Beath Fäh

Leestijd 18 — 21 minuten

De Oceaansurfer door Beath Fäh

Een stuk voor jongeren vanaf 12 jaar en voor volwassenen

vertaling: Jan Walravens

Personage

De surfer. Een oudere man met een reusachtige walrussnor. Híj draagt een rioolarbeidersbroek, werkhandschoenen en een groene zuidwester.

Plaats

Een groen aquarium, een werkplaats. Er staat een reusachtige gesloten gereedschapskist op twee autobanden gevijzeld. Een ligstoel Een platenspeler. Een tuinhek. Door een plastieken repoussoir is de ruimte van de toeschouwers afgesloten,

(De surfer ligt in de gereedschapskist en stoot een strijdkreet uit)

Stormwaarschuwing nummer 7: 3… 2… 1… Af.

(Hij vliegt uit de gereedschapskist en zet een grote parasol open. Hij drukt af)

14,2.

(Woedend rijt hij een gat in het plastiek en spreekt tot de toeschouwers.)

Weet u wel wat dat betekent, 14,2 sekonden? 3,7 sekonden teveel.

M’n record is 10,5. Daarom moet elke handgreep juist zitten, blindelings, feilloos. Als ik ook maar één foutje maak, bij de eerste de beste windstoot.. ffft… weg zeil. Drie, twee, een, af.

(Hij voert een basistraining uit: het openen van de

gereedschapskist en het hijsen van het zeil).

En van je één… en van je twee… en van je één… en van je twee…

(Hooggeconcentreerd voor zich uit blazend als een beroepsatleet stapt hij weer in.)

Het is haalbaar.

(Zorgvuldig sluit hij de gereedschapskist) Stormwaarschuwing nummer 8: 3.,. 2… 1… Af, (Hij vliegt eruit en vestigt een nieuw record) 9,9.

(De topatleet krijgt applaus van de menigte, daarna geeft hij een interview.)

Ik heb er eigenlijk nooit aan getwijfeld dat zoiets mogelijk is, maar nu… 10 sekonden, dat is de geluidsmuur. 9,9; dit is het mooiste moment van m*n leven. Dank u.

(Hij schrijft in zijn notitieboekje.)

Stormwaarschuwing, 9,9 sekonden. De eerste keer onder de 10 sekonden. Nu zou ik kunnen instappen en vertrekken. Te allen tijde.

(Hij gaat aan boord van de gereedschapskist en vaart uit Muziek: “La Forza del Destino”. Licht: “Op zee” Ma de fanfare weer de oude belichting: “In de werkplaats”)

Al de mensen staan op het strand. Radio, teevee, koperblazers. Misschien schrijft iemand ooit wel eens een opera over mijn reis: Een man zeilt in een gereedschapskist over zee. Helemaal alleen. Dat zou toch een goed onderwerp zijn,

(Hij rijt een groter gat in het plastiek en spreekt tot de toeschouwers. De muziek ondersteunt zijn visioen.)

Beeld u zich het volgende in: De opera, feeststemming, de kristallen luchters worden gedoofd, applaus voor de dirigent: ouverture, doek.

(Hij scheurt het plastiekdoek stuk.)

Op het toneel staan jonge, slanke meisjes, danseressen, een hele bende. Links. De mannen rechts. Mooie kostuums. Allemaal zeedieren, kreeftjes, krabben, garnalen, sponsjes, mosselen, slakjes, zeesterren, inktvissen, sidderroggen, zilvervissen…

(Hij schildert het publiek kort de mannenkant.)

Ginder: algen, kwallen enzovoort. Al die slijmtoestanden, weet u wel. Die turnen nu allemaal door elkaar, huppelen op een haar na langs elkaar heen. Ze maken allerlei bewegingen. Verschillende. Altijd weer nieuwe. Mooi, niet? Nu gaat er op de achtergrond een sluis open. Het koor komt op: bas, de blauwe walvis, tenor, alt, de haai, de inktvis, sopraan, de kogelvis,

(Hij neemt de grammofoonplaat van de platendraaier.)

Dan komt er een wondermooi zeepaardje uit het water, zingt en vertelt hoe we elkaar ontmoet hebben. Daarvoor is maar één rolverdeling denkbaar. Zeepaard: Maria Calias, sopraan. Ik zou elke repetitie bijwonen en haar van de zee vertellen. Helemaal op het eind van de opera hoort een heuse parade: reuzedecors, confetti, vaandels, koperblazers.

(Hij ontwaakt uit zijn droom.)

Steeds hetzelfde liedje. Ik ben nog niet zo ver. Verder.

(Hij steekt zijn hoofd in de emmer water. Maria

Calias zingt: “Nabucco. 2de bedrijf. Anch’io

dischiuso un giorno.”

