‘Belgische Cirque Belge’ – Nederlands Toneel Gent – Foto Luc Monsaert

Alex Mallems

Leestijd 12 — 15 minuten

De underdog bijt terug

Twintig jaar NTG

Twintig jaar hebben de Gentenaars zonder eigen repertoiregezelschap gezeten. In 1965 werd dan het NTG opgericht en inmiddels zijn we weer twintig jaar verder. We overlopen de geschiedenis van het NTG aan de hand van het komen en gaan van vijf directies. Een gezelschap wordt volwassen.

Het Nederlands Toneel Gent bestaat twintig jaar, een nog jonge leeftijd voor een repertoiregezelschap. KNS bestaat al sinds 1853, KVS houdt het al vol vanaf 1875. Gent heeft nochtans een vergelijkbare traditie gehad: KNS-Gent die van 1871 tot 1945 in de schouwburg tussen Sint-Baafs en Belfort speelde. Waarom dit gezelschap na de oorlog ontbonden werd is in deze NTG-context weinig relevant. Belangrijk zijn wel de consequenties voor Gent als theater-stad. Een generatie theatergeïnteresseerden, vooral gevormd door Staf Bruggen, directeur van KNS-Gent tijdens de oorlog, voelden zich beroofd van ‘hun’ theater. De vitale jeugdpolitiek van Staf Bruggen gekoppeld aan democratiseringspogingen via bijvoorbeeld goedkope voorstellingen hadden die jonge Gentenaars inderdaad warm gemaakt voor theater. Het bespelen van de Gentse schouwburg door KNS-Antwerpen binnen de Teirlinck-idee van een Nationaal Toneel, werd als een belediging ervaren. Theoretisch was er weliswaar geen discriminatie tegenover Antwerpen, maar toch bleef Gent ‘tweede plateau’. Een succesproductie werd bijvoorbeeld in de Bourlaschouwburg verlengd, terwijl Gent ondertussen een stuk kreeg dat nog in volle repetitieperiode zat. De frustratie over het ontbreken van een eigen gezelschap groeide. Midden jaren zestig kregen die sluimerende aspiraties reële vormen. Toenmalig minister van Cultuur Renaat van Elslande zaaide cultuurspreiding over Vlaanderen en Gent oogstte het NTG,

Twintig jaar later wordt het NTG vrijwel unaniem beschouwd als het gezichtbepalend en leidinggevend repertoiregezelschap in Vlaanderen: het enige dat consequent tracht om die functie artistiek waar te maken. Hoe is dat gegroeid? Welke elementen uit die nog korte NTG-geschiedenis hebben daarbij een rol gespeeld? Twintig jaar NTG, een goed moment om terug te blikken en te analyseren in functie van vandaag.

Tegenwind

De belangrijkste beslissing bij de start van het NTG was de benoeming van de directeur. Uit elf kandidaten werden er aanvankelijk vier in overweging genomen: Frans Roggen, Hugo Claus, Dré Poppe en Walter Eysselinck. De kandidatuur van Frans Roggen werd vooral uit respect weerhouden, maar kwam niet echt in aanmerking. De grootse plannen van Hugo Claus vond de raad van beheer te experimenteel, te utopisch, met teveel risico’s. Ten slotte verkoos men Walter Eysselinck boven Dré Poppe (twee theaterpractici uit Arca-kringen) omwille van zijn universitaire background. Eysselinck zou dus directeur worden, tot hij enkele maanden voor de start plots benoemd werd tot ‘director of the Arts Center of the University of Sussex’. Exit Eysselinck dus, wat de weg vrijmaakte voor Dré Poppe.

Dré Poppe was in 1950 medestichter van Toneelstudio ’50, vanaf 1955 Keldertheater Arca. Gedurende vijftien jaar was hij de actieve leider van dit kamergezelschap, waarvan het belang voor Gent als theaterstad tijdens de beroepstheaterloze periode 1945-1965 niet mag worden onderschat. Arca betekende immers een ontmoetingsplaats waar levend, creatief theater aan bod kwam. Door die jarenlange praktijkervaring en zijn grondige kennis van wat Gent op dat moment aan talent te bieden had, was Dré Poppe toch wel dé aangewezen persoon om directeur te worden van het nieuwe gezelschap.

