R. Avedon, William Casby, Born a Slave, 1963

Tone Brulin

Leestijd 59 — 62 minuten

De Nacht van de Brandende Apen

Tone Brulin

Dit stuk werd gespeeld in het seizoen 1989 -1990 door ‘De Nieuw Amsterdam’ in de Stadschouwburg te Amsterdam en in de marmeren zaal van de dierentuin te Antwerpen. De regisseur was Rufus Collins, de acteur Paul Bérénos. De gesproken tekst geeft voldoende aanleiding om er personages aan toe te voegen en de produktie visueel boeiend te maken zonder toevoeging van aanwijzingen die de vlotheid bij het lezen storen.

1880. Een kamer in het Sint Elisabeth Gasthuis te Antwerpen Joseph Möller, alias Zwarte Jef of Jefke van Zoölogie ligt op sterven.

(Hij zingt) Mijn ouders zijn gemarteld/ Mijn zusters zijn verkracht/Mijn broeders omgekomen/ de stam was uitgeroeid/ ons vee werd dan verzopen/ Het dorp totaal verbrand/ Met meer dan twintig jongens werd ik daarna gepakt/(Hij spreekt) Lang zal het niet meer duren. Geen kou meer. Zou Oscar dit ook hebben gevoeld? Geen adem meer. Vandaag hoorde ik: “De rode pillen zullen niet helpen.” Natuurlijk. Ook de witte niet.

Nooit komen ze er achter.

Zo min als achter de oorzaken van Oscars dood. De doktoren lopen binnen en buiten. Ze maken aantekeningen. Ze zeggen: “Dat is een speciaal geval. Het zou wel nuttig zijn om te weten hoe we zo iemand moeten behandelen.” Zou de directie van de Zoo mij vervangen? Wel, het zal niet gemakkelijk zijn. De tijden veranderen. Het is vandaag de dag niet meer mogelijk om een ‘negerjong’cadeau te krijgen. Of is er niets veranderd? De wetten zijn strenger al worden zij niet toegepast. De arabieren kopen nog steeds afrikaanse kinderen. Maar zo’n risico kan de Zoo nu niet meer nemen.

Daarom verdwijnt straks het enig en uniek zwart Jefke uit de Scheldestad. (Pauze. Hij kijkt op de commode).

Wat is dat? Een. sigaar? Kijk eens aan. Zou mijn dochter die hebben gebracht? Wat lief. En een Havanna nog wel.

(Hij strijkt een lucifer aan en paft moeizaam, maar toch met veel genot. Kijkt dan schichtig rond). Wat zei ik ook weer? O ja.. Dat Jefke er straks niet meer zal zijn. (Lacht).

Daar moeten de Sinjoren aan wennen. Er verdwijnt zoveel de laatste jaren: gebouwen, pleinen, bomen, mensen. Morgen om negen uur stappen de eerste bezoekers naar binnen en merken dat hun tickets niet zoals gewoonlijk door Zwarte Jef worden afgescheurd. Het zal ze verrassen. Want ik was een vaste waarde geworden. Zoals Brabo op de Grote Markt. “Wat is er gebeurd?”

“Hij is dood”, zal de nieuwe portier antwoorden. “O, ja? Wat jammer”, hoor ik de bezoeker zeggen. “We waren zo gewend aan zijn aanwezigheid. Hij hoorde er nu eenmaal bij. We hebben het nooit anders geweten.” Een andere verduidelijkt:

“Als je hem lang genoeg kende merkte je niet eens meer dat hij zwart was.” Nog een andere:

“Dat is waar. Voor mij was hij net als iedereen…

als je weet wat ik bedoel. Na een tijd bestond er

geen verschil meer. Is dat niet vreemd? Doe je

ogen dicht, luister naar zijn spraak en je raadt

nooit van waar hij komt.”

“Ja, het was onze Jef.”

“Het verlies is onherstelbaar.”

Hij is echt niet te vervangen!”

(Pauze. Denken).

“Ik weet het wel. Een beetje geluk hoort erbij. En veel geduld. De meeste papegaaien praten als je er lang genoeg mee bezig bent. Sommigen verrekken het. Hondjes leren snel hun vuil buitenshuis doen.”

“Het moet mee willen.”

“Suggereer het de directie. Misschien is het te

proberen.”

(Pauze. Hij paft).

Zullen ze me een standbeeld geven? (Pauze)

Dit is een lekkere sigaar. (Pauze)

Ik zal het haar zeggen. (Hij hoest).

Slecht voor de gezondheid? Onzin! (Pauze)

Ik zal dus uit het stadsbeeld verdwijnen maar ze zullen er nooit achter komen waarom. (Paft. Hij lacht).

“Komt zien! Komt zien! Jefke wordt begraven!” De stoet gaat te voet door de stad. Bergen bloemtuilen! Kronen! Mijn lijkbaar wordt door mijn collega’s op de schouders gedragen. Er ontstaat een grote toeloop. Want het is geen notabel van de stad, meneer, geen belangrijk heer, madam, maar een simpel ‘zwart manneke’ van de Kongo, ene Yoko Yamah, die christelijk werd gedoopt in de kerk van Sint Willebordus en de fatsoenlijke naam van Jozef Möller kreeg, die hij overigens ten volle verdiende, jawel, madam. (Paft)

Jozef Möller. Hé was ik dat? Ik schrok toen ik hem in de spiegel zag. De dames en heren stichters van de Zoo waren nieuwsgierig. Ze glimlachten. Gaven me klapjes op het hoofd. En snoepjes. Eerst flink wassen jongen. Daarna omkleden. En goed oppassen. Rechtstaan. Niet gaan zitten en knielen als men het je zegt. En nazeggen. Dat kan je toch? Nazeggen wat men je voorzegt? “Wees gegroet Maria vol van gratie.” En dan kreeg Yoko een klets water op zijn hoofd. En op slag werd hij Jozef Möller. Een wonder!

“Hé boy, ben je niet blij met je nieuwe naam?” “Dat ik geloven, meneer Kets!” “Een nieuwe naam en een nieuw pak.” Een nieuw leven als geschenk. Het betekende, dat ‘de goegemeente’ me had geaccepteerd. Wat was ik blij, dat ik geen Yoko meer hoefde te zijn! Hoe fier, dat ik gelijkwaardig was geworden. En beklagen deed ik die achter gebleven sukkels van het verre continent, gedoemd tot eeuwige onwetendheid. Was ik van een barbaars heiden geen beschaafd wereldburger geworden? Heeft kleur dan nog belang? Ik heb geleefd onder hen die weten en morgen de rest van de wereld wakker zullen schudden uit hun slaperige onwetenheid. Jozef Möller. Wat ben ik fier geweest op die naam. Ik heb hem zelf uit een lange lijst mogen kiezen.

“Jozef Möller, oppasser en portier van de Zoo. Geeft reden tot tevredenheid.” Zo stond het in een verslag. En wat was ik trots op het uniform, dat mijn aantrekkingskracht op de meisjes verdubbelde. De huidige directeur, meneer Vekemans, neef en opvolger van de eerste, meneer Kets, die dood is, heeft het nog luidop gezegd: “Er-is-niets-op-ons-Jefke-aan-te-merken.” “Jefke doet elk werk, dat hem wordt opgedragen nauwgezet en met liefde.

Het verscheuren van de kaartjes. Het verzorgen van de dieren.

Boerenkinkels, die op zondag niet behoorlijk gekleed de Zoo binnen willen laat hij rechtsomkeer maken. Nette heren, die zich misdragen door met hun wandelstokken de dieren te plagen om de dames van hun gezelschap te imponeren moeten

die onmiddellijk van hem in bewaring geven. En

op de dag dat hem werd gesignaleerd, dat leden

van de schuttersvereniging aan de overkant – in de

Ploegstraat – vanuit de ramen van hun lokaal de

exotische vogels als doelwit gebruiken, loopt hij er

woedend heen en dreigt met de politie.

(Hij lacht zelfgenoegzaam).

Ze doen met hem niet wat ze willen.

(Paft)

Goed gedaan, Jefke! Je houding krijgt waardering! Zowel van het bestuur als van het publiek.” (Pauze)

Waar liep het dan mis?

(Zingt) Aan hand en voet gebonden/ Heeft men mij weggesleept/

Met dreigen en met schoppen/ Werd ik als slaaf verkocht/ Aan Sala/ Die bewoonde/ Een rijk huis bij de zee/ Door koningen en keizers/Wordt deze man geëerd/ Maar door het volk van Ghana/ Wordt hij terecht gehaat/ Die Sala! Wat een varken. “Vooruit!” schreeuwde hij, “Trek je bakkes wijd open. Ik wil in die lelijke smoel van je kijken. Een,

twee, drie, vier… je boktanden heb je nog allemaal, maar waar zijn verdomme je snijtanden? Voor iedere tand, die je mist ben je een stuk minder waard! Schorum! Ik zal je leren je tanden te verzorgen.”

Hij schopte me gemeen.

“Je moet me helpen om die kisten verse groenten aan boord te brengen van het schip dat daar voor de kust ligt. Hahaha! Die lui durven niet aan wal komen. Ze denken dat we ze zullen besmetten. Natuurlijk, krijgen ze een druiper als ze onze wijven naaien. Maar dat is hun eigen schuld. Wat zeg jij er van schooier?”

Ik durfde geen geluid te maken, want ik wist dat hier regelmatig matrozen verdwenen. Daarom hield de bemanning van het schip zich op veilige afstand. Zelfs toen we de kisten aan boord brachten lieten ze zich niet zien. Zo bang waren ze. “Maak dat jullie weg komen, schurftige honden!”, riepen ze ons van ver toe. Bang waren ze om een ziekte van ons te krijgen die ze tot waanzin drijft. En wij dan? Wat moeten wij doen om ons tegen hen te beschermen? Het was een uitzinnige Sala, die de jongens tot wanhoop dreef. Een sprong

door het raam. Een ander hing zich op. Ik moest mijn hoofd koel houden. Omte overleven. We zaten opgesloten in het varkenshok en hielden ons muisstil om geen aandacht te trekken. Door de spleet tussen twee planken zagen we een sloep van het schip komen. Kapitein Meyers. Hij was groot en sterk. Sala omhelsde hem als een broer. (Hij zingt) De stoere kapitein Meijers/Van ‘t schip De Magelaan/ Die rond de wereld zeilde/ Zocht vogels voor de Zoo/ Hij kwam zijn vriend bezoeken/ Alleen des ‘s nachts per boot/ Zij dronken en zij speelden/ tezamen met de kaart/ (Hij spreekt)

“Sala verliest”, fluisterde een van mijn neven naast me.

“Straks zal het er stinken.”

“En die andere, die kapitein, propt zijn zakken vol

met geld. Hij wint terug van wat hij daar even voor

de verse groenten betaalde! Pas op!”

Sala was recht gesprongen en liep op ons hok toe.

Hij trok de deur open, greep me bij de haren en

sleurde me buiten.

“Kom hier, smeerlap, nu is het jouw beurt!” En tot Meyers:

“Hier heb je wat, Meyers, die hier zet ik in. Hij is de beste die ik heb. Je hele bezit tegen hem!” Ik moest naast hem op de grond gaan liggen en hij bond me vast aan zijn stoel. Ze speelden als bezetenen. Als gekken. Hier een ruiten tien. Daar een klaveren boer. Een aas. Nog een aas!… (Hij zingt) Tot ‘t ongeluk van Sala/ Ging diens geluksster uit/ Zodat hij heeft verloren/ Het hemd, dat hij aanhad/ En nog bleek het te weinig/ Om Meijers te voldoen/ Daarom vroeg die van Sala/ Yoko moet er bij/ De vogels krijg ik gratis/ Voeg hem er nog aan toe. (Hij speelt). Ruiten, klaveren, en vier maal een aas. Sala verloor nogmaals. Hij was razend en schopte me op zijn smerige manier naar kapitein Meyers toe.

“Hier. Pak hem. Neem hem mee. Ik wou, dat hij je ongeluk bracht, rotzak die je bent. Ik wou, dat je schip verging.”

En terwijl Sala vloekend naar binnen verdween bleef Kapitein Meyers lachend op de veranda achter.

“Hé, Sala, ik heb je bij je pietje, hé… Hahaha… Ik heb je bij je pietje …!”

Maar dan werd hij opeens stil, omdat zijn blik op me viel. Hij krabde in zijn haar en aarzelde. Wist niet wat te doen. En dan…

“Kom”, zei Meyers niet onvriendelijk. Hij nam mijn touwen trok me mee. Iets zei me dat ik gered was. Dat ik aan de hel van Sala was ontsnapt. Ik volgde heel gewillig.

