Minister Karel Poma – Foto Herman Sorgeloos

Paul De Bruyne

Leestijd 6 — 9 minuten

De nieuwe raad van advies

Poma’s no nonsence club

Wie is de nieuwe Raad van Advies en wat zijn haar doelstellingen? Pol De Bruyne wou de individuele leden voor een interview strikken, maar botste op de geheimhouding van het advies. Tussen de vingers door liet voorzitter Piet Jaspaert zich het volgende ontvallen.

Toen de nieuwe Raad van Advies voor Toneel (RAT) op 26 maart 1984 voor het eerst bijeenkwam had Karel Poma, bevoegd minister, een waarschuwing en een opdracht klaar.

“Achtbare raadsleden, we moeten realistisch blijven! … Wil dus niet, zoals ooit uw voorgangers, bij het maken van criteria of verdeelschalen de budgetten overschrijden. (…) Uw taak, geachte dames en heren, is het toneeldecreet te herdenken en te herzien, het daarbij zeker meer ‘rationeel’ te maken om elk negatief automatisme er uit te bannen en er eerlijke morele verplichtingen in te bouwen voor eventuele gegadigden. Tevens rekenen we op een reeks noodzakelijke uitvoeringsbesluiten die de toegang tot en de werking van het acteursberoep zouden regelen.”

Een eerste peiling bij de leden van de RAT leert dat Poma’s woorden niet in dorre grond zijn gevallen. De adviseurs lijken zich meer dan bewust van het belang van hun taak. De voorzitter van de club, Piet Jaspaert, zegt ernstig: “Dit is een zinvolle opdracht en een boeiende uitdaging.” Met een ongekende ijver is de RAT na 26 maart aan het vergaderen gegaan om “te werken ten gunste van het theaterlandschap. Vanuit een diepe liefde en bekommernis voor het theater.”

Je voelt met je ellebogen dat dit een No Nonsense club is die zich niet zal uitputten in utopische spielereien, maar binnen de opgelegde grenzen zijn plicht zal doen.

Samenstelling

In talloze gesprekken heeft Poma fors uitgehaald naar de vorige RAT. En daar heeft hij zonder meer gelijk in. De vorige club had de ‘belangenbehartiging’ te hoog in het banier ingeschreven. Vooral de 7 leden verbonden met een decreetgroep beschermden (bijna) exclusief de eigen winkel. De 5 (relatief) onafhankelijke deskundigen in de vorige RAT hebben dat kruideniersgedrag niet kunnen breken, indien ze dat al zouden hebben gewild.

De nieuwe adviescommissie lijkt op het eerste gezicht inderdaad samengesteld vanuit een bredere basis.

Uit de culturele centra
Piet Jaspaert (CVP/Hasselt/voorzitter), Eric Antonis (CVF/Turnhout)

Uit de decreetgroepen
Walter Groener (SP/Fakkelholding), Hilde Uitterlinden (SP/ TNS), Rene Verreth (CVP/MMT), Jaak Van de Velde (PVV/Arena).

Uit de scholen
Fons Goris (PVV/directeur Studio H. Teirlinck), Kris Yserbyt (VU/docente Conservatorium)

De ‘onafhankelijke’ deskundigen
Paul Eele (CVP/directeur cultuur provincie Antwerpen en dus broodheer RVT), Hugo Meert (PVV/journalist Het Laatste Nieuws/ondervoorzitter), Marcel Van Spaandonck (SP/Raad van Beheer NTG/prof afrikanistiek RUG), Willy Thomas (CVP/prof literatuur KULAK), Boudewijn Van der Plaatse (VU/feraar/amateurtoneelfreak).

Naar verluidt zijn deze namen bij elkaar geraakt na, zelfs voor Belgische politieke zeden, uitzonderlijk heftig gelobby vanuit de politieke partijen, culturele groeperingen en vakbonden. Iedereen neemt blijkbaar de mogelijkheid ernstig dat de theaterkaarten inderdaad ernstig zullen worden herschud.

Dat de belangengroepen zo nauw hebben toegekeken op de samenstelling van de RAT is natuurlijk niet prettig voor wie meent dat in theaterland ‘een algemeen belang’ kan spelen dat niet bestaat uit een optelsom van particuliere (sociale) belangen maar dat gedefinieerd wordt vanuit theater-immanente factoren. Maar goed, in Vlaanderen zit men aan het Cultuurpact vast. De dertien leden hebben dus allen politieke kleur bekend.

Toch leeft binnen de RAT de overtuiging dat goed werk kan worden geleverd omdat iedereen zich boven zijn privé-belangen zal kunnen verheffen. En ook Poma heeft die overtuiging uitgesproken: “Het pluralisme is in uw schoot verzekerd, dat wil zeggen dat alle visies en opties, alle wensen en plannen daardoor bespreekbaar zijn, vanuit technische, politieke, artistieke en wetenschappelijke hoek.”

Duiding

Het is natuurlijk aardig van Poma te beweren dat “het pluralisme verzekerd en alles bespreekbaar is”. En niemand hoeft eraan te twijfelen dat Jaspaert en co “vanuit een diepe liefde voor het theater” zullen handelen. Maar het is evenzeer duidelijk dat deze RAT scherpe beperkingen van visie in zich draagt (onafhankelijk van de politieke bril).

Dit is een club uit het theaterestablishment: niemand behoort uitgesproken tot een jong of tot een avant-gardemilieu (wie van deze commissie kent het Jong Theater in Vlaanderen?); directeuren en professoren (maar niet van theater) nemen de honneurs waar; de culturele centra behoren tot de gevestigde soort (waar zijn Stuc, De Hoop, …?); de decreet-groepen leveren de helft van de vertegenwoordigers.

De overeenkomsten met de vorige RAT zijn groter dan vermoed. Zijn er weer bij: Fakkel, MMT, NTG, RVT, INS. Zal de kruideniersmentaliteit nu overwonnen worden?

Wie er niet bij zijn: jeugdtoneel, theatertechnici, free lancers, projectgroepen (om toch maar eens van het vertegenwoordigende standpunt uit te gaan).

Niemand van dit gezelschap heeft zich al onderscheiden door duidelijke analyses van het huidige en het noodzakelijke theaterbeleid. (Geen twee mensen van dit gezelschap overzien zelfs maar oppervlakkig het hele Vlaamse professionele theaterland.)

Dat Jaspaert voorzitter is, wijst op de wens van de minister dat de beheerdersoptiek naar voren komt.

Kortom, de onafhankelijkheid en deskundigheid van de RAT liggen niet bij voorbaat vast. Wat (voorlopig) niet wil zeggen dat de sterke wil tot actie en sanering niet tot aanvaardbare daden zal leiden.

Te verwachten

Omdat het in een klein landje als Vlaanderen eigenlijk nauwelijks mogelijk is een volledig ‘onafhankelijke en deskundige’ commissie voor toneel samen te stellen mag men in principe niet te hard het belang overschatten van de structurele banden die mensen met belanghebbenden (als de theatergroepen) hebben. Maar precies vanwege die bijna noodzakelijke banden moeten de leden van de RAT zo open mogelijk zijn in hun argumentatie over de theaterhervorming. Alleen een openbare discussie, waar bijvoorbeeld verschillende herstructureringsvoorstellen open en bloot op tafel liggen, geeft de mogelijkheid de val van de geheime gebondenheid te ontlopen. Hoe anders kunnen bijvoorbeeld een Uitterlinden, Verreth of Groener niet eerst aan de eigen groep denken ? Men verlangt van die mensen toch niet dat zij heilig zijn en automatisch meedenken over de hele problematiek liever dan de eigen belangen te bewaken.