Een gemakkelijke taaie was dat directeurschap in geen geval, want het NTG ving als nieuwkomer nogal wat tegenwind. De Stad Gent haalde met dit eigen theater een risico binnen, een risico dat met gastvoorstellingen door KNS niet bestond. In kringen van het Gents liefhebberstoneel was er onvrede omdat het KNS-gebouw niet meer beschikbaar was als schouwburg. Het technisch personeel en de machinisten kregen met een productief ‘levend’ gezelschap vanzelfsprekend een hoop meer werk op te knappen. Een deel van de oude abonnees beschouwde KNS-Antwerpen als ‘haar’ gezelschap en was zeker niet happig om de vele KNS-vedetten in te ruilen voor een groepje piepjonge nieuwkomers. Bij het rekruteren van acteurs bleek al vlug dat binnen de bestaande repertoiregezelschappen KNS en KVS zo goed als niemand het risico wilde nemen om naar Gent te komen: het settelen binnen het Vlaams theater is duidelijk ouder dan vandaag. Uitzonderingen: Werner Kopers en Jef Demedts, die als Gentenaars wel de stap van KVS naar NTG wilden maken. Markant detail: Poppe wist Kopers en Demedts te engageren tegen dezelfde voorwaarden die ze bij KVS hadden. De raad van beheer vond echter dat daar wel duizend frank kon afgepingeld worden, want nu hoefden ze niet meer naar Brussel te sporen…

Het NTG van het eerste uur had een gezelschap (uit armoede) samengesteld uit jonge, onervaren acteurs en actrices. Het was bovendien een kwantitatief kleine ploeg, in totaal slechts dertig personeelsleden: de directeur, geassisteerd door een zakelijk leider (Albert Hanssens) en twee bedienden, tien acteurs en zeven actrices, vier technische medewerkers en vijf machinisten. Ter vergelijking: momenteel telt het NTG een kleine honderd werknemers. Toch werden er het eerste seizoen liefst elf eigen producties opgezet, waarvan samen 164 voorstellingen werden verzorgd. Voorwaar geen sinecure voor een debuterend gezelschap. Deze ambitieuze aanpak is te verklaren als het uiteindelijk realiseren van een levende Gentse schouwburg na twintig jaar winterslaap.

Dit uitgebreid repertoire bracht het NTG in een misschien wel wat overmoedige stroomversnelling, met de ambitie om zo vlug mogelijk het niveau van KNS of KVS te bereiken. Vanaf het tweede seizoen werd de spelerskern weliswaar uitgebreid met Hugo van den Berghe en Cyriel van Gent, twee acteurs die nog steeds een bepalende rol spelen in het gezelschap, maar ook zij waren niet meteen ‘oudere’ acteurs. De kracht van het NTG lag weliswaar in zijn jeugd, maar overschatting van de capaciteiten bij het toekennen van al te zware opdrachten aan de vaalt nog ‘groene’ acteurs was een reëel gevaar.

Deze en andere jeugdzonden werden echter gecompenseerd door een enorm enthousiasme binnen het gezelschap, een dynamisme dat uiteindelijk ook vruchten afwierp: de toeschouwers voelden een zekere sfeer in dit theater, een positieve ingesteldheid die de kritische evaluatie makkelijker deed omslaan in een appreciatie van het werk. Het NTG als debuterend gezelschap genoot ruim krediet bij het ook wel chauvinistisch Gents publiek, niet in het minst omdat de pers al even lovend achter de producties stond. De cijfers bevestigen in ieder geval dat het NTG qua publieke belangstelling hoog scoorde: reisvoorstellingen inbegrepen speelde het NTG het eerste seizoen voor 77.212 toeschouwers (gemiddeld 471 per voorstelling). Het tweede jaar hepen die cijfers op tot 214 voorstellingen voor 115.578 kijkers (of 541 gemiddeld)!