“Dikwijls droomde ik in zoet gesluimer

van een zalig vervlogen tijd

waar ver van alle kommer

de zaligste uren mij toelachten.”

Na 40 sekonden heft hij zijn hoofd huiten adem uit

het water.)

Dat is slecht. Telkens als ik overmoedig word, krijg ik pech, Eerst vervagen de getallen… Hoeveel emmers water blijven er over… Het bord wordt een weide… en ik zie weer dingen… altijd met muziek… Een mammoet hupt in drie sprongen over het voetbalveld… ta… ta… taa… drie sprongen… driesprong… Trein gemist. Je

mag nu eenmaal nooit opgeven.

(Hij kijkt nog eens op de chronometer.)

Dat is slecht.

(Als straf klapt hij het deksel van de kist op z’n vingers dicht Hij praat met fn g?oen pak dat op de ligstoel hangt.)

leder die wat bereiken wil, moet daar doorheen. Als ‘t aan jou lag, stond ik hoogstens in de tuin te wroeten of bonen te kweken. Zoals vroeger onze buurvrouw.

(Hij schudt wild met z’n jas.)

Ik wil niet als onze buurvrouw zijn: zij mag jarenlang mest staan mengen, daarover schrijft niemand een opera.

(Woedend gooit hij de jas over de schouders.)

Vooral niks wagen, altijd bescheiden blijven… zelfs een slang trekt d’r jas uit als die gaat spannen.

(Hij trekt de jas aan.)

Vroeger moest ik in dit pak trainen. Rotgevoel. Ik bedoel, dit vel is echt, Manchester… goeie kwaliteit,., maar om te trainen stoort het.,, bij elke stap. U herinnert zich zeker ook uw schooltijd nog. Natuurlijk. Mij lachten ze uit omwille van m’n oren. Elke ochtend stond ik voor de spiegel en dacht: ik ben geen vleermuis, ik ben zorro. Krachtdadig probeerde ik dan naar school te gaan. Met turnpantoffels zou die truuk zeker gewerkt hebben. Maar ik moest natuurlijk altijd die belachelijke sandalen aantrekken, met riempjes. Bij elke stap piepten die sandalen: Zorro? Zweefvlieger, vleermuis, zweefvlieger, vleermuis.

(Zijn oren worden eindeloos groot)

Zo waren m’n oren en ik ben een vleermuis.

(Muziek: ‘La Traviata” het speeldoosthema. Hij gooit de jas weer op de ligstoel.)

Die tijd is voorbij.

(Trots bekijkt hij zijn “rioolarbeidersbroek”. Hij zet zijn zuidwester goed.)

Een goed koetswerk is belangrijker dan je denkt.

(Het pak schijnt hem de toeschouwers te doen opmerken.)

Mij is ‘t om ‘t even. Moeten ze toch over het hek heen kijken. Maakt mij niets uit. Nu zal je eens wat meemaken: ik blijf gewoon zitten.

(Hij gaat zitten en wacht Hij stopt de tijd tot het voor de toeschouwers vervelend wordt)

Zie je, ze weten niet meer wat te doen, mensen zoals ik hebben ze nodig. Ze zijn op ons aangewezen. Als niemand een record vestigt, dan loopt er niks. Lege kranten – 30 bladzijden, allemaal wit. Radio of teevee moet je niet meer aanzetten, alleen een flauw geruis. Om de twee uur verschijnt een juffrouw die zegt dat er niks gebeurd is, dan weer flauw geruis.

(Hij maakt zich een zoutwaterdrankje.)

Na verloop van tijd zie je ook haar niet meer. Zo een zeurkous als jij hebben jullie gezegd, ze

wil zich gewoon gewichtig voordoen.

(Hij neemt een slok. Hij huivert ervan.)

Ja lach maar. ‘t Is afschuwelijk, ik krimp er helemaal van ineen. Maar dat is dan ook de bedoeling van de training.

(Nadenkend bekijkt hij het zoute water.)

Niet te geloven dat vissen in dit brouwsel kunnen

leven.

(Hij kijkt naar het publiek)

Bij vissen weet je nooit of ze wat denken. Ik weet helemaal niet of ze ene moer zien door die smurrie. Misschien is hen dat om het even. Ik denk dat mijn werk hen koud laat. Al deed ik hier de meest ongelooflijke dingen, om het even wat… met één hand op de slurf van een olifant, of… met 40 rauwe eieren jongleren, dan zou hen dat nog niet beroeren. Ze zwemmen gewoon, de hele dag lang. Soms doet er eens eentje z’n mond open en dicht. Dan zie je kleine blaasjes. Ze hebben het hele jaar door vakantie. Ze dobberen er zo maar wat op los.