“Tot volgend jaar, stomme kloot van een Sala!”, riep Meyers.

“Ik hoop, dat je tegen die tijd je verstand terug hebt ge vonden…Hahaha!…” En hij bracht me met zijn roeiboot aan boord van de Magelaan. (Hij zingt) Aanboord werd alles beter/Al was ik even ziek/ De zeelui waren nukkig/ Maar geeneen die mij sloeg/ ‘k mocht slapen bij de vogels/ Die ik te voeren gaf/ Op dek mocht ik niet komen/In ‘t ruim was plaats genoeg / En niemand, die mij stoorde/ Als ik niet lastig was/ (Hij spreekt) De matrozen begrepen er niets van. Ze wilden me vermoorden. “Dat rotjong zal ons geen geluk brengen, kapitein. Laat hem hier. Gooi hem in zee.” Maar Meyers gaf geen kik. Sloot me op. In het ruim. Bij de papegaaien. Het was er volslagen duister. Ik voelde wel beweging rond me. Maar het was eerst toen er een storm op stak, dat ik wist, dat ik bij de vogels zat. De kooien werden heen en weer geslingerd. De touwen braken. De kooien sloegen tegen de wanden van het ruim stuk. De vogels schreeuwden en vlogen langs mijn hoofd. Hun vleugels sloegen me in het gezicht. Ze vlogen zich te pletter. En crepeerden. Ik zelf werd doodziek van het schommelen en braakte. Met moeite kon ik mij vastgrijpen aan een van de kooien, maar de bange vogels pikten in mijn handen. Ik vond geen houvast en gleed uit over mijn eigen braaksel en de dode vogels. Toen het luik open ging en het daglicht naar binnen viel merkte ik de schade. Tientallen krengen lagen op de grond. De pluimen dwarrelden nog in de lucht en drongen in mijn keel. Ik moest hoesten. Iemand boven riep: “Eten!”

Men reikte me een kom aan met een hete brei. Ik zou om het even wat geslikt hebben. Propte uit gulzigheid mijn mond vol. Dat had ik niet moeten doen. Even later lag ik ziek tussen de pluimen, de kadavers en het spuugsel op mijn dood te wachten. Hadden de matrozen toch hun slag thuis gehaald door me te vergiftigen? Weer werd het luik geopend en ik hoorde de kalme stem van Meyers: “Haal hem naar boven. We moeten zorgen dat hij er fatsoenlijk uitziet.”

Ik kwam op het dek en er werden emmers water over me heen gegooid. Met een harde borstel, alsof ik een stuk hout was, werd ik afgeschrobt. De dode papegaaien werden in zee gegooid. Meyers keek ook naar mijn tanden en telde ze, net zoals Sala, maar toch minder brutaal. Ik kreeg een broek en een hemd en mocht nu in een kajuit op een matras liggen. Ik werd beter behandeld. Maar wat was het bitter koud. Mijn tanden klapperden. Ik rilde. Weldra begon mijn lichaam te schokken. Door een ruitje merkte ik glurende ogen en hoorde honend gelach. Dan verscheen Meyers weer met een deken.

“Hé, hou je recht, baasje. We zijn bijna ter bestemming.” Hij gaf me een kom met zoete pap. Voor het eerst kon ik glimlachen. Meyers ook. “Hier, neem die ouwe trui van me”, zei hij. De motoren lagen stil. Het schip lag gemeerd. “We zijn ter bestemming”, zei kapitein Meyers. (Hij zingt) Men gaf mij warme kleren/ En dekens op mijn bed/ Eens de dag gekomen/ Dat men het anker wierp/ Men toonde mij de toren/ Van Onze Lieve Vrouw/ (Hij spreekt) “Dit is mijn stad. Hier woon ik. Gedraag je goed. Ik wil niet over je te klagen hebben. Straks neem ik je met de vogels naar een plaats waar je kan blijven. Wees niet bang. Ze zullen je goed behandelen. Je zal er geen slaag krijgen.” (Pauze)

Wel, misschien gebruikte hij niet zoveel woorden. Misschien heeft hij helemaal niets gezegd. Ik weet het niet meer. Wat ik me nog wel herinner waren die witte vlokjes, die uit de lucht vielen. Ze smolten op je hand. En buiten op de kade was de grond bedekt met een groot wit deken van dezelfde stof, dat kraakte onder je stappen en onmiddellijk in een plas water veranderde. Ik werd nieuwsgierig bekeken. Groepen mannen en vrouwen dromden samen om mij te zien. Ik opende mijn mond om mijn tanden te laten keuren, maar ze dachten, dat ik wou bijten. Ze raakten me vlug aan om te zien of hun vinger niet zwart zou worden. Was het familie van Meyers? Zoveel? Was dit hun land? En die hoge stenen muren, als het fort aan zee.. Waren dat hun woningen? De kooien met de nog levende vogels werden op een kar geladen, hun aantal was flink geslonken. Meer dan de helft was omgekomen.

“Naar de Zoo?”, vroeg de baas van de kar. “Waar anders?”, hoorde ik Meyers lachen. Tot mij zei hij:

“Geef je ogen maar goed de kost, want zoveel pracht heb jij nog nooit gezien!” Pracht? Waar was die? Ik zag niets. Heel duidelijk. Veel vage bewegingen onder de grijze vacht, die de hemel afsloot. Waar was de zon? Ik voelde me zoals die dag, dat ik vruchten had gegeten, die te lang in de hitte hadden gelegen. Alles staat dan op zijn kop. Je kan het één niet van het ander onderscheiden. Niets kan je nog wat schelen. Ik voelde me als een dwerg in een grote pot. Er was veel te zien, beweerde Meyers. Maar ik hoorde alleen maar dreigend geroep en getier uit de verte. Zoals op de markt. En klingelen en kleine ontploffingen. Zoals in een slechte droom. Ik verloor het bewustzijn. (Pauze)

Ik kwam tot mezelf door gekrab in mijn gezicht. Het waren baboons. Ze behandelden mij als buit, die ze besprongen en nieuwsgierig onderzochten. Ze pulkten aan me om te zien of er geen stukken los kwamen. Het was een kleine kooi met wel vijf kwaadaardige baboons. Een vader, een moeder en drie kleine. Ze keken vol verwachting naar me. Toen de baas opnieuw op mij sprong en in mijn oog peukte liet ik een luide schreeuw. Haastig kwamen twee mannen toegelopen en verlosten me uit de kooi. De jongere man zei tegen de oude: “Omdat u er niet was en we niet wisten wat met hem te doen hebben we hem maar zolang bij de baboons gestopt, meneer Kets.” De man met de kaalkop zei: “Heeft Meyers geen boodschap achtergelaten?” “Nee, meneer Kets, hij heeft enkel de bestelling vogels gebracht. En deze hier was een toemaatje. Wat zullen we met hem doen?” “Laat het maar aan mij over …” Misschien niet in zoveel woorden, want ik verstond de taal toen nog niet, maar het was toch de zin van wat ik mij herinner. Even later werd ik in een kuip gestopt en schoongemaakt. Nu kreeg ik een lang wit kleed. En de man die Kets heette onderzocht me. Hij keek ook weer in mijn mond. Naar mijn tanden. Ik moest diep in en uit ademen.

Hij plaatste een buis op mijn borst en luisterde naar de geluiden binnen in mijn lichaam. “Waarschijnlijk zal ik straks verkocht worden”, dacht ik. Door het raam van zijn huis, waar ik nu was zag ik verschillende kooien met dieren. Niet alleen apen, maar ook stekelvarkens, zebra’s, antilopen en vele die ik nog nooit had gezien. Er kwamen mensen naar ze kijken. Waarschijnlijk om ze te kopen en op te eten. Ik kreeg een hok naast de woning van die meneer Kets. Hij bracht me voedsel en water om te drinken. Toen vroegen ze me om allerlei kleine dingen te doen zoals het verplaatsen van meubels en het opvegen van de vloer. Ze merkten dat ik het goed kon en gaven uiting aan hun tevredenheid door aanmoedigende klopjes op de rug. Zo leerde ik hun eerste woorden.

“Bravo” en “Goed zo.” Hier. Daar. Rechts en links. Nee. Ja. Niet doen. Oppakken. Neerzetten. Ja. Ze waren zo tevreden met me dat ze steeds moeilijkere dingen met me probeerden. Ook om te zien of ik iets uit eigen beweging kon uitvoeren… Ze waren ten zeerste ingenomen met het feit dat ik mijn mond afveegde na het eten, zoals ze me dat een keer hadden getoond. Ja, dat ik na enkele dagen op een stoel kon zitten en een vork gebruikte, in plaats van met mijn handen te eten. Zij wisten niet dat ik dit reeds van Sala had kunnen afkijken. Ik deed verschrikkelijk mijn best om uit de klauwen te blijven van iemand die me zou kopen. En het lukte. Wat een opluchting! Er kwam veel bezoek. Ik moest dan alles uitvoeren wat ik geleerd had. Het een na het ander. De heren en dames slaakten dan kreten van verbazing en complimenteerden mijn nieuwe baas. Waarschijnlijk omdat hij in zulke korte tijd zoveel resultaat had geboekt. Hij kreeg daardoor meer vertrouwen in me en stond me meer vrijheid toe, hoewel het me steeds ten strengste verboden werd de woning van meneer de directeur te verlaten. Want zo noemde iedereen meneer Kets.

Binnen kon ik gauw al heel wat doen. Bijvoorbeeld het eten serveren – onder het toezicht van een jaloerse ouwe meid, dat is waar – maar ik deed alles feilloos, gehoorzaamde aan de geringste wenk zonder me ooit te vergissen. Er was niets dat ik niet kon. Steeds voldeed ik aan de gestelde eisen. Kennelijk vlugger dan ze verwacht hadden. Na zes weken zei Meneer de directeur: “Kom met me mee. Ik zal je wat laten zien…” Hij nam me mee naar een grote werkplaats vol dode apen en vogels waar twee blanke jongetjes van mijn leeftijd de dieren vilden met scherpe lange messen en de ingewanden uittrokken. “Nee” schreeuwde ik en klampte me aan de deur vast. De kereltjes lachten. Meneer Kets ook. “Wees maar niet bang. Het is niet voor jou. Zij krijgen stro in hun buik.” Maar dat stelde me niet gerust en ik vroeg me af wat hun bedoelingen waren. Hij nam me mee naar een ruime zaal vol dode dieren. In het midden prijkte een prachtig wit paard. Misschien was het door de centrale positie die het innam omdat het vlak onder de glazen koepel was geplaatst, dat het zo de aandacht trok. Nog nooit had ik zoiets wits gezien. Het leek wel gemaakt van die vlokken die soms uit de lucht vielen en waarvan ik nu de naam wist: sneeuw. Het was koud. Wit. En het keek streng vanuit de hoogte op me neer. “Dood, meneer Kets?” Want ik had me toegelegd op het spreken van hun taal, wat me uitstekend lukte.

“Ja, morsdood.”

Het scheen hem verdriet te berokkenen. “Ze willen niet meer dat ik het doe. Dit wordt een zoo voor levende dieren, begrijp je, niet voor opgevulde.”

Kets had zich met de ogen vol extase weer naar het witte paard gekeerd…:

“Ha! Witte paarden zijn de spiegels van hun meesters, ze zijn hun trots. Hun glorie. Zij storten zich blindelings in de strijd. Zij gehoorzamen. Zij offeren zich op voor hun meester. Het zal in de hall van zijn paleis geplaatst worden om het aan zijn vrienden te tonen en dagelijks te bewonderen. Kan je me volgen, Yoko?” “Ja.. Wat mooi! En wit!”

“Sstt. Het spreekt, meneer Kets …(Stilte) Zegt naam van meester.” “Willem van Oranje?” “Ja.”

“En dat hij gevochten heeft in de Slag van Water-

loo?”

“Ja.”

“En dat hij Napoleon heeft verslagen bij Quatre

Bras?”

“Ja.”

“En dat hij gesneuveld is en de Prins, zijn meester,

mij heeft opgedragen hem op te vullen?”

“Ja. Dat hij allemaal zeggen.”

(Pauze. Kets lacht). “Je bent een slimme kerel!

Sluw is een beter woord.”

Luister, Yoko, vanaf morgen zal ik je leren lezen en schrijven. Daarna word je een christen. Zoals wij. Je wordt gedoopt. Mijn moeder, die een analfabete was, hoorde ook de dieren spreken. Dat komt door de behoefte naar kennis. Zodra je kan lezen en schrijven houdt het op. En het moet ophouden, versta je?” “Ja, meneer Kets.”