Kindertuin

Op welk soort stukken kwam dat publiek dan zo massaal af? Dré Poppe wou de mogelijkheden, respectievelijk beperkingen van zijn jong gezelschap uittesten via een uitgebreid, maar toch evenwichtig samengesteld repertoire. Hij hield bij zijn stukkenkeuze bovendien duidelijk rekening met de theatersituatie binnen Gent: het typische volkstheater liet hij aan Romain de Coninck en zijn Minardschouwburg; uitgesproken avant-gardewerk bleef het domein van Arca; Vertikaal zat toen nog in het stadium van het betere amateurgezelschap en was qua publieksimpact te verwaarlozen; het oude KNS-publiek kwam hij tegemoet met auteurs als Tennessee Williams of Arthur Miller. De gulden middenweg daartussen leverde een uitgebalanceerd repertoire op met naast de klassiekers (Sophocles, Shakespeare, Calderón, Schiller, Ibsen, Tsjechov) en meer recente auteurs (Anouilh, Sartre, Brecht, Williams, Miller, Pinter) een ruime plaats voor de komedie (Feydeau, Camoletti, de Hartog…) verder aangevuld met een thriller (Knott) of een musical (Nash) en jaarlijks de statutair verplichte Vlaamse productie (Teirlinck, Brulin, van Vrekhem).

Bij de realisatie van dit repertoire wou Poppe nagaan welke regisseurs, met welke specifieke kwaliteiten best aansloten bij het gezelschap, wie wat kon bijbrengen aan die onervaren acteurs. Niet minder dan zestien regisseurs passeerden tijdens die eerste twee seizoenen de NTG-revue, enkel ‘Gentse’ regisseurs als Frans Roggen (viermaal), Walter Eysselinck (tweemaal) en Dré Poppe zelf (tweemaal) kwamen meer dan eens aan bod. Op lange termijn zou er uit die ervaringen een huisregisseur naar voren moeten treden. Twee opmerkingen. Eén: regisseren media jaren zestig onder zware productie-druk, met slechts een Idem gezelschap, was in de eerste plaats een gevecht tegen de tijd. De functie van de regisseur bleef dan ook meestal beperkt tot die van verkeersregelaar: vooral de mise en place kwam aan bod, tekstontleding werd bijvoorbeeld minimaal gehouden. Twee: regisseurs als Jo Dua en Walter Tillemans werden door Dré Poppe aangezocht om gastregies te verzorgen bij het NTG maar bedankten voor de eer om te werken in de ‘Gentse kindertuin’, zoals het nieuwe gezelschap in KNS- en KVS-kringen smalend genoemd werd. Het is misschien een detail, maar toch zijn het dit soort elementen die de wil om te slagen, de interne motivatie binnen het NTG aanwakkerden. De underdog zou terugbijten.

Vanuit een zeer goede feeling voor de Gentse theatersituatie wist Dré Poppe een stevige basis te leggen voor de verdere uitbouw van het NTG als repertoiregezelschap. De onmiddellijke massale publieksrespons zou als objectieve barometer kunnen fungeren voor een beleid dat zeker en vast het ‘grote’ publiek – in dit geval zelfs een nieuw publiek – wou bereiken. Paradoxaal genoeg was dit succes de directe oorzaak van de breuk NTG-Poppe na amper twee seizoenen. Het driejarig contract van Poppe bevat een clausule die bepaalde dat een percentage van de recette boven een vooraf vastgelegd gemiddelde als een soort commissie bij zijn directeurswedde zou worden gevoegd. Door die onverwacht hoge publiekstoeloop (het NTG-budget was berekend op zo’n 150 toeschouwers per voorstelling) liep die extra commissie op tot een fiks bedrag. Dit algemeen gangbaar commercieel principe (resultaat wordt extra gehonoreerd) was echter een doorn in het oog van de NTG-raad van beheer die vanuit een bekrompen ambtenaarsmentaliteit blijkbaar niet inzag dat het NTG zelf in de eerste plaats voordeel haalde uit die hoge publieks-opkomst (er was een overschot van enkele miljoenen). Na twee jaar werd Dré Poppe een contractherziening voorgelegd: bewuste clausule moest hij laten vallen. Poppe stond erop dat zijn oorspronkelijk contract nageleefd zou worden. Een verzoening van die twee standpunten bleek onmogelijk zodat dit conflict uiteindelijk voor de rechtbank werd beslecht: Dré Poppe werd in het gelijk gesteld. Aan de hele affaire hield het NTG een flinke financiële kater over. Erger nog: het gezelschap verloor zijn bekwame directeur.