Precies om die openbaarheid mee te helpen ontstaan wou Etcetera van elk lid van de RAT weten wat de hoofdlijnen van zijn handelen in de RAT zouden zijn. Om dan de discussies in de RAT op hun onpartijdigheid en ‘liefde voor het theater’ te kunnen beoordelen. Het heeft niet mogen zijn. de RAT heeft zich beroepen op het oude huishoudelijke reglement van de commissie en de discussie geheim verklaard. Zo komen de wegen van roddel en vriendjespolitiek natuurlijk vlakbij. De doorzichtigheid van het staatsapparaat is ook hier niet voor vandaag. Officieuze gesprekken met de commissieleden geven wel enig vermoeden volgens welke lijnen de huidige situatie zal worden herdacht.

Voor de seizoenen ’84-’85 en ’85-’86 streeft men naar een sanering. De enkele groepen die financieel in de put zitten moeten òf verdwijnen òf binnen heel korte termijn uit het rood zijn. (Voor concrete gegevens, zie het redactioneel.)

Op termijn zal de RAT het aantal gezelschappen verminderen en daarbij zullen principes als ‘profijt’ en ‘goed management’ een hoofdrol spelen ; het decretenland herschikken in minder verschillende categorieën; eisen dat groepen en projecten duidelijke doelstellingen formuleren die na een periode (van b.v. 3 jaar) zullen worden getoetst; pogen jonge theatermakers af en toe in de zittende groepen te laten werken, in de hoop de nieuwe onafhankelijke initiatieven in te dijken; héél voorzichtig pleiten voor meer geld van de overheid (wat ze niet zullen krijgen); pleiten voor contacten met sponsors die belastingvermindering zullen krijgen.

De RAT zal dus technisch denken (en nuttige dingen doen). Het valt echter niet te verwachten dat artistieke criteria (hoe vaag ook gedefinieerd) een grote rol zullen spelen in het debat. Niemand zal bijvoorbeeld zeggen dat het MMT of TIL of KVS theater maken voor het vrije circuit. Niemand zal van gesubsidieerde gezelschappen eisen dat ze een gespannen verhouding met publiek en maatschappelijke normen moeten nastreven. Niemand zal zeggen dat projecten evenveel financies moeten krijgen als zittende groepen.

Filosofische diepgang zal deze No Nonsense RAT wellicht ook niet bereiken. Daarin overigens voorgegaan door hun minister, die op de eerste zitting van de RAT het volgende diepzinnige en vloeiende Nederlands over zijn lippen kreeg:

«Uw werktijd is beperkt en de opgave niet licht. U beschikt over bijna vier jaar, maar op 31 december 1987 valt het doek onherroepelijk. Hopelijk krijgt u dan een gul applaus van de theatermensen, het publiek, en van de hele Vlaamse Gemeenschap. Spijts de vele inspanningen in elke samenleving, in verband met de menselijke relaties, of bij politieke contacten, bij uitstraling van kunst en zeker ook in de wereld van het toneel, besef ik dat die lijn tussen initiatief en respons, die streep van het voetlicht, soms moeilijk te overschrijden is. Toneel is nu eenmaal een aangelegenheid waarbij de hele maatschappij betrokken is, en die daardoor steeds iets van de oorspronkelijke religieuze, initiële waarde heeft behouden. Maar zoals het z.g. kerkelijk religieuze leven door de versnippering en het individualistische messianisme verwatert en uiteenvalt, zo dreigen ook andere oorspronkelijk cohesie bevorderende” levensvormen via een druk op de fameuze fatale rode knop, een totaal desintegratie-proces op gang te zullen brengen. Onze hele kunst en cultuur is, van bevrijding tot bevrijding, langs verlichting en vernieuwing om, beland bij het absolute individualisme; individualisme dat niet meer ten dienste staat van de gemeenschap maar individualisme dat alleen zelfverheerlijking beoogt, en daardoor agressief en destructief wordt. Tegen dit soort toestanden heeft het toneel in het verleden vaak corrigerend en helend gewerkt. Maar ook daar zijn thans (naar mijn gevoel) tekenen van ontbinding te bespeuren.»

Paul De Bruyne

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#7

15.07.1984

14.10.1984

Paul De Bruyne