“Want dat is de bedoeling van deze Zoo… Aan het

publiek te tonen waar het dier eindigt en waar de

mens begint. Een mens kan spreken omdat hij

denkt. Een dier spreekt niet omdat het niet denkt.

Zo eenvoudig ligt dat.”

“Ja meneer Kets.”

(De gier verschijnt. Yoko schrikt).

“Help! Wat is dat?”

(Kets lacht).

“Haha! Daar ben je van geschrokken, hé? Van dat zwarte kreng. Geen mens, die zulk een misbaksel in zijn huis wil. (Pauze)

Herken je het? Het is ook met het schip van kapitein Meyers meegekomen.” “Het kan best, maar ik heb het nooit gezien. En nu is het dood? Opgevuld?”

De directeur gaf me een borstel voor hij weg ging en zei nog “Ze worden straks allen naar de kelder gebracht. Geef ze een flinke afstofbeurt…” Hij liet me alleen met de opgevulde dieren. Het paard vond zich blijkbaar te goed om nog wat tegen me te zeggen. Maar de gier was babbelziek. “Hé”, schreeuwde hij met zijn rauwe, schraperige stem, “Ik was er bij. Ik heb alles gezien!” “Zo”, hield ik mij wantrouwig terug, “En wat dan wel?” Zijn ogen schoten vonken. “De vernieling van je dorp.”

Ik dacht dat ik door de grond ging. Ik wilde niet horen hoe mijn moeder, vader en zuster werden gedood. Maar hardnekkig dat die dieren zijn. Als ze eenmaal beet hebben laten ze je niet los. Ze rukken aan je gevoelens zoals aan je vlees. Tot ze

beetje bij beetje loskomen. En het doet pijn als het scheurt. Maar daar geven ze niet om. “Ik zat op een hoge tak en zag hoe de mannen met een hakbijl werden afgemaakt. De vrouwen verkracht. Alleen de vlammen wekten mijn weerzin op. De rook is zo hinderlijk. Doet mijn ogen tranen. Bah! En de smaak is walgelijk! Door het verkolen van de lijken had ik alle hoop opgegeven nog een eetbaar stuk te bemachtigen. Nee…het was niet alles.” Ik kon het walgelijke beest wel de nek omdraaien, zo verfoeide ik het, maar…het was immers al dood. En meneer Kets kwam terug.

“Tegen wie spreek je? Ik heb je toch horen spreken, Yoko?”

Ik zweeg. Meneer Kets werd heel boos.

“Je wil hier blijven, nietwaar?”

“Ja, meneer Kets.”

“Je wil niet terug gestuurd worden?”

“Nee, meneer Kets.”

“Dan spreken de dieren niet, versta je. Dieren spreken nooit.” “Nee, meneer Kets.” (Jozef paft en grinnikt).

Dat was de zoo. Eindelijk begon ik er iets van te begrijpen. De beesten werden hier samengebracht ‘om naar te kijken’. Het is een heel vreemd idee, maar het schijnt in vele landen bijval te kennen. Uit gesprekken die ik afluisterde kwam ik te weten dat er in Holland, te Amsterdam waar de Zoo Artis wordt genoemd een reuzegroot apenkot bestond dat grote indruk had gemaakt op de Antwerpenaren. Nergens in de wereld was er zo’n kooi. Onmiddellijk rees een plan. Antwerpen zou Amsterdam overtreffen. Levende apen zouden de opgevulde vervangen. Meneer Kets werd gedwongen – erg tegen zijn zin – zijn collectie naar de kelder te verhuizen. Ook voor hem brak een nieuwe tijd aan. Net zoals voor mij. Ik werd gedoopt en kreeg een nieuwe naam. Jozef Möller. Mijn opleiding begon. Na een paar maanden kon ik al aardig Antwerps “klappen’, en mij gedragen zoals men het wenste. De Zoo bouwde een juweel van een apenkooi. En toen er voor het eerst een grote verscheidenheid van apen samen werd gebracht onder één dak, gaf men mij de opdracht ze te verzorgen. Ik had mijn bestemming bereikt. Pas nu voelde ik me veilig. Ik ontspande. Ik begreep hoe dicht ik bij de dieren had geleefd en dat ik nu stilaan door het leren van een echte taal op weg was een waarachtig mens te worden. Maar ik had te vroeg Victorie’ gekraaid. Bij afwezigheid van de directeur werd ik door een domme bewaker vastgegrepen en in een kooi opgesloten.

“Nee. Geen tweede keer!”, riep ik, neemt het dan geen einde?”

Vele bezoekers kwamen zowel de ongeziene variëteiten als de fraaie kooi bewonderen en stonden perplex over de verrassing die hen te wachten stond. Ik stak mijn beide handen smekend door de tralies: “Alsjeblieft ga naar meneer Kets en vertel hem dat er hier een vergissing in het spel is. Laat me eruit…alsjeblieft…” Maar na hun eerste verbazing lachten ze allen heel hard, en zegden: “Wat raar, hé, zo’n pratende aap.” Ze lieten me zitten. Ik werd er bijna gek van. Ik zat bij witte bakkebaardapen en apen met een waaierstaart, die om de beurt aan me kwamen pulken. Nog nooit bevond ik mij zo dicht bij de waanzin. De ontgoocheling kon niet groter zijn. Want misschien spreken dode dieren niet, levende doen het des te meer. Dat weten de bezoekers niet, omdat zij het niet verstaan. Maar apen kletsen als ouwe wijven. Er kwam geen eind aan hun getwist. Ze palaverden en palaverden. De één wist het beter dan de ander. Iedereen moest gelijk krijgen. Rede verstonden ze niet. Ze wonden zich op en werden boos om het geringste. En eigenzinnig! Zodra ik ergens een plaats had gevonden om te zitten kwamen ze naar me toe en duwden ze me opzij. “Ga weg, hier wil ik zitten!” En verplaatste ik me dan kwamen er anderen die krijsten: “Ga weg! Ga weg!” En ook onder elkaar heerste er onverdraagzaamheid. Ze bakkeleiden om het minste. Het is ondenkbaar wat een stroom vuiligheid er uit die bekken kwam. Gewoon walgelijk. Ik schiet te kort om het te beschrijven. Mijn woordenschat is zelfs nu nog te klein. Toch werd het soms even stil. Als ze vergaderden. In een grote kring. Mijn lot werd dan kennelijk in beraad gehouden. En zie, hoe wonderlijk dit ook moge klinken: op zekere keer veranderde hun houding. Ze gedroegen zich nu opeens onderdanig. Ze bogen. Smekend. Bijna kruiperig. De hoofden tegen de grond. “Alsjeblief, alsjeblief.” Dat vertrouwde ik niet. Blijkbaar hoopten ze me te gebruiken voor een doel, dat ze nu voor ogen hadden. Ze jankten als kleine kinderen. Om medelijden op te wekken. “O, of ik die monsters niet wou zeggen, dat ze hun vrijheid eisten! Dat ze het niet langer uithielden in gevangenschap! Dat ze in staking zouden gaan. En weigerden te eten.” Ik deed een poging om ze te kalmeren. “Hongerstaking brengt geen oplossing.” Het kan niemand wat schelen. (Pauze) De baviaan – een demagoog van het ergste soort – die nu de leiding nam gooide meteen met een stok naar me. Hij krijste:

“Doe watje wordt gevraagd! Van jouw soort hoeven we geen lesjes te krijgen!” “Jij bent met of tegen ons!”, tierde de bende in koor.

De stemming sloeg weer om en werd hatelijk. De blaaskaak had zijn slag thuis gehaald. Ze bekogelden me nu met stenen. Ach, dacht ik, ze weten immers niet beter. Daarom kan je ze ook nooit dopen. Ze zullen zich altijd slecht blijven gedragen. Schijten waar ze staan. En hun stijve aftrekken vlak onder de neus van de bezoekers. Wat kon ik er aan doen. Zo hulpeloos was ik. Gelukkig ontstond er weer onenigheid. Een deel van de apen weende!

“Heb geduld! Geef hem toch een kans! Misschien worden we verlost uit deze hel!” Het antwoord liet niet op zich wachten. De opstandigen vielen op de onderdanigen en het werd een strijd op leven en dood, waarbij ik me uit angst het gezicht beschermde. Op dit kabaal kwam meneer Kets aanhollen. Hij redde me uit de benarde toestand, maar riep heel boos, alsof ik er schuld aan had: “Kom er uit! Onmiddellijk! Het is je taak om ze te verzorgen. Niet om ze op te hitsen.” Ik deed mijn best om hem met de beperkte woorden, die ik toen ter beschikking had te verduidelijken, dat de apen terug wilden naar de wildernis. “Nonsens!” riep hij, “Is het geen mooi en duur hok!? Ze mogen wat blij zijn! Bovendien… Onze kinderen moeten de natuurkunde bestuderen. Ze zullen hier jaarlijks met de klas komen. Dat is een beslissing, die op hoog niveau is gekomen. Men komt er niet op terug.”

(Jozef denkt, drukt zijn sigaar uit en waait de rook weg).

Straks komt de verpleegster. Ze zal zeggen: “Jozef, je hebt weer gerookt. Dat is verboden. Wie geeft jou die sigaren..?” “Wil je dat weten dokter? En jij ook zuster? Wel, het zal je verbazen. (Met aanhef) Die sigaren stuurt mijn dochter uit China. Ze komen van het hof van de keizer … Hahaha!” Moetje hun smoelen zien! (Pauze)

O ja, hoe het toen afliep?

Wel, ik was bijna kompleet gek. Ik smeekte: “Mij niet terug sturen! Mij andere job geven! Ik me zo graag nuttig maken! U tevreden over me zijn..!” Ergens zag hij in, dat hij zich had vergist. Hij wilde het goed maken.

“Goed dan draag ik je op om voor Oskar te zorgen.” (Stilte)

Oskar. Ik kende Oskar wel. De triestigste gorilla van de zoo. Misschien, omdat hij zo log en groot was. Soms zat hij de hele dag op dezelfde plaats zonder zich te verroeren. Hij keek wezenloos voor zich uit. Dwars door je heen. Onverschillig voor je aanwezigheid. Hij zag je niet. Hij staarde diep in het oerwoud van zijn verleden. In het niets. En treurde. En nu zou ik hem verzorgen? (Pauze) Met een klap kwam de dierentuin in de algemene belangstelling. De domme oppasser – dezelfde die me bij de kleinere apen had opgesloten – kocht een krant voor me. Wij – Oskar en ik stonden op de voorpagina. En de domkop begon me met respect te behandelen. Er ontstond een toeloop van volk – nieuwe leden die er nog nooit eerder waren geweest. Meestal bevond ik me in een leegstaande kooi naast die van Oskar en omdat ik niet altijd hoefde te werken deed ik een dutje. De nieuwsgierigen zagen ons op die manier zij aan zij en uitten kreten van verbazing. Ze vergeleken ons. En om dit aan te moedigen gedroeg ik met net als Oskar. Als een broer. Een spiegelbeeld. Dat was de beste manier om goede maatjes met hem te worden. Zo nu en dan ving ik bij hem een luis, zoals hij er mij soms een uit de haren plukte. Maar verder ging het niet. De gevangenschap had zijn uitdrukkingsvermogen afgestompt. Zijn aantal grommende goeden afkeuringen, lachen en schreien was geslonken tot het hoogst noodzakelijke. Zo goed als niets. Oskar was een solitair en liet me dat goed verstaan. Hij had niemand nodig. Toch liet ik me niet ontmoedigen en begon zijn geluiden te imiteren. Hij begreep me. Heuh! Heuh! Ik probeerde hem wat nieuws te leren. Heuh! Maar dat verdomde hij. Wilde me doen geloven dat hij een idioot was. Wel, goed dan. Dan bleef onze samenwerking maar op een laag niveau. En omdat we geen echte ‘nummertjes’ opvoerden, groeide de verrassing van het publiek nooit boven de initiale schok van ons samenzijn. De meesten hadden nog nooit een gorilla gezien. Laat staan een neger. Samen verwekten we verwarring. En lachlust. Er werden grapjes verkocht. Maar iedereen toonde zich voldaan. Ik hoorde een stem:

“Zoiets brengt geld in het laatje.” En dat was de waarheid. (Pauze)

Op zekere dag kwam meneer Kets me halen. Ik werd gewassen en in een nieuw pak gestoken. “Je moet bij de raad van bestuur komen om gefeliciteerd te worden”, kondigde hij aan. “Gefeliciteerd ?”

