Koningin Elisabethzaal en van cinema’s) ; de architect van de derde politieke partij was een gevelbouwer. Het is dus de mengeling van de drie politieke partijen die dat gebouw opgeleverd heeft. De gevolgen daarvan zijn onherstelbaar. De zaal biedt een even grote publieksruimte als de Bourla, maar het publiek is in een andere vorm gezet. Ondanks het feit dat het nog altijd ‘à l’italienne’ is; is die nieuwe schouwburg meer zoiets als het Kremlin: de verhouding tussen de scène en de zaal is door de architecten compleet verkeerd begrepen. Het contact zaal-scène is hierdoor heel slecht: voor een acteur is het immers erg belangrijk dat hij niet speelt voor een leeg gat (wat nu het geval is), maar dat hij voelt dat daar een zaal zit te kijken. Die betrokkenheid met het publiek, dat intieme, was één van de sterkste punten van de oude Bourla samen met de erg goede akoestiek van dit oorspronkelijk operagebouw. Daar wordt wel nog eens nostalgisch aan teruggedacht. Alle andere nostalgie, zo van ‘die goede oude tijd’, vind ik maar achteruitgaan. Ik prefereer als ontwerper de nieuwe schouwburg: ze beantwoordt technisch aan deze tijd en ik kan er met mijn verbeelding meer mee aanvangen.”

Vind je dat de mogelijkheden van die schouwburg voldoende uitgewerkt kunnen worden binnen het KNS-repertoire ?

“Er is inderdaad een kloof tussen wat wij spelen en de manier waarop dat gebouw gerund wordt. De vraag die zich opdringt is: Ik heb nu die auto, wat ga ik er mee doen? Ga ik er mee naar Afrika of blijf ik er alleen maar mee naar Wilrijk en Schoten rijden? Op het ogenblik zitten wij er alleen maar mee in Schoten. Er wordt geen reis gemaakt die veel verder gaat: dat gebouw wordt niet gebruikt omdat er nog altijd gekozen wordt voor een ouderwets repertoire, waarin alle aandacht moet gaan naar de aankleding. Er wordt niet gekozen voor een nieuwe dramaturgie die vertrekt vanuit die machinerie. Ze staat daar nochtans om te gebruiken, ze is enorm spectaculair, je hoeft niet eens decors te behouden! Maar als je een ‘salonnetje’ moet bouwen omdat ze een ‘salon-stukske’ kiezen, dan heeft die machine geen nut. Er is geen enkele recherche vanuit het beleid die de technische mogelijkheden optimaal zou kunnen laten renderen. De paar keer dat we dat wel konden b.v. bij De Storm van Shakespeare, stonden de mensen verbaasd — niet van de draaischijf, want zo’n draaimolen kennen ze nu al–, wel van de liftensystemen en de rijdende plateau’s. Nu gaan we dat weer een beetje proberen met de ‘revue’, omdat onze opdracht van de stad uit (dus boven het hoofd van directeur De Gruyter!) is te laten zien wat dat gebouw kan, er een spektakel van te maken met al het hang- en vliegwerk.”

Dat is toch een allesbehalve artistiek uitgangspunt.

“Als er geen auteurs in contact gebracht worden met de mogelijkheden van zo’n gebouw, dan verandert onze dramaturgie ook niet. Dan blijft men ‘salonstukskes’ schrijven of van die ‘binnenhuis-kamerdinges’. Met alle respect voor Walter Van den Broeck, waar we nu Tien jaar later van spelen, maar daarvoor volstaan een muur, drie deuren en een tafel. Dat is goed om in de kamertonelen te spelen. Ik vind dat niet de opdracht van de KNS.

Alex Mallems

interview
Leestijd 4 — 7 minuten

#9

15.01.1985

14.04.1985

Alex Mallems

interview