(Hij zet de platenspeler op. Muziek: Het preludium van Nabucco, 2de bedrijf “Anch’io dischiuso un giorno”. Hij heeft zijn koptelefoon opgezet, de muziek is in de zaal te horen. Bij de aanhef van Maria Calias’ stem doet hij de koptelefoon af het gezang kan nu alleen nog door de koptelefoon gehoord worden.)

Is zij geen wonderbaarlijke vrouw? Gelukkig is ze geen vis of er kwam niks uit.

(Hij zet de koptelefoon weer op. Men kan de muziek horen door de luidsprekers in de zaai)

Wat een prestatie, is het niet gek dat wij zoveel kunnen en de vissen niet?

(Hij doet de koptelefoon weer af De muziek komt nu alleen nog door de koptelefoon.)

Dat is geen toeval. Lang geleden heeft iemand zich een week lang in de werkplaats opgesloten. Hij heeft ook het een en het ander voor mekaar gekregen: een mooie tuin, palmen, bergmeren, bergen enzovoort. Helemaal op ‘t einde deed hij nog een paar experimenten. Hij beschikte over nauwelijks meer materiaal dan een emmer water, een roestig blik, een paar eieren en wat pleister. Als we ‘t hadden kunnen zien, zouden we gezegd hebben: die is niet goed snik,

(Triomfantelijk slaat hij zich op de benen.)

Jaaa… Maar kijk nu toch eens: een hoop water, ijzer, eiwit, kalk, veel meer is het niet. Het had natuurlijk ook een vis kunnen zijn. Op de ochtend van de zevende dag gooide hij zijn materiaal in een hoekje en wou naar huis. “Waf, waf, waf” klonk het plots uit de hoek. Daar zat een piepkleine teckel die hem met trouwe oogjes aankeek. Toen dacht de grote baas: “Ja, als het zo makkelijk is zo een leuk beestje te scheppen, dan werk ik nog wat verder.” Hij keilde zijn materiaal verder door de werkplaats en tegen de avond aan stond het hele boeltje vol.

(Hij doet talloze dierkreten na. Hij geeft zich over aan een achtervolging tussen kat en hond.)

Honderden dieren.

(Hij zet de koptelefoon weer op. Men hoort de muziek in de zaal)

U en ik en ook die daar, net dezelfde mengeling als al die dieren. Een emmer water, een roestig blik, een paar eieren en wat pleister.

(Hij doet de koptelefoon weer af)

Dezelfde mengeling, maar bij ons ging hij nog een stapje verder. Gelukkig, anders waren wij

ook…

(Hij doet na hoe vissen hun luchtblaasjes laten opstijgen en probeert verder zijn verhaal te doen,)

Tegen de avond doet hij de deur naar de tuin open en laat het ene dier na het andere buiten. Allemaal worden ze nog eens onderzocht. De volgende… de volgende… Je ziet er uit als een

gans.

(Hij geeft haar een lange hak en lange benen.)

Na de struisvogel wil een naakt wezen achter zijn rug naar buiten glippen. Hij kan het nog net bij de oren grijpen en zegt: “Halt, zo iaat ik je niet gaan.” “Hoezo?” “Ik kan je toch zo niet laten gaan, zonder vel of niks.” “Laat me toch begaan, voor mij is ‘t goed zo.” “Je moet niet denken dat je zo af bent, zonder vel, zonder vleugels, zonder vinnen.” Hij spande het wezen tussen zijn bankschroef en begon druk aan diens hersenen te werken. Ergens0… Ik denk dat hij ergens iets beeft ingebouwd. Toen sprak de grote baas: “Daarmee sla je je overal doorheen. Wat mij betreft, mag je nu de tuin in, maar je moet iets

(Hij sluit de gereedschapskist) Stormwaarschuwing nummer 9: 3… 2… 1… Af, (Hij blijft net onder de beste tijd.)

(Hij klapt het deksel van de gereedschapskist op z’n vingers dicht)

Ben half uur geleden was dit nog een record

geweest.

(Gefrustreerd gaat hij in de ligstoel zitten. Hij

naar huis, We gingen ook ongeveer samen naar huis, zij aan de ene kant van de straat, ik aan de andere kant, natuurlijk altijd een beetje achterop. Ik heb immers nog nooit een meter gehaald.

(Hij neemt een meter uit de kleine gereedschapskist)

Ik trainde in de tuin,

(Hij wijst hoe groot hij was als elfjarige.)