Stabilisering

Dré Poppe werd opgevolgd door Albert Hanssens, tot dan administratief directeur. Deze interne promotie geeft meteen de visie weer van de raad van beheer op het theaterbeleid: het zakelijke aspect primeert op het artistieke. De directieperiode Hanssens kan globaal beschouwd worden als een periode van stabilisering na de eerste grote trouble en ontnuchtering. Albert Hanssens koos wegens de financiële moeilijkheden waarmee het NTG vanaf de jaren zeventig te kampen had té eenzijdig voor een risicoloos theaterbeleid. Een vrijblijvend elk-wat-wils-repertoire zou de massa naar de Gentse schouwburg lokken. De repertoires van Hanssens hebben een stereotiepe opbouw: een NTG-seizoen opende traditioneel met een klassieker; daarnaast het verplicht nummertje uit de eigen dramaturgie; komedies meestal van Franse origine en een opvallende aanwezigheid van recent Angelsaksisch werk dat inhoudelijk aansloot bij de actualiteit. In de praktijk sloeg een dergelijke afwisseling van het klassieke met het moderne, van het ernstige met het komische minder aan dan verwacht. Om de financiële balans toch in evenwicht te krijgen opteerde Hanssens voor een maximaal recettebeleid waardoor bijvoorbeeld een banale komedie als Gaston Martens’ Paradijsvogels op de affiche kwam. Succes verzekerd (35.000 toeschouwers), maar het is nog de vraag of zo’n stuk bijdraagt tot de profilering van een repertoiregezelschap.

Albert Hanssens nam wel enkele interessante initiatieven op het organisatorische vlak. Zo werd het aantal producties per seizoen teruggebracht van elf tot negen. Het draaischijf-systeem met KNS en KVS zou die twee weggevallen stukken vervangen. Deze verminderde productiedruk maakte langere repetitieperiodes mogelijk. Daarnaast trachtte Hanssens een vaste regisseurskern te vormen: Marcel de Stoop was bijvoorbeeld vier jaar NTG-huisregisseur met in totaal negen regies. Een aantal acteurs kregen volop regie-opdrachten binnen het eigen gezelschap: vooral Jef Demedts, maar ook Hugo van den Berghe, Werner Kopers en Cyriel van Gent kwamen meer dan eens aan bod. Als je daarbij rekent dat Jean-Pierre de Decker onder Hanssens zijn NTG-regiedebuut deed (Interieur van Hugo Claus) en dramaturg Frans Redant in diezelfde periode bij het NTG kwam, dan kan je zonder meer stellen dat de nu beleidsbepalende figuren toen de mogelijkheden aangrepen om op de voorgrond te treden. Het weinig geprofileerd theaterbeleid van Hanssens bood daar ruimschoots de gelegenheid toe.

Tuttifrutti

In 1973 was het weer ‘stoeltjesdans’ in het NTG: Walter Eysselinck, ooit directeurskandidaat ‘numero uno’ van het NTG, kreeg acht jaar later toch die job met Albert Hanssens naast zich als (opnieuw) administratief directeur, Qua repertoire veranderde er nauwelijks wat: Eysselinck selecteerde een vrijblijvend en blijmoedig ‘tuttifrutti-programma’ met de klemtoon op Angelsaksisch werk. Wel introduceerde hij enkele interessante regisseurs als Franz Marijnen of de Oost-Duitser Konrad Zschiedrich, maar de samenwerking met het gezelschap verliep stroef. De jarenlange regie-inteelt binnen het NTG had het op-routine-spelen versterkt: het vastgeroest zitten binnen traditionele spelpatronen was voor die regisseurs van buiten het gezelschap niet zomaar weg te werken.

Belangrijke gebeurtenis binnen het Vlaams theater is de grote acteursstaking die midden de jaren zeventig woedde voor een gelijkschakeling van het sociaal statuut van de acteur met dat van de BRT-collega’s. Die staking brak het NTG in twee kampen: een groep rond Roger Bolders wou de actie doorzetten, een andere rond Jef Demedts vond dat er gespeeld diende te worden. Deze harde staking zou uiteindelijk resulteren in het garanderen van sociale zekerheid in het beruchte Theaterdecreet, maar liet toch wel sporen na binnen het gezelschap.