Dat woord begreep ik nauwelijks, maar ik vermoedde wel dat iets prettigs op til was. Hij had de laatste tijd meer aandacht aan mij besteed. En achter al die zorgen om mij beter te kleden en te leren lezen en schrijven lag een bedoeling. Ik moest mij gereed maken voor ‘de grote sprong’. “Kom, we gaan samen naar de receptie.” Nog zo’n vreemd woord. Meneer Kets nam me mee naar het gebouw van de administratie. De trap op. En daar in een vergaderzaal merkten wij een tiental heren en enkele dames, die de hals rekten om mij te zien. Er heerste een aangename stemming. “O, maar wat ziet hij er goddelijk uit in een gekleed pak!”, riep één van de dames uit. “Wie had dat ooit gedacht?” De heren lachten goedgehumeurd. Ze vonden me ook aardig. Iedereen klapte in de handen. En ja, opnieuw waren er enkelen, die me met de vinger over de huid wreven om te zien of de kleur er niet af kwam. Er waren toespraken waar ik niets van begreep. Meneer Kets fluisterde:

“Verroer niet”, en ik bleef pal staan, bang om iets verkeerd te doen.

“Buig”, zei hij op het einde. Ik gehoorzaamde. Men klapte weer in de handen. Er werd een fles champagne ontkurkt. “Op het succes!”

Succes? Nog een woord dat aan mijn woordenschat werd toegevoegd. Met moeite kreeg ik de drank naar binnen. Kets mompelde: “Beschaafd worden heeft zijn prijs, mijn vriend.” En weer klonk het van alle kanten. “Enig! Hoe schattig! Hoe lief!” Ik begreep er niets van en keek om me heen. Eerst dacht ik, dat er een troeteldier, een poedel in de kamer aanwezig was… maar het was goed en wel op mij bedoeld.

“A la bonheur, Joseph, vous êtes dans la bonne voie!”, lachte een van de heren toen ik naar een koekje sprong dat me van de tafel werd toegegooid.

“Et on va lui donner une petite maison charmante”, knikte meneer Kets bevredigend tot het gezelschap. En tot mij: “Je krijgt je eigen huisje. In de Carnotsteeg.” Het was aan de achterkant van de nieuwe apenkooi. Bij de nooduitgang. Deze mededeling bleek op de fantasie te werken. Onmiddellijk ging men over tot actie. De heren lieten afgedankt meubilair aanrukken. De dames zorgden voor allerlei keukengerief, waarvan ik het gebruik niet eens kende en beddegoed. Collega- verzorgers kwamen aanrennen om de boel op te kalefateren. Een laagje verf hier en een latje daar. Deze nieuwe toestand had me in een gelukkige stemming moeten brengen, maar – helaas -was dit niet zo. Ik voelde me wel zweven zoals iemand, die een duik neemt in de lucht vooraleer in het water te plonsen. Ik was opeens meer mens geworden. Weer een stap dichter bij wat ik behoor te zijn. Maar tot een blijvend gevoel van welbehagen kwam het niet. Oskar was de oorzaak. Hij was de belemmering. Ik wist wel dat ik straks mijn doorweekse kleren weer zou aantrekken om naar hem toe te gaan. Dat was een troost. Toch vond ik het onrechtvaardig dat hij dit succes niet deelde. Wij waren tenslotte met z’n tweeën. Oskar, zo door iedereen gevreesd, omdat hij de arm van de vorige bewaker had gebroken, was onder mijn toezicht een lammetje geworden. Hij was de gewilligheid zelf. Ik kreeg alles van hem gedaan. De verzorgers noemden het een mirakel. Allen bewonderden me. Ook de bestuurders. En ik bewonderde Oskar. Mijn enige echte vriend. Gauw terug naar hem toe. Dit alleen bracht mij tot rust voor de rest van de nacht. Hij, Oskar, heeft nooit door enig teken te kennen gegeven, dat hij me hoorde toen ik zijn hok betrad. Maar de volgende ochtend wekte hij me voor dag en dauw, alsof hij wist, dat het zo niet hoorde. En dat het beter een geheim bleef, dat ik me graag in zijn buurt op het stro neervleide en sliep. Ik verliet hem toch niet, die ochtend. Omdat hij genegenheid nodig had.

“Oskar?…Eet.”

Wie beweert er dat dieren niet spreken? Wacht tot

je alleen met ze bent.

“Ik heb geen zin”, gromde hij moedwillig.

“Je weigert het al drie dagen.”

“Ik zegje toch, dat ik geen zin heb:” Hij was heel koppig.

“Het zijn verse zemelen. Kijk, ik eet ze ook.” “Nee.” Lange stilte.

“Wil je me niet zeggen wat er scheelt?” Na lang aarzelen kwam het er uit.

“Waarom drijven die rotjochies de spot met me? Waarom trekken ze rare smoelen? Bovendien gooien ze nog met allerlei spul!” “Oskar? Gekrenkte koning”, wierp ik er tegen op.” Je boezemt ze ontzag in met je brede borstkas en je ongekende macht. Je hebt ze maar even aan te kijken met je doordringende blik en ze kiezen het hazepad. Nee, ze hebben het op mij gemunt. Ik ben bespottelijk. Omdat ik in hun ogen maar een mislukte mens ben. Jouw karikatuur.” Hij scheen het niet te begrijpen. “Meen je dat?” Ik moest aandringen.

“Je bent sterker dan de muur. Onwrikbaar als ijzer. Mij onderwerpen ze, Oskar. Jou niet. Tegen jouw stalen wil helpt niets.”

Maar wat doe je tegen een koppige aap?

“En toch is het ze gelukt. Ik wil ze niet meer zien. Nooit meer.” Hij zweeg. En ik heb hem nooit meer gehoord.

Er kwam niets meer uit.

“Ze weten niet beter, Oskar… Oskar?” Hij ging zoals gewoonlijk met het aangezicht naar de muur zitten, zijn grove behaarde rug naar de kinderen gekeerd, die niet ophielden met jouwen en smoelen trekken.

“Lelijke aap!”, riepen ze.

Uit vriendschap zette ik me naast hem op de grond. Dit wekte algemene hilariteit. De kinderen dachten dat ik een grapje maakte. Ik stoorde me er niet aan. Ik was blij, omdat ik nu wist wat er in hem omging. Nu had ik de zekerheid dat ik diep in zijn gedachten kon doordringen. Maar waartoe diende het? Een uur later kapseisde hij. Hij had besloten niet verder meer te leven. Hij viel gewoon om. Als een log pak. (Stilte. Hij paft).

Ik heb gehuild toen men hem ophaalde en in een jutezak stopte. Waarom val ik ook niet om? dacht ik. Ik kijk ook doorheen de lichamen die mij omringen, diep in het woud waar de hutten in brand staan en de gieren op hun prooi azen. Waarom ga ik niet dood? Waarom blijf ik mijn best doen om bij die anderen te horen? De echte mensen?

(Pauze. Hij paft). Ik was ontroostbaar. “Meneer Kets…Ik graag in de tuin werken. Bloemen planten. Stukken snoeien. Paadjes harken. Ik – asjeblief – niet meer op dieren passen…” Er was geen tegenwerping. Mijn vraag had hem op een schitterend idee gebracht. Dat zag ik aan het plotse licht in zijn ogen. “Gelijk heb je Jozef! Het wordt stilaan tijd om wat anders met je te proberen. Jij bent niet aan het eind van je mogelijkheden. Waarom kan je niet bij de ingang de entreekaartjes scheuren! Dat zou een slag geven!! En zo gebeurde het.

In het begin had ik er wel moeite mee. Vooral met de kinderen. Die duwden plagend de allerkleinste naar voren en liepen zelf dan hard weg als die door de boeman van de grond werd gelicht, gillend alsof hij werd afgeslacht. De anderen treiterden van op een afstand: “Bamboela! Bamboela!” De bezoekers waren heel verschillend. De leden en de niet-leden, beschaafde en onbeschaafde. Het fijne volk en het ruwe. Al kon je die verscheidenheid slechts leren kennen door ervaring. In het begin, voor iemand die uit de bossen komt, lijkt alles hetzelfde. Dat komt door ongeoefende ogen en oren. Het is bedrog.

Het verschil kon uiteindelijk teruggebracht worden tot de tegenstelling rijk en arm. Die deftige klasse, waaronder heel wat bejaarden die van hun rente leefden en meestal Frans spraken, kwamen tijdens de week. Het gewone Vlaamse werkvolk zag je die dagen bij uitzondering. Op zon- en feestdagen daagden zij op. Ik begreep snel dat de rijkere gasten meer in de watjes gelegd dienden te worden, omdat hun financiële steun de dierentuin ten goede kwam. Ik vloog dan ook op de geringste van hun wenken. Dat heb ik me nooit beklaagd. Ze hadden veel invloed op de raad van bestuur. Op speciale dagen kwamen die heren van de raad met hun dames opgedirkt volgens de laatste mode om zich in hun Jardin Zoölogique te bewonderen. De dames droegen kleren met een lange sleep, een opgevuld achterste en bewogen zich als wandelende torens vanwege de enorme hoofddeksels in de vorm van zeilboten, versierd met de pluimen van de struisvogels, die hier van de kou omkwamen. Ik zag vaak afgunst. Hoorde verdoken kwaadsprekerij, de monden verborgen achter de handen. Soms nam de parade de vorm aan van wedijver. Uitdagend. Gevaarlijk. Men kon elkaar dan wel te lijf gaan. Zodra ik het voelde aankomen, bedacht ik iets om de aandacht af te leiden. Ik zocht een voorwendsel om ze te benaderen. Ik scheidde de tegenstanders dan vlug met een kwinkslag. (Pauze)

Wat zegt U dokter ? Dat ik mij al goed had aangepast? Ja, ik maakte vorderingen, in de zin dat er een begrip groeide voor de mij omringende mensen en mijn taak in zijn geheel. Het geheim is precies je plaats te kennen en die onder geen voorwaarde te verlaten, want dat zou een overtreding betekenen. Ik mocht initiatieven nemen in de Zoo. Dat wel! Zo lang ik het maar deed als een clown. Zolang ik de heren en dames deed lachen! Meneer Kets had dit door. “Goed zo, Joseph…, goed zo….”, zei hij goedkeurend. “Dat is verstandig. Je leert elke dag bij….” Arbeiders en bedienden waren eenvoudig in hun zucht naar genot en tevreden met een doosje koekjes en een dagje zonneschijn. Maar ook zij gaapten me aan en ik hoorde vaak een moeder haar kind waarschuwen: “Als je niet braaf bent dan geef ik je mee aan Zwarte Jef! Die eet je op.” De kleintjes pisten in hun broek wanneer ze de zwarte boeman in het oog kregen. Al gauw had ik hun zwakke kant ontdekt. Beide – arm zo wel als rijk – lieten zich graag imponeren door het onwaarschijnlijke. Het was een algemene karaktertrek. Hoe wonderlijk, deze onverzadigbare lust naar het nieuwe, het ongeziene. Deze drang naar beangstigende gebeurtenissen die hun bloed sneller door hun aderen deed vloeien. Steeds verlangt hij iets anders. Steeds méér. En het gewaagde moet sneller aangeboden worden om aan de eisen te voldoen. Een volwassene, ongeacht zijn graad van beschaving, verliest zijn vernis en pist ook graag in zijn broek. “Zeg Zwarte Jef”, hoe groot is de pik van een giraf? Hoe neuken olifanten? Heeft men nooit verschillende soorten bij elkaar geplaatst? Wat is het resultaat van die vreemde kruisingen? Waar verbergt men ze? De kangoeroes met vleugels? De herten met een krokodillenkop! Als curiosum werd ik verondersteld een betrouwbare gids te zijn in het rijk van de misvormingen. Gelukkig verbeterde mijn spraak. Weldra kon ik zonder inspanning volzinnen van buiten zeggen. Aanvankelijk waren het niet meer dan beleefdheidsformules. Heel snel waagde ik mij verder. Ik vertelde grappen. Eerst voorzichtig als een hengelaar die een lokaas uitgooit. En ja. Het lukte. Ze beten. Die eerste bijval maakte me trefzeker. Meneer Kets had goed zeggen dat de dieren hier werden verzameld om hun gedrag te onderzoeken. Daar hadden de bezoekers geen boodschap aan. Het ging hen meestal om de lelijke, wanstaltige, misvormde monsters die in hun fantasie worden geboren uit vermengingen. De werkelijkheid was niet interessant. Verzinsels hadden meer kans op waardering. Ze vroegen me zelfs heel onbeschaamd op welk dier ik ‘s nachts mijn lusten botvierde. Dit onstemde me zo dat ik nu zonder aarzelen de grofste leugens begon te verzinnen. Het kwam moeiteloos. Was ik niet de zoon van de gevreesde kannibaal Koning Chamba de Zesde? De Napoleon van de West-kust? Slaaf van piraten. Ontsnapt te Sumatra. Gered door de menslievende bemanning van een Belgisch schip. Ja, gered, je hebt het goed verstaan, gered. En naar hier gebracht om mij in afwachting voor te bereiden op de opvolging van mijn grote vader. Koning der koningen, die een harem heeft van zeshonderd vrouwen die hij stuk voor stuk opsoepeerde als hij klaar met ze was.

Dat stelde iedereen tevreden. Naar de duivel met de waarheid. Het levensechte verhaal van Sala en Meijers, dat ik eerst had geprobeerd, kreeg geen aandacht. Zo wilden ze het graag horen. Opstanden, gevechten, ontsnappingen, reddingen, moorden, verkrachtingen, martelingen, branden, overstromingen, aardbevingen… en al wat niet samen past moet copuleren. Gruwel. Met een happy end in de Zoo van Antwerpen, waar iedereen -behalve de dieren – heel tevreden is. Niet dat ik er genoegen in schepte het publiek wat voor te liegen. -Ik deed het om aan hun diepste verlangens tegemoet te komen. Om de rust, die over de toehoorders daalde als op het einde alles terecht komt. En ook om het plezier mijn groeiende bekwaamheid met de taal te demonstreren. Meneer Kets en de leden van het bestuur waren op de hoogte, zagen er geen kwaad in en lachtten er hartelijk om. Ze moedigden mij aan in die nieuwe rol van fantast-verteller. “Jefke heeft de gave van het woord. Hij gaat erop vooruit”, hoorde ik een van de bazen zeggen. “Hij trekt ten strijde tegen de verveling.” Zij konden het weten. Want verveling was het, die leidde tot de geheime afspraken tussen de apotheker Rouffart en de vrouw van zijn beste vriend notaris Deleu – allebei leden van de raad. In het aquarium achter het plantsoen naast de kaaimannen, waar eens een te hitsige jongeman van het beheer zijn vinger werd afgebeten door een krokodil, vonden ze elkaar. Ik zag het en kreeg een fooi. Waarschijnlijk om mijn mond te houden. De Zoo gaf zijn geheimen prijs. En ik hield in regel mijn mond. Horen, zien en zwijgen. Vijf, zes jaren gingen voorbij. Naarmate ik de taal beter beheerste en ik me beter uitdrukte werd Yoko verdrongen, ja, uiteindelijk vergeten. Hij ruimde de plaats voor ene Joseph Möller, uiterlijk onderworpen, gedwee, maar binnenin radeloos door de wind, de regen en de kou, die zich ‘s winters zowel als ‘s zomers verschool in een chronische hoest. En een groeiende grimmige boosheid, die aan het klimaat beantwoordde. (Hij lacht).

Verdomme, zuster, hoe verteld stonden ze niet toen ik door te copuleren met een meisje van Boom geen monster verwekte, maar een van de mooiste mulatinnen die de wereld heeft gezien. Dat zij nu als eerste concubine naast de troon van de keizer van China zit, dames en heren van het publiek, is geen verzinsel. (Pauze. Hij paft en hoest).

En toen kwam Roza. De herrie die haar komst veroorzaakte zal niet gauw uit mijn geheugen worden gewist. Ze arriveerde in een verhuiswagen. “Pas op! Het is gevaarlijk om de kooi naar binnen te loodsen”, riepen de handlangers. “Roza ligt op de loer om kwaad te berokkenen waar het maar kan.” Ze veerde op en neer, gedreven door een ongebreidelde moordzucht. Het maakte een hels kabaal. Met haken werd de kooi vastgegrepen en neergelaten. Daarna waren er niet minder dan acht helpers nodig om bij middel van lange staken het gevaarte binnen te loodsen. De kooi stond op wielen en hoewel ze door de agressiviteit van het dier telkens haar evenwicht dreigde te verliezen bereikte ze zonder schade te berokkenen de plaats van bestemming. Daar kwam iedereen nieuwsgierig kijken. Ik voelde hun groot ontzag. Bewondering. Daarna vrees. En vele vragen. Iemand fluisterde “Wie krijgt dit onhandelbare dier onder zijn hoede?” Meneer Kets had het bij het rechte eind. “Roza is een tijdbom. Door haar onrust en opstandige gevoelens. Ze beïnvloedt de dieren in haar nabijheid. De leeuwen ernaast, die anders een flink deel van de dag slapen blijven wakker en beginnen ook op en neer te drentelen. De wolven, iets verder, huilen. De jakhalzen janken. Al de dieren, die zich een potentiële prooi voelen, zoals de herten en de gazellen en de zebra’s beginnen rond te draven in de hun toegemeten ruimte.” We hadden een moordenares binnengehaald. Dat was duidelijk. Iedereen wist het. Op enkele seconden was het doorgeseind. De vrees werkte aanstekelijk en sloeg over van ‘t kleinste dier op het grootste. Bij de nadering van een mens wierp Roza zich als een gekkin tegen de tralies en strekte de klauwen als moordende messen uit in zijn richting. Meestal sprong de persoon uit schrik een stap achteruit. Getergd door de onmacht niemand te raken wierp ze zich dan tegen de wand, bezeerde zich en lag dan een tijd bewusteloos op de grond te kreunen.

“Smeerlappen, godverdomme, rotzakken godverdomme, klootzakken, wacht maar, jullie ballen gaan er af.” Hoewel mijn kunst om de taal van de dieren te verstaan met de dag verminderde, begreep ik nog wat Roza brulde. Ik trok meneer Kets terzijde. “We moeten er iets aan doen.” “Ik weet het, maar… we zijn geen temmers, Jozef. Het is hier geen circus. Straks kunnen we ze niet meer meester. Nu moeten we ingrijpen.” “Gun haar nog even de tijd. Ze went wel.” Dat was een grove fout. Het verbaasde me, dat een man van zijn ervaring geen voorzorgen had genomen. Ik zou Roza zonder aarzelen terug hebben gestuurd van waar zij kwam. En als dat dan niet ging, dan was er nog de totale afzondering. Waarom deed hij niets? Waarom heeft hij gewacht tot het te laat was? Dat hij zonder dralen het probleem naar mij doorschoof sprak vanzelf. Er werd niets van enig belang meer beslist zonder mij te raadplegen. Het geval van Roza viel automatisch onder mijn bevoegdheid. Zo kwam er aan die eerste periode als portier een einde. De zorg van het gevaarlijkste dier viel op mij. Ik was verantwoordelijk. Maar zoals de instincten van Roza zich door de lucht verspreidden en een effect hadden op de beesten, zo overvielen ze ook de mens. De verhuizers waren al boos van woede vertrokken. Meneer Kets liep nu met een vuurrood hoofd weg en sloeg woedend met een deur. Dat had ik hem nog nooit zien doen. De andere verzorgers keerden mij de rug toe en gaven geen antwoord op eenvoudige vragen. Iedereen was misnoegd. Alsof het mijn schuld was. Alsof ik deze bron van zorg en kommer binnen had gehaald. De onblusbare woede van Roza tastte iedereen aan. “Smeerlappen godverdomme, rotzakken godverdomme, klootzakken.. Wacht maar! Jullie ballen gaan er af.”

Ook mij. Het was alsof ik opeens van binnen werd gegrepen door een slang, die zich ergens diep in mijn onderbuik had verborgen gehouden en die nu langs mijn maag en mijn slokdarm omhoog kronkelde en zich vast beet in mijn strot. Ik kon moeilijk ademhalen en trachtte ze naar beneden te drukken, maar het lukte niet. Een blinde woede overweldigde me. Daardoor begon ik die avond thuis ook te drentelen als een getergde tijger. Eerst zachtjes mompelend:

“Smeerlappen, rotzakken, jullie ballen gaan er af.” Tegen de muren op. Dan luider en luider. Ik sloeg met de vuisten op het meubilair en smeet met het vaatwerk. Ik was razend. Zonder te weten tegen wie of wat. De blinde razernij, die van Roza, was op mij overgeslagen. De brekende spullen en mijn getier alarmeerden de buren, die zonder moeite binnen drongen. “Wat is er aan de hand?”

“Kalmeer, Jef, kalmeer.”

Het waren goede bekenden vol begrip, die het niet zo erg vonden.

“Ga naar bed. Hier. Drink deze warme melk.” “Het is een bekend verschijnsel”, zegden ze onder elkaar.

“Het komt vaak voor.”

“Het is van korte duur.”

Ze maakten er geen drama van en gingen weg.

Ik viel in slaap, maar kreeg vreselijke dromen.

Dromen, die ik nu nog aan geen mens durf te vertellen.

Tegen de ochtend werd ik gewekt door een van de verzorgers:

“Alarm! Roza is uit haar kooi ontsnapt!” Wat een onheil! Snel haastte ik me naar de Zoo en daar wachtte me een afschuwelijk schouwspel. Mijn dromen werden werkelijkheid. Het beest had er een onvoorstelbare ravage aangericht. De Zoo zag er uit alsof de gilde van de slachters er op los was gegaan. Over de paadjes lagen dode kadavers van dieren, die je normaal ook ‘s nachts buitenkan laten: ganzen, pelikanen, steltlopers en een otter… het vernielend spoor van Roza was nauwkeurig te volgen. Het kwam van de kant van de spoorweg waar haar hok stond en bewoog zich naar de hoofdingang om zich een doorgang te banen over stellingen voor herstellingswerken. Dan liepen ze in de richting van de Gemeentestraat. Daar was ze op de allereerste paardetram gestoten, die in de richting van Borgerhout reed, die ze ongemoeid liet, waarschijnlijk verbaasd, omdat de conducteur uit angst hard aan de bel trok. De paarden sloegen op hol. D at was hun redding. Vervolgens liep de tijgerin in de richting van de Kipdorpbrug. Over de hele lengte van de weg stempelde ze een bloedige poot op de kasseien. En daar vlak voor de schouwburg gebeurde de grote tragedie. Een metselaar met een knapzak, die niets vermoedde, draaide de brug op en stond, stijf en star, oog in oog met de hijgende Roza. Enkele seconden lang bleef hij pal staan. Maar de tijd om te schreeuwen kreeg hij niet meer. Met een sprong greep Roza de man bij de keel en beet hem dood. Hij uitte zelfs geen zucht. Enkele ogenblikken later was hij geheel verminkt. Groepjes dokwerkers en zakken naaisters kwamen nu uit de aanpalende straten aanrennen. Ook kinderen hadden het opgemerkt en gilden. Stijf van angst drukten ze zich tegen de huizen. Een kleine jongen scheet in zijn broek. Het liep langs zijn hielen in zijn schoenen. Een ander probeerde uit angst tegen een gevel op te klauteren. Nu klonk er algemeen alarm en meer en meer mensen kwamen aanlopen. Uit de omliggende huizen aan de ramen verschenen er slaperige gezichten, nog met scheerzeep op de kin. Er werd om hulp geroepen. “Haal de politie! Schiet hem neer!” Maar iedereen bleef op veilige afstand. Roza sleurde kalm het lijk met zich mee. Bleef staan. Bedacht zich. Keerde op haar stappen terug. Besloot het kadaver toch los te laten. Legde er zich naast. Begon het bloed van de dode op te likken. Haar razernij was verdwenen. De kwaadaardige aanval had als een ontlading op haar gewerkt. Ze interesseerde zich verder niet eens meer aan haar slachtoffer noch aan de rest van de wereld. Zonder zich in het geringste om de stijgende paniek te bekommeren, stond ze nogmaals op. Liep naar een stoptkar. Vleide zich er onder neer. Op dat ogenblik had ik haar – buiten adem – bereikt. Met een geweer, dat in de Zoo gereed lag om aan zulke situaties het hoofd te bieden. Er stond nu heel veel volk. En toen ik rustig het beest naderde met de loop op haar schedel gericht, fladderde het als een wind door het gebladerte van de bomen. ” ‘t Is Jefke van de Zollogie! ‘t Is Jefke van de Zollogie!” Zou ze het gehoord hebben? Ik naderde. Wat ik nu zou doen was tegen mijn gevoel van oprechtheid. Maar zonder tweestrijd. Roza volgde me met veel aandacht, doch deed niets. Ze keek me recht in de ogen en lichte niet eens het hoofd van de grond. Ze gromde. Maar ik verstond haar taal niet meer. Ik zou daarna de dieren nooit meer verstaan. Ik voelde een grote lamheid in de arm. Het geweer woog wel honderd kilo. Mijn vinger weigerde tweemaal de trekker over te halen. Tenslotte, de derde keer, gebeurde het. Met tegenzin schoot ik haar dood… Een grote vrede daalde in mij. “Klootzakken”, dacht ik,”Ze had gelijk. Maar ze hebben geen ballen.”

De politie kwam en deed een poging om de orde te handhaven. Want nu de tijgerin dood was, wilde iedereen het dier van dichtbij zien. Het overschot van de dode metselaar diende eerst door een ambulance opgepakt te worden en naar het doden-huisje gevoerd. Dan kwam de brandweer. Te laat. Maar ze waren er. En dan doemde een groep mannen op. Van hand tot hand gewapend en gereed om een detachement van Pruisische grenadiers te confronteren. Het waren de beroemde Sauveteurs, een klein legertje vrijwilligers, steeds paraat om mensenlevens te redden. Ook zij kwamen te laat. Toch hielpen ze de politie, die nu proces verbaal opmaakte.

Het lijk van Roza werd opgehaald met de kar van de Zoo. Het werd voer voor anderen dieren. Het vel ging naar de dame van een van de beheerders. Voor een mantel. In de grote feestzaal waren de leden van de Raad van Bestuur in een spoedvergadering bijeen gekomen. Er heerste grote verslagenheid. Iemand deed het voorstel om de familieleden van de gedode arbeider een vergoeding uit te betalen. Dit werd met algemene stemmen aangenomen. Toen de nieuwe directeur Vekemans vroeg of er misdadigheid in het spel zou kunnen zijn, heb ik hem geantwoord, dat dit inderdaad tot de mogelijkheden behoorde. Roza kon haast op geen andere wijze uit haar kooi ontsnapt zijn.

“Of er iemand verdacht kon worden?”, drong meneer Vekemans aan. “Nee, maar u kent mijn stiptheid, meneer Vekemans. Onachtzaaamheid kan hier niet geduld worden. Ik weet, dat ik de kooi heb gesloten. De sleutel heb ik met me meegenomen.” Ik sprak nu kordaat en met overtuiging. Het hoorde bij de gelegenheid.

“Dat is vreemd. En toch stond de kooi open?” “Toch stond de kooi open.” “Was er geen tweede sleutel?” “Nee.”

Het mysterie werd nooit opgelost. Iemand had Roza opzettelijk losgelaten. De dader werd niet gevonden. Maar mijn integriteit was niet aangetast. Mijn onkreukbaarheid werd geroemd. Ook prees men mijn doortastendheid. Mijn moed. De beste redenaar, Meneer Lhouët, wist met veel lof te vertellen, dat mijn moedig gedrag als voorbeeld kon dienen en dat er in de scholen een speciale les zou moeten gegeven worden over dit gebeuren. Men nam een ogenblik stilte in acht voor het slachtoffer en daarna dronk men weer van de champagne, nadat ik van het stadsbestuur een lintje had gekregen. Dan volgde er nog een verrassing. De voorzitter van de reddingsploeg ‘Les Sauveteurs’ benoemde me tot mascotte van hun vereniging. Het was een grote dag voor me. Joseph Möller had zich voor het eerst in zijn werkelijke gestalte aan de buitenwereld geopenbaard. Ja, zuster, ja, dokter. Ik lees het in jullie gedachten: “Wat een weg heeft hij niet afgelegd van Yoko tot Joseph Möller!”

“Ja, waarde dokter en geëerde zuster, ik ben niet de eerste de beste! Het zijn de rochels van een erelid van de Sauveteurs die jullie onderzoeken!

De hoest van een mascotte!

Maar het lukt jullie nooit me gaaf terug te sturen.

De mascotte is bezig te sterven!”

(Pauze)

Heel wat jaren gingen voorbij: moet ik amper twaalf zijn geweest toen kapitein Meyers me aan de dierentuin ten geschenke gaf, dertien bij mijn doopsel, dan was ik veertien toen ik de kaartjes scheurde aan de ingang. Rond mijn zeventiende verjaardag overleed Oskar. Bij mijn meerderjarigheid ontsnapte Roza. (Hij hoest).

Amper een paar dagen later, op een avond, kwam een jonge man mij met een koets halen. “Ik ben Marcel.” Zo introduceerde hij zich. Het was een Sauveteur. Voor het eerst verliet ik de Zoo. De bestuurders en vooral meneer Kets hadden het graag verhinderd, dat zag ik aan hun gezichten, maar er was niets aan te doen. Het volk buiten dat nooit in de Zoo kwam door gebrek aan centen morde:

“Waar is Jefke?! We willen Jefke zien!” D e stad lag daar als een grote onbekende. Ik kende ze slechts van verhalen. Steeds werd ze me afgeschilderd als een gevaarlijke plaats vol dieven en bedriegers die er op uit waren je te stropen. “Blijf er zo lang mogelijk weg, Jefke”, waarschuwde meneer pastoor. “Want er valt niets goed te leren.”

Maar nu werd me de kans geboden om het zelf te zien. Ik wilde weten of het inderdaad zo was. (Pauze) We reden langs de vestingen in de richting van het Noord. Op de Paardenmarkt voegden er zich nog een tweetal Sauveteurs bij ons. Sterke gezonde mannen. Maurice en Medard. Ze zouden mijn gidsen zijn. Ze bekeken me met voldoening. Als jagers, die een goede vangst inspecteerden. “Onze mascotte moet gedoopt worden…”, juichten ze.

“Dat ben ik al!”, riep ik en probeerde te ontsnappen. “Eén keer katholiek volstaat!” Maar ze grepen me vast en kalmeerden me. “Maak je maar geen zorgen, makker. We dopen je. Niet met water, maar met bier!”

En het was waar. In de havenbuurt. Het district van de grieten. Bij Jan Moestache! Hé! Dat was me een vrolijk gezelschap. De lolbroeken zongen er: “En van je hela, hola, houd er de moed maar in, houd er de moed maar in!” Ze gunden me nauwelijks de tijd mijn pint leeg te drinken, de bewonderaars, die me vertelden, dat ze van mij hadden gehoord. En dat ze blij waren me in levende lijve te zien.

Zij, die me persoonlijk de hand kwamen drukken lieten een vol glas achter. Op korte tijd wel zeven op een rij. Er werd veel geschreeuwd en gelachen. De drinkers kregen er vuurrode koppen van. Ze behandelden me goed. Net als oude bekenden. Dan gaf Marcel het signaal. (Hij fluit op zijn vingers).

“Vooruit, jongens…! We beginnen aan de Kruisweg.” Ik begreep, dat de kafeetjes, die zij aandeden vergeleken werden met kapelletjes. En dat ze van statie naar statie trokken. Niet om te bidden maar om te zuipen. We bleven lang in een Noors cafee “De Zevende Hemel’ vol dronken Scandinaven, blonde kerels, die een kouder klimaat gewend zijn. Eén werd zo vervelend, dat ik hem wegduwde. Dat vonden de anderen beledigend en scholden op ons. Zo ontstond er een gevecht. Iemand sloeg alarm:

“Politie!”

We waren op tijd de deur uit. Maar Marcel zijn neus bloedde.

“Voor mij is de aardigheid er af. Ik ga naar huis”, kreunde hij. Maurice, Medard en ik belandden dan bij de Griek Moeskada, die persé wou dat we dansten zoals in zijn land. Met zakdoeken zwaaiend boven het hoofd. Rond middernacht koelden we af bij “Den Daan’, waar de mannen zich als vrouwen gedroegen en elkaar op de mond kusten en waar ik met een kleedje en een bloesje aan en een pruik op het hoofd mijn Afrikaanse dansjes uitvoerde. (Hij danst terwijl hij zingt). De stoere kapitein Meyers/ lala lala lala/ die rond de wereld zeilde/ lala lala lala/ Zij dronken en zij speelden/ lala lala lala.

Ik wist na een poos ook niet meer of ik een man of een vrouw was. En Maurice werd Medard en Medard werd Maurice. De kamer draaide om. De vloer opeens naar boven. De zoldering naar onderen.

“Waar zijn we?”, vroeg ik angstig. “In het spiegelpaleis”, zei Medard geruststellend.

“Waar is Maurice?”

“Die speelden we kwijt in Danny’s bar”, lachte Medard veelbetekenend. En ik begreep wat hij wou zeggen. En heel gedurfd flapte ik er uit: “Wanneer gaan we naar de wijven?” Ik schrok er zelf van. Maar hij reageerde niet meer. Ik sleepte hem naar buiten. Een koetsier van het Groenkerkhof snelde ons ter hulp. “Naar de Zoo dan maar”, beval ik. “Dat had je me niet moeten zeggen, iedereen kan zien dat jij Zwarte Jef bent”, grinnikte de man. En hij weigerde het geld voor de rit. Ja, zo was het in die tijd. Ik liet Medard zijn roes uitslapen op een matras in de keuken. Met een zwaar hoofd stond ik tegen acht uur op post. Meneer Kets bleek opgelucht.

“Gelukkig! Joseph je bent op tijd. Als je je werk doet komen er geen aanmerkingen over je vrije tijd. En het is op hun verantwoordelijkheid.” ‘Hun’, dat waren de Sauveteurs. En ‘vrije tijd’ was ook nieuw. Het werd normaal gevonden dat ik steeds ter beschikking stond. Afspraken over tijd om te werken en andere ‘vrije’ tijd werden niet gemaakt. Ik had er ook nooit over nagedacht. Je leeft immers gewoon. Wat is tijd? Maar nu leek dit verschil plots te ontstaan. Ik zag ineens dat er zoiets als tijd bestond en dat die in tweeën werd gedeeld. Een helft die aan de dierentuin behoorde en een andere die ik voor mezelf kon opeisen. Ik was volwassen. Het wekelijkse ritueel van uitgaan herhaalde zich en werd weldra dagelijks. Marcel kon het niet bijhouden. Het was wel geroutineerde drinkeboer, maar in mijn gezelschap bereikte hij heel snel zijn grens. Met plezier dronk ik hem onder tafel. “Allez, vooruit Marcel. Laat jij je door een makak van de Kongo de loef afsteken?”, daagde ik hem uit.

Maurice nam het initiatief over. Maar die verging het niet beter. En Medardsleepte me tenslotte nog enkele maanden moeizaam van kroeg tot kroeg om me aan al zijn vrienden te tonen. “Wat denken jullie van onze mascotte!”, riep de laatste Sauveteur fier, nog moeizaam voor hij ergens in een sloot sneuvelde. Door hun gebrek aan uithoudingsvermogen waren de rollen omgekeerd. Ik sleepte de Sauveteurs voortaan van kroeg tot kroeg. “Want als we dood zijn groeit er gras op onze buik, gras op onze buik, gras op onze buik..!”

“Waarde Sauveteur”, waagde ik eens met dubbele tong en kronkelend van het lachen: “Deze doelstellingen staan niet in jullie statuten…!” “Welke?”, vroegen ze. “Zuipen en achter de wijven aan zitten?” We stikten haast van de lol. “Ach, het wordt tijd dat de dierentuin ophoudt het centrum van je leven te zijn, Zwarte Jef. Er is nog wat anders in de wereld dan apen en tijgers!” En het was waar. Er was veel meer. Soms gingen we zover als Brasschaet, met de ‘boerentram’, waar de rijkelui fuifden in de nabijheid van hun sjieke villa’s. En daar werd het gewoon krankzinnig. De heren stuurden hun dames naar huis. Trokken hemden en broeken uit. Haalden roet uit de kachel. Smeerden het op het witte vel van hun gezicht, borst en armen. Om er uit te zien zoals ik.

En wild sprongen ze buiten. In hun blote flikker in het veld. Ze dansten en zongen. Mijn voorbeeld volgend. Zoals de negers van de Afrikaanse bossen. Het was een grote triomf voor me te zien hoe die heren vergaten wie ze waren, verbroederden en zongen.

Toen kwamen wij in ‘t Noorden/Lala lala lala/Men gaf mij warme kleren/ En dekens op mijn bed/ En eens was de dag gekomen/ Lala lala lala/ Men toonde mij de toren/ Van Onze Lieve Vrouw, (Lange Stilte. Hij hoest). En toch was wat er daarna gebeurde niet helemaal de schuld van de Sauveteurs. Het kwam ook, omdat meneer Kets stilaan uit mijn bestaan gleed. De geleerde werd langzaam seniel. Lang voor het drama met Roza was hij zich al vreemd gaan gedragen. Niet alleen tegenover mij, maar ook ten overstaan van het bestuur. Hij weigerde hun richtlijnen op te volgen.

Hun nieuwe reglementen werden door hem van de hand gewezen. Koppig volhardde hij in zijn eigen – zonderlinge – opvattingen. In de dagelijkse Omgang was hij ongenietbaar. Hij sprak nauwelijks. Liet me over aan mijn lot. En het was maar goed, dat ik stilaan met de jaren een eigen verstand had gekregen om mij een mening te vormen en zelf beslissingen te nemen. Want op hem kon ik niet meer rekenen. Het verbaasde me dat ik besluiten kon nemen zonder het hem eerst te vragen. Maar dat is ook een kwestie van wennen. Er liepen geruchten, dat hij de dieren hoorde spreken. Erger nog – hij zou zich hardnekkig verzetten tegen het plaatsen van pas bestelde kooien. “Dieren moeten ongehinderd leven. Laat ze vrij. Zet de kooien wijd open. Schaf de Dierentuin af.” Dat zou hij gezegd hebben. Iemand, die zulke principes huldigde kon niet langer aan het hoofd blijven van deze instelling! Zelfs in de kroegen werd er luidkeels om gelachen en verteld, dat meneer Kets ze niet meer alle vijf had en zo snel mogelijk diende verwijderd te worden. Kortom zijn vervanging werd een noodzaak. Zijn neef, meneer Vekemans, de enige erfgenaam, zou het roer in handen nemen. Precies in die tijd voelde ik mij opgenomen in de roes van het nachtleven. De braspartijen volgden elkaar op in een onafgebroken ritme. Ik zoop als een tempelier. En het deed me niets. Ik was onverwoestbaar. En steeds was ik het middelpunt van de belangstelling. Het beviel me best. Binnenin mijn borst voelde ik Joseph Möller groeien en uit zijn voegen barsten. Zijn pakje werd hem te klein. Een ontwakende en herboren Afrikaanse reus die de wereld wilde omarmen. Zo dankbaar omdat de mensen van hem hielden. (Pauze) Maar het beste moet nog komen. Dat wist ik toen nog niet. (Pauze)

Het stadsbestuur besloot om met de medewerking van de bekendste brouwerijen de beroemde Om-megank te laten uitgaan. Dit gebeurde om de vijftig jaar. Het is een oude traditie. Ik werd erbij betrokken door het belangrijke aandeel van de Zoo in de feestelijkheden. Ik begreep de bedoeling snel. Er kwamen schilders op bezoek die fleurige praalwagens ontwierpen, waarin de ezels, de lama’s en de olifanten een rol speelden. Iedereen zou verkleed worden. Zowel de dieren als hun bewakers kregen prachtige kostuums. En onze vrienden uit de volkskroegen, allen leden van een vogelpikmaatschappij, eveneens. Er kwamen rijkswachters te paard aan te pas, soldaten en politie-agenten, die voor de gelegenheid uitgedost werden in kleren, die men lang geleden droeg en die niet meer in de mode waren. Sommigen plakten valse baarden op hun kin en snorren onder hun neus. Deoptocht vertelde door middel van taferelen hoe de mensen van deze stad zich ontwikkelden door nieuwe uitvindingen, die hen veel voordeel verschaften. Er was ook sprake van beroemde koningen en hun oorlogen. De deelnemende groepen kon ik opsommen als de tafel van twee: Vikings, MiddeleeuwseRidders, Bourgondische Vorsten, Spaanse Soldaten, Franse Sansculotten en Belgische Revolutionairen van de jaren dertig. Meneer Vekemans gierde het uit van pret toen ik dit repertoire aframmelde. “D at doet niemand van het bestuur je na, beste Jef. Jij bent de slimste neger, die er bestaat! Je zou eens een voordracht moeten houden over Rubens en Van Dijck!”

Schoolkinderen en toneelverenigingen repeteerden taferelen met dans en zang, in onze Grote Zaal. Ik gaf mijn ogen goed de kost. Dokwerkers en zakkennaaisters gaven graag hun medewerking omdat het stadsbestuur zo trots op hun werk was, ook al werden zij er weinig voor betaald. Boogschutters zouden opstappen in een kledij, die in één van onze ateliers werd geknipt en gepast. Ook hier ontsnapte niets aan mijn aandacht. Tientallen muziekcorpsen hielden hun oefeningen in de Zoo. Dan stond ik naast de dirigent en sloeg de maat, zodat ik zonder moeite van hem over nam toen hij eens ging plassen. Wat een drukte! Wat een koortsachtige bedrijvigheid! Overal had men Jefke nodig. Niet alleen voor gemakkelijke karweitjes maar eerder om moeilijkheden op te lossen. Ik was wel verplicht om een goed inzicht te krijgen in de diverse werkzaamheden.

“Nee, hier komt een doek op de grond, anders besmeuren jullie de boel…Pas op, beuk de deur niet in. Van dit lokaal heb ik een sleutel.” Je zou gedacht hebben dat ik nu de baas was. Zo’n grote mond zette ik soms op. Maar geen mens nam het mij kwalijk. Men was wat blij met iemand die daadwerkelijk hulp bood. Vooral toen er vreemde gasten van buiten de stad opdaagden: steltlopers van de Duitse moerassen, Engelse morrisdansers en de beroemde Gilles van Binche in hun Indiaanse kostuums. Aan hen kon ik mijn beste taalkennis kwijt: “Merci, mon ami” – “Glad to meet you” -“Das is verboten.”

Het goede humeur werd nooit vergeten! Iedereen was opgetogen. Meneer Vekemans riep met een schelle papegaaistem: “O, Jefke, Jefke… Jij bent geknipt om een rol te spelen in de Ommegank… We moeten iets vinden dat je past!” En jazeker, een paar dagen later kwam er een bode van het gemeentebestuur met de boodschap, dat de burgemeester zelf – hoor goed wat ik zeg – de burgemeester zelf het een grote eer voor de stad zou vinden, mocht ik erin toestemmen de rol van de beroemde pop ‘Op Sinjoorken’ te vertolken. Je kan je wel indenken hoe ik mij voelde?

Zulk een eer! Want denk eens na! Deze smijtpop is het symbool van de Antwerpenaar. Door mij te vragen deze rol te spelen bewees men hoe hoog ik werd geschat. Ik, Zwarte Jef, werd verheven tot ‘Op Sinjoorken’ de eerste burger van de stad en op een voetstuk geplaatst. Dat de pop, een zotskap, werd opgeworpen als treiterij voor het huis van de echtgenoot die zijn vrouw sloeg in de tijd dat zulke buitensporigheden nog niet door de wet werden gestraft, is van ondergeschikt belang. Deze betekenis was vervaagd. Heden gold ‘Op Sinjoorken’ als een heilige relikwie. Hij is het hart van de bewoners van deze stad. Een stuk van hun ziel. En dat was ik! (Pauze). Jullie beseffen toch hoe ongeduldig ik op de dag wachtte! Mijn kostuum was een nauwgezette kopie van de pop uit het museum. Je zou gedacht hebben dat ‘Op Sinjoorken’ zo uit zijn glazen kast was gestapt. Zo geleek ik erop. Een ereburger! (Pauze)

Toen brak eindelijk de dag aan om in actie te treden! De muziekcorpsen marcheerden. De folkloristische taferelen omlijst door de karnavalesk versierde dieren van de Zoo trokken door de straten. De Reuskens van Borgerhout dansten voorop en werden gevolgd door de Dolfijnen uit karton en de Walvis. Er boven op zaten spuiters die zonder mededogen het publiek als doel namen en het een gratis stortbad bezorgden. Er was ook een groep ‘zwarte mannekes’, roetkoppen in wie ik mijn oude vrienden uit Brasschaet herkende. Ze hadden kleine beenderen door de neus gestoken, en speelden op tam tam als was hun bedoeling mijn voorouders jaloers te maken.

De ezel, de lama en de olifant in kleurige doeken gehuld, ons hun echte vormen verbergend, vertrokken van de Vogelmarkt, waar verzamelen was geblazen. Ze hepen langs de Huidevetterstraat naar de Eiermarkt in de richting van de tribunes, die voor het stadhuis stonden opgesteld. Onze groep volgde. De Sauveteur waaronder Medard, Maurice en Marcel met een opgespannen zeildoek om mij beurtelings op te gooien en weer op te vangen. ‘Op Sinjoor!” O, hoe verheugde ik er mij op! Iedere sectie stopte en voerde zijn nummertje op als eerbetuiging voor de burgemeester en het voltallige college van schepenen. Ook onze groep kwam aan de beurt. “Op Sinjoor! Op Sinjoor!” Onder luid gejuich vloog ik de lucht in. Het volk was opgetogen. “Komt zien! Zwarte Jef is Op Sinjoor!” Mijn vrienden deden extra hun best. Ze gooiden mij wel zeven keer omhoog. En met welk een kracht! Het effekt was sterker dan al de alcohol, die de laatste tijd door mijn keelgat was gestroomd. Het keerde de hele wereld ondersteboven. De reus Antigoon wierp Brabo in de Schelde. De apen zaten aan de vergadertafels van de Zoo. De echte bestuursleden, achter de tralies in de kooi hingen nu aan de takken. En zie, zelfs Oskar mengde zich op de tribune tussen de wethouders en gedroeg zich aristocratisch. Marcel, Maurice en Medard riepen: “Een, twee, drie.” En “Op Sinjoor! Op Sinjoor!” En weer tuimelde ik door lucht. Het was best leuk! Hoe hadden al die beesten in godsnaam kleren bemachtigd? Wie had ze opgedirkt? En waarom liepen ze nu onherkenbaar in de stad en gedroegen zich als mensen? Ze zopen zich zat. Stonden in de rij voor de hoeren. Besprongen ze met hun stijve knuppels.

“Op Sinjoor! Op Sinjoor!” Oskar fluisterde de burgemeester in het oor. Deze knikte, stond plechtig op en nam zijn steek voor me af. De gehele stad moest het zien. Burgemeester Loos salueerde me! “Op Sinjoor! Op Sinjoor!” In navolging – eerst wat aarzelend, daarna met meer overtuiging – stonden al de notabelen en hun dames recht. De raadsleden en de schepenen van de stad ontblootten plechtig het hoofd. Sommigen met tegenzin, dat was te merken. Maar ze konden niet anders. Ze hadden me wat graag in een kooi geworpen en terug naar Afrika gestuurd. Maar ze verborgen deze geheime gedachten. Mijn triomf was nu compleet. Dit was een hulde aan Zwarte Jef. De held van de Zoo. Maar opeens kwam ik op mijn nek in het zeildoek terecht! “Op Sinjoor!” “Op Sinjoor!” Het deed pijn. Het was niet meer leuk! Het draaide voor mijn ogen. Ik zag mijn vergissing in het meervoud. Weer ging ik de hoogte in. Maar het werd te veel. Ik gaf de sauveteur een teken om het wat zachter aan te doen. Om op te houden. Maar ze merkten het niet. Te veel! Te veel! Ik werd er misselijk van. Ophouden! Het werd uiterst onaangenaam. “Op Sinjoor! Op Sinjoor!” Ze wisten niet van stoppen. Mijn gehele lichaam deed al pijn: ik voelde steken in het hoofd. “Genoeg!.” Maar mijn stem was te zwak om gehoord te worden in die juichende massa, die ik opeens haatte. Niets bleef er nog over van al de pret. Ik had het mij anders voorgesteld. Het opgooien was geen grapje meer, maar een straf, een pesterij. De rol van ‘Op Sinjoor’ was een ellende geworden. “Medard! Maurice! Marcel! Hou op!” Hadden mijn vrienden mij verraden? Wisten ze wat er met mij gebeurde? Zij lachtten. Telkens bij het neerkomen was de slag zo hard dat ik het luid uitschreeuwde: “Hou op!” Maar dat verhoogde alleen de lol. Tot ik voor de laatste maal in de hoogte werd geslingerd en niet opgevangen door het gespannen doek, heel hard op de kasseien terecht kwam. Daar verloor ik het bewustzijn. (Pauze. Hij hoest en paft).

Diezelfde avond – op weg naar huis – dook ik binnen bij Jeanneke.

‘De Pot van Olen’ was een druk bezocht café van het Statiekwartier. Deze wijk dankte haar bloei aan de bouw van de Middenstatie vlak naast de Zoo. Dehotels, eet- en drankgelegenheden schoten er als paddestoelen uit de grond. Sommigen waren luxueus en deden de prijzen in de buurt stijgen. Maar de café’s waar de metselaars vertierden bleven trouw aan hun cliënteel. Ze waren wars van de nieuwigheden die de spoorlijn met zich mee bracht. Er hielden ook nog een paar bordelen stand, de oorzaak van de slechte reputatie van dit kwartier.

In De Pot van Olen’ werkten meiden. Je kon er mee naar boven als je het niet te opvallend deed. Het werd niet aangemoedigd. Je moest het weten. (Pauze)

Het spel met de deken was slecht verlopen. De Sauveteurs hadden me laten vallen. Er was een dokter bij te pas gekomen. Die stelde vast er niets was gebroken. Mijn ribben deden wel pijn. En ik hinkte, maar het was niet erg. Nog steeds vermomd in ‘Op Sinjoorken’ met witte kousen vol bloedspatten en een scheefgezakte snor viel ik de taveerne binnen. Eerst was er tumult en hoerageroep bij de herkenning, maar ik kende de truuk-jes om de opdringerigheid van me af te houden en verzonk alleen aan een tafel in een diepe zwaarmoedigheid. Zo droevig was ik nog nooit geweest.

Hoe had ik me zo grondig kunnen vergissen? Ik was in de Ommeganck getrapt als in een val. Ik was verblind geweest door hoogmoed. De gedachte, dat ik geëerd werd en geliefd had me op een vals spoor gebracht. En Medard, Maurice en Marcel? Hadden zij ons opzettelijk voor schut gesteld? Hadden ze me de hele tijd misleid? Kon ik niemand vertrouwen?

Stil schoof Jeanneke de dienster zich op de bank naast me en legde haar hand op de mijne. Ze zei zacht:

“Awel, waoroem schriede gaai?” (Wel, waarom huil je?)

“Ikke? Schrieuwekik?” (Ik? Huil ik?), zei ik alsof er niets aan de hand was.

Ik wou niet, dat iemand het zag. Maar het was te laat.

“Joa. Er rolt ‘n troan ouver aa koak.” (Ja. Er rolt een traan over je wang). Dan maar een uitvlucht proberen: “Tis van de smoer.” (Het is van de rook). Maar Jeanneke gaf het niet op. “Wilde nog nen druppel?” (Wil je nog een druppel?)

“Joa. En pakter zelf oek ien.” (Ja. En neem er zelf ook een).

Jeanneke riep naar de toog:

“Allez veroiet! Twie wittekes!” (Allez vooruit! Twee wittekes!).

Ze lachte en wreef over mijn haar. “Gaai zaait ne roare kadee, zenne. Mê aa oar gelak pinnekesdroad. En beroemd dache zaait. Ge zê ne knappe gast al zaaide zwart. Tis oemdacher goo mê stoat. Al de waaive zaain zot van aa zeker?” (Je bent een rare kwast, hoor. Je haar is net prikkeldraad. En beroemd ben je ook. Je bent een knappe jongen, al ben je zwart. Het is omdat het je staat. Ik wed, dat alle wijven achter je aan zitten).

Ja, ik huilde. En meer dan een traan. Het verdriet was onuitstaanbaar. Het was niet zozeer de schok van de val dan pijn, die kwam uit het besef van werkelijkheid. Het gezuip van de laatste maanden had mij beneveld. En nu – hier alleen met mezelf -in een vertrouwd hoekje, overkwam het me. Het oneindige opgekropte verdriet zocht een uitweg. Ik huilde om het verlies van Oskar, die onnozele, lompe kloot van een gorilla die zo maar omviel omdat hij er genoeg van had. Om Roza, zo opstandig, dat ze niet wist wat te beginnen met haar onderdrukte kracht en die er het slachtoffer van werd. Ze hadden allebei gelijk op hun manier. Ik had zulk een medelijden met ze, dat ik er om snikte als een kind. Ik had ook te doen met mezelf. Dat ik me zo beet had laten nemen door Marcel, Maurice en Medard, die in hun onschuld beweerden grote redders te zijn, maar die zonder moeite door mij onder de tafel werden gedronken. Ik vond ze ook maar sukkels, die niet zo recht meer in hun schoenen stonden met hun voorgewende kameraadschap. En meneer Kets, die de waarheid had zien dagen toen zijn einde naderde na zijn laatste hartinfarct, in het Sint Elisabeth gasthuis. Hier. In dezelfde kamer. In hetzelfde bed. Met dezelfde zuster. Dezelfde dokter. Hij zei hen “…dat het een grote fout van hem was geweest te denken, dat de leegte, waarmee hij de dieren opvulde niets was. Niets is ook iets”, zou hij er aan hebben toegevoegd. Hij werd ontslagen. Kwam thuis. En overleed rechtopstaand. Met opengesperde ogen. Voor het apenkot. Als een versteende bezoeker. Van binnen volkomen leeg. “Kom, ge kunt niemeer oep aa twie biene stoan. Ik breng aa nor hois.” (Kom, je kan niet meer op je twee benen staan. Ik breng je naar huis). Ze nam me in haar sterke armen. Het werd muisstil in de kroeg. Iedereen keek. Niemand sprak. Je kon zien, dat ze zich schaamden over wat ze dachten toen ze in onze richting keken en merkten hoe Jeanneke me kuste. En hoe ik haar mijn vertrouwen schonk. (Pauze)

Verlegen staarden ze voor zich uit. Als schuldigen.

Als medeplichtigen. Van wat?

(Pauze)

Ze heeft me naar huis gebracht. Te bed gelegd. Alles opgeruimd. En ze is er gebleven. (Pauze)

Meneer Vekemans was er als de kippen bij toen hij dit hoorde om de pastoor naar ons toe te sturen.

“Trouw ze a.u.b. als de zaken er zo voor staan.” En de zaken stonden er zo voor. Jeanneke was in verwachting. In allerijl werd de trouwplechtigheid georganiseerd. Maar denk niet, dat het daarom zonder betekenis was. O, nee. Er kwam veel volk op af. Iedereen wilde het huwelijk van een ‘zwart manneke’ met een ‘maske van de boite’ (meisje van de buiten) zien. De kerk zat stampvol.

Het was een mooie mis. De pastoor hield een streng sermoen tegen hen die beweren dat alle Afrikanen in wezen nog menseneters zijn. En dat zijn er meer dan je denkt. Hij herinnerde zijn parochianen aan de Vlaamse schipbreukelingen die twee negers hebben opgegeten om te overleven. Daarna werd er door de directie een feestmaal aangeboden. In het apenkot. Het was op suggestie van meneer Vekemans, die in originaliteit niet wou onderdoen voor zijn illustere oom en voorganger. Het bestuur stond er eerst wel wat vreemd en weigerig tegenover, maar ‘allez-kom-vooruit”, er moet niet altijd naar graten in de vis worden gezocht. Het was geen slecht idee. Veertig genodigden daagden op, waaronder Baron de Caters de Wolf en mevrouw Moretus du Bois, die aan het hoofd van de tafel plaats namen. Meneer Rouffart en zijn beste vriend meneer De-leu en hun dames. Naast hen, een oudere zus van Jeanneke – iewat onwennig – (haar ouders waren overleden) en Marcel, Maurice en Medard, die hun spijt betoonden over de kneuzingen die ik had opgelopen in de ommegank. De anderen zal ik niet noemen. Er waren er te veel. In het midden van de zaal stond een welgedekte tafel en de apenbevolking in de kooien rondom drukte de snuiten tegen het glas om elke beweging van de obers te volgen. Ieder nieuwen onbekend gerecht kon rekenen op een vloed van commentaar. Toen stelde ik tot mijn verrassing vast, dat ik niets meer van de apentaal verstond. Het waren alleen nog maar kreten, de betekenis was verloren gegaan. Ik hoorde ze nu waarschijnlijk zoals ze werkelijk waren, zonder bijgevoegde fantasie. Het eten kwam van de beste traiteur uit de stad en was uitermate verzorgd. Iedereen at met smaak. Wijn was er in overvloed. Op het einde met de koffie en de cognac kwamen de taarten, een geschenk van een bakker uit de buurt. Zilveren koepelvormige schalen bedekten ze. Bij het wegnemen van de eerste vloog er een zwarte duif uit. De aanwezigen waren verrast en riepen: “Hé!” Ze klapten in de handen. Daarna werd de tweede schaal opgelicht. Een witte duif steeg er uit op. De gasten juichten: “Ho!” En toen de taarten werden aangesneden zat er in het ene een kleine bruidegom van drop en in het andere een bruidje van witte suiker. Het enthousiasme kende geen grenzen. Jeanneke, het barmeisje, zag er ook uit als een prinses. Ze straalde. De twee duiven hingen ongemakkellijk aan het plafond en lieten soms wat vallen op de hoofden van de genodigden. De bekende toneelspeler van Doesselaar droeg nu het gelegenheidsgedicht voor, dat Jan van Rijswijck voor ons had geschreven en dat ik sinds die tijd zorgvuldig bewaar. Ik vergat mijn wrok en verdenkingen en leefde mee met het goede humeur van de aanwezigen. Ik dankte iedereen uit het diepst van mijn hart en vroeg mijn peter. Baron de Caters: “Dit feest wordt zeker in het apenkot gehouden om de aandacht te vestigen op de nauwe band die er tussen mens en dier bestaat.” “Het is de bedoeling van God geweest, dat deze eerste optreedt als beschermer van de laatste”, zei hij filosofisch en met een frans accent. Meneer Pastoor knikte daarop beamend.

Er heerste volledige eenstemmigheid in het gezelschap. Men had de juiste toon gevonden. De juiste snaar beroerd.

“Bravo!”, werd er geroepen, “Bravo!”

En iedereen zong van: “Leve onze Jef en hij mag er wezen, leve onze Jef en hij mag er zijn!”

“Te denken dat we afstammen van deze schepselen is strijdig met de christelijke leer van God, maar is het oneerbiedig om te veronderstellen, dat wij een heel verre voorvader delen?”, hoorde ik meneer Rouffart voorzichtig insinueren.

Meneer Pastoor verslikte zich en keek het lid van de beheerraad met boze ogen aan. Er waren dus méér vrijmetselaars in die Raad van Bestuur dan hij had vermoed!

Mijn bruid naast me luisterde niet naar de sprekers en onderhield zich met Maurice. Ik hoorde haar zeggen, dat ik de grootste en dikste knuppel had, die ze ooit had gezien. Dat geen van die haar genaaid hadden daar aan konden. En omdat ze zag, dat ik het had gehoord voegde ze er giechelend in mijn richting aan toe: “Ik zweer aa, daddet woar is!” (Ik zweer, dat het de waarheid is). Ik zou haar voor die mededeling hebben omhelsd, ware het niet, dat de heer Vekemans met zijn mes tegen een glas tikte om de aandacht op te eisen. Hij kwam met een verrassing. Iets bijzonders. Ieder hield zijn adem in. Niemand sprak nog een woord.

En daar was het. (Pauze)

Het einde van de wereld. Een ramp, die mijn pasverworven geluk zou verwoesten. Ik begrijp nog steeds niet goed waarom. In een van de kooien, deze van de chimpansee Alois, was een speciale kleurverlichting aangebracht, zodat het er uitzag als een podium. Daarin verscheen – onder een speciale spot – een bewaker met Alois als een kind aan de hand, en gekleed in een Belgisch revolutionair pak uit de jaren dertig: een blauwe kiel, een muts met een kwast en een tricolore band over de schouder. Het was een kinderkostuum van de Om-meganck. Zodra de Chimp het gezelschap in het oog kreeg stapte hij dapper vooruit naar het glas van de kooi, zette zich in militaire houding en salueerde, de apehand aan de muts. Ik lachte, stond op, salueerde en begon te zingen: “Juicht, belgen juicht..”

Ik vond het een zeer geslaagde grap en wou er hartelijk om lachen. Maar ik merkte dat het stil werd. De anderen waren als één man recht gerezen. Men kon een speld horen vallen. (Pauze)

Ik zweeg. Alle blikken richtten zich op meneer van Passel de schepen van onderwijs, die als hoogste ambtenaar officieel het feest bijwoonde. Hij stond bekend als een vurig patriot, zelf een held van 1830, want hij had littekens en decoraties. Het was hem aan te zien dat hij zich uiterst beledigd voelde. Enkele van zijn katholieke vrienden steunden hem in deze gevoelens. De verstoorde uitdrukkingen op de gezichten leverden daar het bewijs van. “Eh bien, monsieur Vekemans, pour une blague, mes complimentsr: c’est bien réussi!” En hij stapte kordaat naar de geïmproviseerde vestiaire, waar zijn ‘trois cart’ en ‘chapeau me Ion’ hingen en vertrok. