‘De opdracht’, Kaaitheater / H. Sorgeloos

Leestijd 7 — 10 minuten

De Opdracht

theatrale kaalslag

Jan Ritsema maakt van een moeilijke, veelgelaagde Müllertekst een transparante, spannend-speelse voorstelling. Maar hij had verder kunnen gaan, aldus Luk Van den Dries.

In tegenstelling tot wat weervoorspellers geloofden, is Heiner Müllers werk niet ineengestort met de val van de muur en de ondergang van het communistische systeem. De Hamlet-machine heeft geen baard gekregen, Medea geen rimpels, De Opdracht is niet passé. Integendeel. In de huidige wereld waarin bestaande grenzen gescheurd worden en oude wonden weer branden, verwerven Müllers teksten nieuwe kracht en betekenis. Eens te meer blijkt dat het geen gebruiksteksten zijn die na consumptie weggegooid kunnen worden. Het is dan ook niet toevallig dat stukken uit zijn oeuvre die voordien tot de Osti-categorie gerekend werden, nu juist wel gespeeld worden in onze contreien: Traktor, Zement, Germania TodinBerlin, e.a. Ontdaan van de politieke couleur locale waarin ze tot nog toe gesitueerd werden, zijn hierin nu de dieperliggende vragen leesbaar waarmee Müller de geschiedenis (en die reikt voor hem zelfs verder dan het ontstaan van de mensheid, ze omspant de hele cosmos) te lijf gaat.

Horst Domdey’s poging (zie Toneel Theatraal jg. 113, nr. 2) om de politieke positie van Müller te meten met de culpabiliserende blik van een Stasi-archief-onderzoeker, valt dan ook faliekant uit. Het is nogal dunnetjes te beweren dat Müller door vast te houden aan de grootsheid van het socialistisch project ‘voorziet in de door de Stasi en justitie gewekte legitimeringsbehoefte’. Potsierlijk wordt het om Müller tot ‘de grote held van de Duitse kritiek op de beschaving en daarmee tot de graalbewaker van de vijandschap jegens ‘het westen’ ‘ uit te roepen. In het jachtseizoen op politiek wild dat in het Nieuwe Duitsland geopend werd, wordt Müller aangeschoten met passages uit teksten die juist mikken op de opheffing van dergelijke binaire opvattingen als vriend en vijand, held en verrader, Oost en West, juist en fout. Het oeuvre van Müller is een volgehouden poging om grote begrippen als beschaving en revolutie te onttakelen, te ontmantelen om de paradoxale krachten die eronder werkzaam zijn bloot te leggen. Als bewaker van wat dan ook is Müller dus slecht geplaatst: zijn vestzak verbergt een messcherpe pen waarvoor geen enkel monument veilig is.

Patina

Theater is utopie, zegt Müller, en dat houdt onder meer in dat zijn teksten zich niet storen aan politieke normen en ideologische grenzen. Dat doen ze literair-historisch al niet door die volstrekt unieke vermenging van een dialectisch-historische én een mythische inslag. Brechts visie op de veranderbaarheid van mens en wereld en de toonbaarheid daarvan op theater, en Artauds nadruk op het theater als purgeermiddel van archetypische oerdriften, verlenen Müllers werk die zeldzame patina: bloed en zweet van het individu gestold in de stuwing van de geschiedenis. In die constante, onoplosbare tegenstelling tussen het verlangen naar individueel genot en het geluk van het collectief, schrijft Heiner Müller zijn traject in het leesspoor van Lautréamont en Baudelaire, Shakespeare en Brecht, Eliot en Koltès, en de vele naamloze anderen.

Met dit universele conflict tussen individu en gemeenschap varieert Muller steeds weer zijn stukken, door andere invalshoeken te kiezen, of andere accenten te leggen. In Philoktet v.b. vormt de Trojaanse oorlog het decor waarin pragmaticus Odysseus de verstoten Philoktet met zijn onfeilbare boog poogt te overhalen zich opnieuw ten dienste van de Grieken te stellen. In Traktor is het naoorlogse Oost-Duitsland het terrein waar zich een verscheurend conflict afspeelt tussen de vraag om een vermijnd veld te ploegen en de keuze voor het vege lijf: een been of een zak aardappelen. In De Opdracht vormen de naweeën van de Franse Revolutie de achtergrond voor de vraag naar het aandeel van de enkeling in de strijd voor meer vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid. Het stuk, geschreven in 1979, heeft een vrij eenvoudige fabel: in opdracht van de Franse Revolutie, vertegenwoordigd in de persoon van Antoine, exporteren drie gezanten de revolutionaire ideeën naar Jamaica. Hun arbeid bestaat erin een opstand onder de zwarte slaven te ontketenen tegen de blanke kolonialen. Terwijl ze deze opdracht uitvoeren, krijgen ze bericht, dat als gevolg van de gebeurentissen van de 18de Brumaire in Parijs, Napoleon aan de macht gekomen is en de opdracht terug ingetrokken werd. Leider Debuisson, zoon van een plantagehouder, verzaakt aan de opdracht, en stort zich in zijn individueel genot. Galloudec en de zwarte Sasportas strijden voort en betalen de vergeefse opstand met de dood.

De opbouw en verwerking van de stof houdt zich echter niet aan de presentatie van dit verhaaltje. Net als bij Brecht is het Muller niet om de individuele anecdotiek te doen, maar om de behandeling van een probleemstelling die in zijn herkenbaarheid blijvend geldig is. Om de aandacht van de toeschouwer niet te zeer te laten afleiden door de afwikkeling van een plot, toont Muller al meteen de uitkomst, niet door een verteller, maar door het opdragen van een” brief. En nog veel sterker dan bij leermeester Brecht wordt de fabel verder uiteengereten in verschillende standpunten, historische verdiepingen, tussengeschoven metaforische teksten en commentaar. Kaleidoscopisch verdraait Muller steeds weer het perspectief tot je de veelkantigheid van het thema gezien hebt, en/ of gedesoriënteerd raakt. Want hij maakt het je bepaald niet makkelijk door zomaar van Parijs, naar Jamaica en Peru te switchen; van herinnering naar vertelling en vice versa; van verleden, heden naar toekomst; van Danton en Robespierre naar de man in de lift. En in deze tijdsmachine citeert Muller nog eens de halve wereldliteratuur. De ingewikkelde dramaturgische constructie ze is niet zomaar fragment-air, maar als diafragma’s in mekaar geschoven krijgt navolging op het vlak van de thematische densiteit: in het kielzog van het hoofdthema opdracht en verraad, sleept Muller ook nog allerhande andere motieven aan, zoals de status van de Derde Wereld, de nietigheid van de mens in de tijd en het landschap, de vraag naar de verhouding tussen identiteit en masker, mannelijke en vrouwelijke sexualiteit, enz. In de taal weerspiegelt deze gelaagdheid zich in een meerstemmigheid die af en toe plat en banaal klinkt, dan weer verdicht poëtisch, droog Kafkaiaans, of beladen surreëel.

Het is de kracht van Muller om vertrekkend van een eenvoudige plot en via allerlei moeilijke constructies, gevaarlijk slingerende bochten, hoog stapelwerk, intertekstuele verdiepingen en duizelingwekkende afgronden, terug uit te komen bij de eenvoud: de materialiteit van de woorden, de scherpte van een dialoog, de zinnelijkheid van het schrijven, de zindering van de humor, de verpletterende schoonheid van het landschap: ‘Debuisson greep terug op de laatste herinnering die hem nog niet verlaten had: een zandstorm voor Las Palmas, krekels kwamen met het zand mee het schip op en begeleidden de reis over de Atlantische Oceaan. Debuisson dook in elkaar voor de zandstorm, wreef zich het zand uit de ogen, hield zijn oren dicht voor het gezang van de krekels. Toen wierp het verraad zich op hem als een hemel, het geluk der schaamlippen een morgenrood.’

Kaalslag

Het is die achterliggende eenvoud die Jan Ritsema in zijn regie van dit stuk voor het Kaaitheater opgezocht heeft. Hij doet geen enkele poging om de gelaagdheid af te pellen, om de densiteit te doorgronden, om de intertekstualeit aan te geven, om iets van tijd en plaats te verbeelden of zelfs maar te suggereren, om het spel van de maskers te laten zien of om de structuur van het drama bloot te leggen. Hij kiest voor de kaalslag van een lezing waarbij de regisseur als oplettend luisteraar toekijkt en vragen stelt, maar nooit ingrijpt of iets oplegt. Hij schetst en geeft contouren aan, maar kleurt niet in, vult niet in, dikt niet aan. Dat doet hij in de eerste plaats door voor een extreme afschraping van de theatrale middelen te opteren. Het theater wordt ontvleesd om het skelet van een tekst te tonen. Zelden zag ik een grotere beperking van de middelen: de acteurs verschijnen in de toevallige kleding van de dag, belichting beperkt zich tot wat neonverlichting, en het decor bestaat uit niet meer dan een tafel en een paar stoelen: een repetitieruimte waar de acteurs het publiek uitnodigen tot wat op het eerste gezicht niet meer lijkt dan een lezing. De nulgraad van theater.

Of toch bijna. Want Ritsema doet toch een aantal ingrepen. Zoals de keuze voor drie acteurs die de hele tekst vertolken, inclusief alle nevenintriges, scheuren en breuken, echo’s en contraststemmen. Er is geen duidelijke afbakening tussen acteur en roltekst zodat het vaak niet meteen duidelijk is wie welk personage speelt. Op het eerste niveau heeft dat als resultaat dat de tekst veel meer komt bovendrijven en je aandacht toegespitst wordt op de zegging zelf: de taalhandeling wordt niet besloten in een figuur, wordt niet ingekapseld in een personagebeeld. Krijgt wel klemtonen, accenten en wordt al sprekend behandeld, zodat een betekenis hoorbaar wordt, die echter nooit begraven wordt in de psychologie van een rol. De tekst gaat op die manier aangenaam dansen tussen acteurs en publiek in. Op een tweede niveau duidt een dergelijke tekst- en rolbenadering ook op de multiperspectiviteit van het stuk: de standpunten van Debuisson, Galloudec en Sasportas worden niet als aparte stellingnamen tegenover mekaar geplaatst. Het idealisme van de ene wordt niet afgezet tegen het verraad van de andere. Het conflict wordt eerder opengespeeld in schuivende schakeringen dan in botsende belangen. De antithese wordt overwonnen door een eindeloze spiegeling van mogelijkheden.

Een tweede ingreep is levensgroot op de achterwand te zien: een camera volgt de acteurs in hun doen en laten en projecteert de beelden op een groot scherm: gezichten, details van armen en benen, een houding, een blik. Af en toe houdt de camera voor een poosje het beeld vast, om even te verstillen, als een rustpauze. De camera verdubbelt de voorstelling in een opgeblazen beeld. Maar weerkaatst ze ook zodat ze onontkoombaar tot de realiteit van deze ruimte en dit moment zal behoren. De referenties aan een verre Napoleontische tijd, aan een communistisch verleden vervluchtigen ten opzichte van de plaatsbepaling van toeschouwers en acteurs in het heden. Hoe staat het met jouw verraad, jouw leven, jouw lust?

De Opdracht is op die manier een heel open tekstlezing geworden. Met grote acteurs, Dirk Roofthooft, Bea Rouffart en Dries Wieme, die aangenaam en voortdurend spannend-speels aanwezig zijn in en doorheen de teksten van Müller. Met tekens die in de nulgraad van het theater een eigen kracht en schoonheid verwerven: een zakdoek, een behaaglijk achterste, een blik, een gebaar.

Maar de opvoering wil ook niet meer zijn en dat is het zwaktebod, dan een uitnodiging tot lectuur. De geënsceneerde lezing biedt de tekst aan, die door de concentratie van de lectuur verrassend helder gaat klinken, maar doet ook niet meer dan dat. De theatrale verwerking krijgt naar mijn smaak daarbij te weinig eigen kracht. Vaart te weinig op eigen vermogen. Verwerft geen autonomie. Blijft louter doorgeefluik voor een alleszins spannende tekst. En valt daardoor terug op een eigenlijk zeer klassieke dienstbaarheidsopvatting van het theater, waarbij enkel de aanbiedingsvorm door de strakke vormbeheersing eigentijds oogt. Het lijkt alsof men is blijven haperen bij een fase in het repetitieproces: het voor zichzelf proberen de tekst zin per zin te begrijpen, en dat zo simpel mogelijk, zonder gedoe, trachten te vertalen aan anderen. Vanuit die helderheid die in de tekstbehandeling gegroeid is, vanuit de openheid die men tot de taal in acht neemt, en de ongecompliceerdheid die de acteurs verwerven, was het spannender geweest om een stap verder te zetten in de eigen theatrale beheersing van de tekst; om een theatrale confrontatie aan te gaan die zoekt naar en vertrouwt op het eigen expressievermogen. Een opvoering die zich beperkt tot het aanreiken van een tekst is mij te schraal. Thuis, met een goed glas wijn en muziek van Pavarotti, gaat die ook helder klinken.

 

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#37

15.04.1992

14.07.1992

Luk Van den Dries

Luk Van den Dries is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en redacteur van Etcetera. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringsgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen en is gespecialiseerd in het naoorlogse Vlaamse theater.

 

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!