Na drie seizoenen hield Walter Eysselinck het in het NTG voor bekeken en zette zijn carrière als hoogleraar verder in de USA. De raad van beheer kon opnieuw op zoek naar een directeur. Blijkbaar wou men ernst maken van een theaterbeleid op lange termijn, want Jaak Van Schoor kreeg als nieuwe directeur een contract voor maar liefst negen jaar aangeboden. Bij de start had men ook binnen het gezelschap vertrouwen in Van Schoor, doctor in de theaterwetenschappen en auteur van talrijke, vooral theatertheoretische publicaties. Dat zogezegd krediet voor Van Schoor bleek echter al gauw opgebruikt: na nauwelijks zeventien maanden stapte Van Schoor moegetergd op. Zijn directieperiode was een droeve aaneenschakeling geweest van conflicten en tegenkanting. Om de optimale werking van het theater mogelijk te maken wou Van Schoor de cumuls NTG-Gentse Opera van het technisch personeel wegwerken, wat hem vanuit die hoek natuurlijk niet in dank werd afgenomen. De NTG-raad van beheer maakte herhaaldelijk financiële (te hoge regisseursgage van Walter Tillemans) en morele bezwaren (naaktscènes of abortusproblematiek bleken hardnekkige taboes) bij het beleid van Van Schoor. Elementen met duidelijke repercussies op het artistieke viale, waaruit nog maar eens blijkt dat een NTG-directeur lang geen carte blanche in handen krijgt, maar van kortbij op de vingers gekeken wordt.

Het door Van Schoor samengestelde repertoire vertoonde naast het vertrouwde Angelsaksisch werk en een portie Franse boulevardkomedies, ook aanzetten tot koerswijziging naar het Duits theater, een accentverschuiving die na hem (de Rroetz-cyclus bijvoorbeeld) werd uitgediept. Daarnaast introduceerde Van Schoor enkele nieuwe regisseurs in het NTG: François Beukelaers, Charles Dierich, Walter Tillemans… een injectie van frisse ideeën die vernieuwend zou kunnen doorwerken in de producties. Het meest experimenteel initiatief, de creatie van Johan Boonens Y-Projekt omtrent Oidipoes, een stuk opgebouwd via improvisaties rond een los scenario, – waaraan naast regisseur François Beukelaers ook plastisch kunstenaar Albert Szukalski meewerkte – bleef steken in het repetitiestadium. Het gezelschap bleek onvoldoende flexibel om via een niet traditioneel werkprocédé een dergelijke productie mee op te bouwen en hield het een week voor de première bekeken.

Directeursmoeheid

Na deze openlijke afwijzing van de eerste door hem gekozen productie trachtte Van Schoor de scherven nog te lijmen door een adviesorgaan te installeren. Deze ruime inspraakmogelijkheid werd echter als een nieuw middel tot tegenwerking gebruikt: het NTG leed aan directeursmoeheid. De regiekansen die binnen het gezelschap volop geboden werden onder de directies Hanssens-Eysselinck hadden een zekere hiërarchie gecreëerd. Acteurs als Jef Demedts en Hugo van den Berghe haalden niet alleen het leeuwenaandeel van de hoofdrollen naar zich toe, maar manifesteerden zich ook nadrukkelijk als regisseurs. Een zekere zelfpromotie speelde dus zeker mee in dit conflict, wat zich uiteindelijk vertaalde in een nieuw directieorganisme: de NTG-beleidsgroep die vanaf 1978 de leiding overnam met Jef Demedts, sterkste figuur binnen het gezelschap, als evidente directeur. Die gedeelde interne beleidsverantwoordelijkheid was voor een goed deel het officialiseren van een organisch gegroeide machtssituatie. Na de moeilijkheden met Van Schoor was het overigens quasi onmogelijk geworden om op een analoog-traditionele manier de directeurs-functie waar te nemen. Demedts zag dat in en liet zich omringen door de gezichtsbepalende figuren binnen het NTG: Jean-Pierre de Decker, Frans Redant, Hugo van den Berghe, Albert Hanssens. Enkele maanden later kwam daar de van KVS overgekomen acteur-regisseur Walter Moeremans bij.

De meest fundamentele ingreep van de NTG-beleidsgroep is wellicht het afstand nemen van de willekeurige elk-wat-wils-repertoires. Door het uitstippelen van gefundeerde beleidslijnen tracht men de stukkenkeuze te motiveren en te ondersteunen. Uit de ervaringen van de eerste twee seizoenen (onder andere het succes van Kroetz) distilleerde men in 1980 de NTG-beleidsopties. Daarin wordt er benadrukt dat de raakpunten met onze maatschappij bij elke productie voelbaar moeten zijn. Daarom opteerde men voor een bewust sociaal geëngageerd repertoire, al dekte die inhoudelijke vlag lang niet altijd de (soms burgerlijke) lading. Dit had niet zozeer te maken met het repertoire an sich, want de geselecteerde stukken bevatten zeker een potentieel engagement, maar bij de omzetting in de voorstellingen nam maatschappijbevestiging vaalt de bovenhand op een kritisch bewustmakende boodschap. Zo werkte bijvoorbeeld een te sterk benadrukken van de herkenbaarheid naar het grote publiek toe, een averechts effect in de hand. Die herkenbaarheid versterkt immers een veilig-afstandelijke inleving binnen een theaterwerkelijkheid zonder maatschappelijke gevolgen (Charcuterie Fine). Het integreren van ontspanningselementen binnen de voorstellingen, ter compensatie van het wegvallen van platte komedies, hield vergelijkbare consequenties in. Een al te luchtig regie-concept kan ontkrachtend inwerken op de bewustmakende inhoud van een stuk. Een discussiestuk als Breek ze! van de trotskistische auteur Nigel Williams, werd zo ontdaan van elke relevantie tot de maatschappelijke realiteit. Eigen schrijfprojecten als Priester Daens of de Belgische Cirque Belge bleven steken in een historische context en gingen een confrontatie met de sociaal-politieke situatie van vandaag uit de weg. Ook de positieve optie om binnen de klassiekers het eeuwige en overal geldige te actualiseren of te concretiseren leidde soms tot tijdloze universele ensceneringen die relevante verbanden met onze tijd en situatie eerder omzeilden dan wel aanscherpten (Burger-Edelman, Maat voor Maat).

Daartegenover staan dan producties als Antigone of Dodendans waarin het hertalen naar vandaag toe gerealiseerd wordt in de enscenering, in de vormgeving en de speelstijl. In dit op zoek gaan naar de artistieke actualiteit ligt juist de kracht van het NTG, ook haar functie als repertoiretheater. Breekpunt in die evolutie vormt duidelijk het seizoen 1982-1983 dat een sterk reproductief repertoire had met opnieuw auteurs als Kroetz (tweemaal), Nigel Williams en Claus. Er volgden na elkaar nogal wat probleemstukken rond een vrij analoge problematiek, binnen een repertoire dat nogal nadrukkelijk als ‘strijdbaar theater’ gepresenteerd werd. De al te expliciete optie om geëngageerd theater te brengen was een te strak keurslijf geworden.

Men bezat voldoende zelfkritiek om dit in te zien en het volgend seizoen resoluut te opteren voor de klassiekers. Binnen het NTG stelt men dat dit ook te maken heeft met het onvoldoende kwaliteitsaanbod binnen het modern repertoire. Schrapt men daarom Botho Strauss’ Kalldewey, farce? Waagt men zich daarom niet aan Heiner Müller? Klassiek werk zou echter meer mogelijkheden bieden voor regisseurs om zowel op thematisch als op esthetisch vlak te experimenteren. Het voorbije seizoen werd die koerswijziging doorgezet met als opvallende innovatie het aantrekken van nieuwe regisseurs. Het zijn elementen die erop wijzen dat er binnen het NTG een onderzoek naar nieuwe mogelijkheden aan gang is. Er wordt al eens afstand genomen van de vertrouwde naturalistische speelstijl (Oom Wanja), scenografische elementen schragen een regieconcept (Dantons Dood); er is een grondiger dramaturgische lezing van teksten (Door de Liefde verrast) en natuurlijk de confrontatie met die andere regisseurs. Vanzelfsprekend mikken niet alle producties recht in de roos (de museumvoorstelling van De Vader, het maakwerk van Claus (Blindeman) maar de artistieke risico’s die men geregeld neemt verdienen krediet.

Het komend seizoen kan weer enkele aangename verrassingen in petto houden: de creatie van Divinos Palabras in een regie van José Carlos Plaza? Het familiespektakel Peter Pan als ongewoon initiatief? Lars Noren, Demonen à la Herman Gilis? Maeterlinck geregisseerd door de ex-Rus Jonas Jurasas? Of weten vertrouwde NTG-auteurs als Feydeau of Molière toch weer te inspireren? Veel vraagtekens, weer nieuwe namen: het volwassen NTG laat ook volgend seizoen de voorspelbaarheid aan de al lang op rust gestelde collega’s van KNS en KVS.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 12 — 15 minuten

#84

15.12.2002

14.03.2003

Alex Mallems