Dat ben ik. Dat is mijn meter en tien. En dat is mijn record. Ik moet nog 30 centimeter hoger. 30 centimeter tegen volgende dinsdag.

presteren. En let voor míj op de dieren.” Het wezen had nog maar net de hielen gelicht of het maakte een elegante turnbroek uit een luipaard. Het riep nog na: “Je zult nog staan kijken wat ik allemaal klaarstoom,” Toen begon het wezen te trainen,

(Hij trekt zijn surfhandschoenen aan en maakt zich Maar voor de training.)

Met de tijd werd het almaar sneller, vloog het almaar hoger en maakte talloze doelpunten,

(Hij zet de platenspeler af)

En het is alsmaar mooier gaan zingen. Ja, dat is nog eens een prestatie.

(Hij stapt in de gereedschapskist)

Maria… die kon dat ook niet van bij het begin. Tot aan deze plaat stroomden er emmers tranen. Toonladder op en af, elke dag, van ‘s morgens tot ‘s avonds, keihard. Als de grote baas eens wist wat we vandaag de dag allemaal klaarstomen, hij zou staan kijken.

bekijkt de grammofoonplaat.) Die Maria toch…

(Hij neemt de plaat en draait ze om.)

Nu wou ik graag de B-kant eens horen. Zou me zeker verbazen.

(Hij weerstaat aan de verleiding en legt de plaat terug)

Er zijn natuurlijk mensen die de paashaas gulzig opvreten. Ik ben iemand die de oren bijhoudt. Als kleine jongen al. Dagenlang, wekenlang, m’n record is een half jaar. Ik brak altijd zijn oren eraf en verstopte die ergens. Soms moet men zich iets ontzeggen, later loont dat. Naar de B-kant heb ik nog nooit geluisterd. Eertijds, toen ik het record oren-bijhouden vestigde, kwam ik ook wel eens in de verleiding, Bijna, Het was voor de sportdag op school. Ik trainde in de tuin. Een meisje sprong een meter en tien, hoogspringen. Een meisje, een meter en tien. Ze was ook heel aardig. We moesten ongeveer langs dezelfde weg

(Muziek: het speeldoosthema uit “La Traviata”.)

De buurvrouw zit in dc appelboom. ïn het gras ligt een lange bamboestok. Met een klein leren handje. Daarmee plukken ze de appelen dte te hoog hangen. Misschien lukt het met dc polsstok.

(Hij neemt de aanloop van een polsstokspringer.)

Dinsdag springen we allebei een meter en tien. Als enigen. Dan gaan we samen naar huis. Naast elkaar. Misschien maken we wel een omweg.

(De meter klapt dicht)

Natuurlijk brak de stok in tweeën. Die dag had ik graag mijn oren opgegeten. Toch heb ik het niet gedaan. Met de B-kant is het net zo als met de oren van chokola.

(Liefdevol maakt hij de plaat schoon.)

Ik weet het, die dingen kan je niet vergelijken. Maar misschien bevalt je muziek hen niet zo goed…

(Het pak onderbreekt.) Hou op,

(Hij praat weer tot de plaat.)

… niet zo goed als mij, Daarom dacht ik, ik leg het uit met chocola. Met een paashaas.

(Het pak stoort weer.)

Hou op,.. Met een paashaas is iedereen blij.

(Het pak wordt steeds onbeschaamder.)

Dat is toch dom geklets. Jij moet me weer belachelijk maken, ik ben toch niet…

(Woedend keert hij zich tot het publiek.)

Ik zie er toch niet uit alsof ik verliefd ben. Eén briefje heb ik in haar schooltas gestopt. Eén brief heb ik haar geschreven. Eén gewoon, ik wou alleen maar een koffietje met haar drinken. Ze heeft zelfs niet geantwoord. Telkens heb ik een envelop mee opgestuurd, met m’n adres erop en een postzegel. Ze kent me zelfs niet.

(Vastberaden legt hij zijn eed af.)

Op een mooie dag zitten wij samen op een terrasje, drinken een koffie en ik betaal de rekening.

(Weer vat hij zijn training aan. Zorgvuldig dompelt hij de hengel in de emmer met water. Hij laat zich weer afleiden.)

Vele jaren geleden heb ik in een tijdschrift een interessant artikel gelezen.

(Hij wijst naar de platenspeler en spreekt stilletjes tot het publiek.)

Zij daar is verliefd geworden. Op een rijke Griek, met veel schepen, Op dezelfde bladzijde, met foto’s, een stukje over Sherpa Tensing, Die beklom de hoogste berg. 8.848 meter. Helemaal te voet. Allebei in hetzelfde tijdschrift. Allebei met foto’s. Beroemd moet je worden, dan gaan alle deuren voor je open. Die Sherpa kijkt Maria aan en kan de koffie zo bestellen. Het is de prestatie die telt. We hebben allemaal dezelfde samenstelling, leder van ons kan de krant halen, in het Book of Records staat er een die het veel makkelijker heeft. Zeven keer is bij hem de bliksem ingeslagen. Die moest niet trainen, die moest gewoon buiten gaan staan en… vlam… de bliksem sloeg in. Éénmaal in z’n grote teen, rechts, éénmaal in z’n haar, éénmaal in z’n pruik, enzovoort. Dat zou ook een mooie opera zijn.

(Hij neuriet zachtjes voor zich uit.)

Vlam. Aaaaaaah. Vlam. Aaaaaaah. Vlam. Aaaaaaah.

(Verward wordt hij zich van het publiek bewust)

Nu ja… Op zoveel geluk mag je niet rekenen. Ik heb dat boek stukgelezen. Ik ken elk record uit het hoofd. De grootste ritssluiting: 632 meter, 119007 nylontandjes. Gemaakt door de firma Riri. Ik heb me afgevraagd wat ik zou kunnen: zingen kan ik niet, bergbeklimmen ook niet, hoogspringen helemaal niet, de bliksem is nog nooit ingeslagen, dus zwem ik naar Amerika, over de oceaan. Je krijgt het nu eenmaal niet in je schoot geworpen.

(Hij glijdt in een binnenband.)

Eerst probeer ik het met deze band.

(Hij neemt de kleine gereedschapskist)

Gereedschap heb ik ook nodig. Je weet maar nooit.

(Demonstratief toont hij de kleine gereedschapskist.)

Ik heb het begrepen: Ik bouw zo een schip. Dat heeft nog niemand gedaan. Iemand heeft me gezegd: Het zou toch wat groter moeten zijn; 300 meter lang, 50 meter breed en 30 meter diep.

(Hij keert zich tot de toeschouwers,)

Kunt u zich dat voorstellen; 300 meter? Dat is

toch je reinste waanzin.

(Trots toont hij de grote gereedschapskist)

Nee, nee, alleen het hoogstnoodzakelijke. Ruimte voor de bemanning. Ruimte voor het zeil en voor het proviand. Zo een kist kan iedereen

maken.

(Hij gaat op in een visioen)

Een mooie zomeravond, windkracht drie. Talloze families bij een bergmeer. Vrouwen, piknikmanden, de kinderen zijn blij. De mannen zitten op het water. Elk in hun eigen gereedschapskist. Zeilen in alle mogelijke kleuren. Ze houden een wedstrijd, ze zweten zich te pletter en hebben dolle pret. Allemaal raken ze hun stress kwijt. Er is één beginneling bij. Hij zwemt vooral. Maar hij beleeft ook veel pret, allemaal geven ze hem goeie raad,

(Mistroostig snijdt hij een ander onderwerp aan.)

Maar deze idee blijft voorlopig onder ons. Ik wil niet dat het mij vergaat zoals die van de ritssluiting. Die heeft zijn uitvinding ook aan iedereen getoond, beeft alles uitgelegd. Hoog… Laag… Allen hebben ze hem uitgelachen. Tot Meneer Riri kwam. Die heeft stiekem aantekeningen gemaakt. Tel thuis uw ritssluitingen maar eens, dan weet u meteen hoeveel Meneer Riri verdient. Hij is nu een beroemd man, die andere kent niemand. Dat zal mij niet overkomen. Maar het is opletten geblazen. Reeds velen hebben een record gevestigd, zonder dat iemand het heeft gezien. Dal geldt niet. Daarom ga ik ook maar tot Amerika en niet helemaal rond. Dat zou toch geen mens geloven. Dat is toch evident. Beeld u zich even in: een cirkustent, paardevijgen, popcorn. Snapt u? Clown op.

(Hij ‘speelt’ die scène)

Reuzensandalen, een hoedje op de kale kop.

(Hij zet de zuidwester af.)

Dit is een zakdoek. De clown steekt de zakdoek in z’n rechterzak en tovert hem weer te voorschijn aan de andere kant, in de linkerzak, Dan geeft hij te kennen dat het nummer nog niet ten einde is en tovert de zakdoek weer terug. Dat is toch verdacht. De zakdoek was nooit aan de andere kant. Daarom zeil ik niet helemaal rond de wereld.

(Hij heeft zich verward in zijn voorbeeld)

Ik geef nog een ander voorbeeld. Deze emmer water staat nu daar. En nu reist hij eenmaal de wereld rond.

(Hij laat de emmer water een keer om zich heen draaien.)

En komt weer precies hier uit.

(Hij zei de emmer weer neer.)

Als ik nu even niet heb opgelet, beweer ik toch dat die emmer nooit weg Ís geweest.

(Hij zet de emmer over het hek.)

Daarom vaar ik maar tot Amerika. Zo ziet iedereen wat ik gedaan heb.

(Hij klimt in zijn boot Hij draagt nog steeds dé autoband om z’n middel ‘Hij sluit de gereedschapskist. Andere lichtstand: “Op zee”. Muziek: “Atilla”. Hij probeert in een recordtijd het zeil te hijsen.)

Stormwaarschuwing nummer 10: 3… 2… 1.. Af.

(Hij blijft met de autoband in de boot steken.)

Daar heb ik geen rekening mee gehouden,

(Hij probeert zich los te werken. Dat lukt niet)

Het zeil zou toch geen nut hebben. Er staat immers geen wind. Geen wind. Hoe raak ik weer

thuis?

(Hij zinkt weg in een herinnering.)

Waarom moest ik m’n kop ook door de trapleuning steken? Nu moet ik wachten tot vader met de zaag komt. Ik ga nooit meer naar huis terug. Waarschijnlijk drijf ik hier in mijn eigen doodkist. Voor eeuwig,

(Hij probeert het deksel van 4e gereedschapskist op zijn vingers dicht te klappert Ook dat lukt niet.

Ik kan zelfs het deksel niet meer op mijn vingers slaan. Ik had toch nog zo graag de B-kant gehoord, Dat zou een feest zijn geweest. Waarom moest ik me ook zo vermannen?

(De muziek wordt luider, hij raakt steeds meer vertwijfeld. Hij schreeuwt tegen de hemd.)

Waarom heeft hij ons niet gewoon laten lopen, zoals de dieren? Wat moest hij in onze hersenen zitten sleutelen? Prestatie, prestatie. Daarmee sla je je overal doorheen…

(Hij brult tegen de golven.)

Eén ding weet ik zeker: als ik het hier levend vanaf breng… als ik weer thuis ben… het eerste wat ik doe… is naar de B-kant luisteren,

(De lichtsfeer verandert naar “in de werkplaats” Hij stapt uit en gaat uitgeput in de ligstoel zitten. De muziek is gedaan.)

Nu blijf ik hier zitten en luister naar de muziek. Dat zou toch genoeg moeten zijn. Een kraanvogel eet en danst. Eet, slaapt en danst. Ik laat mijn baard staan. Vijf meter drieëndertig is het record. Dat kan ik ook.

(Hij spreekt zachtjes tot de grammofoonplaat.)

‘s Winters sla ik mijn baard om je nek. We moeten opletten voor je stem. Ik laat vanaf nu mijn baard staan. Dat is ook een mooie opera.

(Hij zingt hoe de stoppels doorkomen, hoe de baard tot op zijn schoenen groeit en in de werkplaats rondwoekert. Zijn blik valt op de gereedschapskist. Hij staat op en klapt het deksel op zijn vingers.)

Steeds hetzelfde liedje. Alles zit ’em nu in het hoofd. Een zoo vol toestanden. Je durft niet te kijken. Volhouden.

(Hij gaat in de ligstoel zitten en hengelt Hij probeert zich te concentreren. De toeschouwers leiden hem af.)

Wilt u meedoen. Ik hengel in deze emmer. Maar in deze emmer zit geen vis. Nu wacht ik tot er een bijt. Nee, nee, u heeft geen hengel nodig. Wacht gewoon tot er een tram voorbijkomt Dat komt op hetzelfde neer. Neemt u toch lijn

(Hij traint verder, dan bekijkt hij een toeschouwer.)

Nee, dat mag niet. U mag niet denken dat hier geen vis zit, geen rails liggen. Als u maar blijft geen vis zit, geen rails liggen. Als u maar blijft denken dat u hier niet voorbijrijdt dan bijten ze nooit. U ontneemt zich elke hoop.

(Hij wijst op zijn pak.)

Zo iemand vestigt nooit een record. Hij draagt het hele jaar door pantoffels en verzamelt autogrammen, maar zelf voetballen… nooit…

(Het pak praat mei hem.)

Wat, wie wil er opgeven?

(De vraag is pijnlijk Hij probeert ze te ontwijken.)

Is de tram al voorbijgekomen? Doorwerken.

(Het pak laat niet af)

Mijn baard laten groeien…

(Hij stopt het pak in een vuilniszak)

Een ding beloof ik je: de confettiparade is het volgende wat je te zien krijgt,

(Hij knoopt de vuilniszak dicht en houdt hem naar het publiek)

Zo iemand kan je in een team niet gebruiken.

(Hij gooit de vuilsniszak in de gereedschapskist)

Zo, nu de stormwaarschuwing nog, een reeks van tien,

(Hij neemt het zeil uit de gereedschapskist)

Probeert u het toch nog eens een keer met de tramlijn. Bij voorbeeld op een zondag, als het

regent. U wacht op lijn negen. Als iemand stoort neemt u de vuilniszak,

(Hij toont trots zijn recordboekje.)

9,9 zou ook u plezier doen. Ik ken iemand, een collega van op het werk, die dertien rauwe eieren in een sekonde naar binnen werkt. Of 21 hamburgers in tien minuten, of honderd meter spaghetti in 21 sekonden. Die heeft ook hard gewerkt.

(Hij wordt erg nadenkend.)

Als kleine jongen had ik de hele dag vrij.

Urenlang zat ik onder de kerseboom en had… mijn dingetjes.

(Hij kijkt naar het zeil.)

Dat is nu de kerseboom.

(Hij kijkt naar zijn T-shirt.)

En daar stond een meikever op geschilderd.

(Hij wijst een hoogte aan van 90 centimeter.)

En dat was ik.

(Hij zit op zijn gereedschapskist.)

De avondzon schijnt door de boom. De vogels fluiten, de buurvrouw zoekt in de tuin naar de hark en vaak rijdt een auto voorbij.

(Muziek: het speeldoosthema uit “La Traviata”. Hij zit daar onbeweeglijk)

Ik doe helemaal niets. Zit daar maar te zitten en ben blij.

(Het speeldoosthema loopt een beetje uit de maat af. Hij aanschouwt zijn recordboekje, dan bekijkt hij het zeil)

Dat is geen kerseboom meer. Ik ben er nog, maar niet meer blij.

(Hij wijst naar het zeil)

Dat is vader,

(Hij wijst op het recordboekje.) En dat is mijn schoolrapport.

(Hij springt op, vol energie.)

Zo, nu laat ik zien wie ik ben. Wind? Ik ben klaar, ik heb alles getraind, Stormwaarschuwing 9,9 sekonden. Wind, waar ben je? Nu trotseer ik de duivel,

(Muziek- “Un Ballo in Maschera”. Hij danst een winddans.)

Dit stelt nog niks voor. Vooruit, meer wind,

(De wind steekt op. Muziek: “La Forza del Destino.” Licht: “Op zee.”)

Zo is het goed, ja.

(Euforisch stapt hij in de gereedschapskist en zeilt uit Hij is gelukkig. Het schiet goed op.)

Dit is toch geen wind, dit is een briesje. Zet de ramen open. Nu komt het. Amerika, knip de confetti maar, ik kom eraan. Meer wind, meer vaart.

(Mij neemt de vuilniszak waarin hij liet pak opgesloten heeft.)

Kijk dat maar eens aan.

(Elegant glijdt hij over het water.)

Nu kan je vliegen, het heeft allemaal geloond.

(Zijn vaart wordt steeds sneller.)

Nu toon ik wat ik kan. Ik heb alles onder controle. Ik ben de kapitein.

(Mij laat zich gaan in een roes.)

Hé, stoker, meer stoom, jij lafaard!

(In de verte hoort hij dondergerommel. Er steekt een storm op. Hij ziet de wolkenbank en verstijft. Het zeil wordt bijna uk zijn handen gerukt.)

Neeeeen. Stormwaarschuwing. Geen probleem.

(Be vuilniszak zit onbeweeglijk op de reling.)

Stormwaarschuwing. Ga toch aan boord.

(Omwille van de windbuien is hij lang met het zeil slaap. Uiteindelijk zit het in de gereedschapskist. Vol angst verstopt hij zich en sluit het deksel. Storm en muziek zijn gedaan. Bleekjes komt hij weer boven water en gluurt voorzichtig over de rand.

Muziek: het speeldoosthema uit “La Traviata” op trage, ijzige toon.)

Ik weet al wat me te doen staat. Stormwaarschuwing.

(Bevend hijst hij het zeil en klampt zich vast aan de vuilniszak)

Een ijsberg zou voor mij geen enkel gevaar betekenen. Ze hebben het alleen op grote schepen gemunt.

(Hij praat met het pak in de vuilniszak)

Mijn schip… is toch veel te klein. Ze zien me hopelijk zelfs niet. Vind je ook niet?

(Het pak antwoordt niet.)

Zeg toch eens wat!

(Hij maakt de vuilniszak open.)

Help me dan toch!

(Koortsig gooit hij de broek rond zijn nek en trekt de jas aan.)

Nee. We moeten niet bang zijn. De ijsbergen doen ons geen kwaad.

(Hij trekt de jas nauwsluitend aan.)

We hebben aan alles gedacht. Voor de kerseboom is helaas geen plaats, En wat zou de buurvrouw aan het uitspoken zijn?

(Er wordt op de gereedschapskist geklopt.)

Stilte. Wat wil ze nu?

(Er wordt weer geklopt. Licht op de groen-wit gestreepte ligstoel)

Een zebra.

(De zebra spreekt)

Nee, het spijt me, Er is niet genoeg plaats. Met de beste wil van de wereld niet. Nee, nee, we moeten het zelfs niet proberen. Zoiets zie ik op

(De zebra dringt aan.)

Noë, nee.

(De zebra legt er zich bij neer.)

Probeert u misschien eens bij een ander. Het spijt me.

(De zebra verdwijnt.)

Noë. Dat is toch die met dat reusachtige schip. Zo om en bij de driehonderd meter… 300 meter lang, 50 meter breed… dat heb ik toch nog al eens ergens gehoord.

(Hij roept tegen de golven.)

Hallo, zebra, zebra,.. Wie heeft ze naar me toe…

(Een reuzengekakel gefladder en gekraai vangt aan. De hele ruimte raakt vol met dieren. Ze kijken hem met gloeiende ogen aan en krijsen door elkaar. Het is nacht. Hij probeert zich met een zaklantaarn te oriënteren.)

Wat?… Wíe?… Hè?… Ik?„.

(De dieren smeken hem.)

Bij mij?… Ik heb het toch al tegen de zebra gezegd. Waarom willen jullie bij mij aan boord? Ik weet van niks. Waar is de zebra.

(De dieren geven het niet op.)

Ik, op jullie letten? Wie heeft dat gezegd? De grote baas? Dat is mijn taak toch niet. Natuurlijk zorg ik alleen maar voor mezelf. Sherpa zou jullie ook niet meegenomen hebben. Zo een reuzeschip zou ik nooit kunnen bouwen. Mijn werkplaats zou veel te klein zijn. Bouw zelf een schip.

(De dieren blijven smeken.)

Er kan geen sprake van zijn. Zo dicht bij m’n doel. Dat laat ik jullie niet verknoeien. Ik heb een taak. Regen? Hoe lang?

(Het is doodstil, alleen oplichtende dierenogen.)

Jullie moeten me niet zo verwijtend aanstaren.

(In de verte doemt een schip op. De dieren zwijgen geboeid. Het schip komt steeds naderbij. Het heeft de toeschouwers aan boord. Muziek het hoornthema uit Verdi’s “Requiem”.)

Ga daar toch naartoe. Dat is een reuzeschip. Daar is zeker plaats. Het zijn aardige mensen. Zij letten wel op jullie. Zij doen dat graag. Zij hebben de tijd,

(Hij stapt naar het schip toe, naar de toeschouwers.)

Hallo, er zijn hier een paar dieren. Hebben jullie nog plaats? Het is dringend, zeggen ze. Het gaat regenen.

(Het schip vaart voorbij. Langs de reling staat een koor te zingen.)

Luister toch naar me. Iemand moet zich toch over de dieren ontfermen.

(Als een wolf huilt hij het schip na. Vertwijfeld wenkt hij met de zaklantaarn. De dieren worden alsmaar opdringeriger. Hij slaat wild om zich heen.)

Jullie hebben het toch gehoord: Niks, geen plaats! Ik heb alles geprobeerd. Laat me met rust. Ik moet naar Amerika. Verdwijn vieze beesten en neem jullie vuiligheid mee,

(Jankend verdwijnen de dieren. Hij is alleen. Muziek: “I Vespri Siciliani.)

Waarom hebben ze uitgerekend mij uitgekozen?

(Licht: “de werkplaats”. Verward stapt hij uit de gereedschapskist.)

Misschien heb ik zo een sensatie gemist. Dat kon ik toch niet weten, dat ze allemaal zouden meewillen. Noë… Misschien ben ik ook een van diegenen die… vlam… gewoon geluk hebben, misschien had ik helemaal niet moeten trainen. Noë was zeker ook geen kei in hoogspringen. Dat zou een mooie toestand zijn: ik met mijn reuzekist vol dieren en alle families zitten op het Strand en kijken toe. Hoe zou dat wel klinken?

(Listig bekijkt hij zijn groen-witte ligstoel.)

Dat was een zebra. Het zou gaan regenen en er zou een zee rijzen.

(Hij overschouwt zijn werkplaats.)

Dat was mijn zoo.

(Hij schuift de ligstoel dichter bij het klapstoeltje waar de platendraaier op staat.)

“van elk twee…

(Hij zei de kleine gereedschapskist op de grote gereedschapskist, dan neemt hij de grammofoonplaat)

Ik heb wel geluk. Ik ben de kapitein…

(Muziek: het openingsdeel uit de aria “Ritorna vincitor’ uit Aida. Vertwijfeld klapt hij het deksel van de gereedschapkist op zijn vingers. De muziek breekt af Het licht gaaf uit.)

(Einde)

theatertekst
Leestijd 18 — 21 minuten

Beath Fäh

theatertekst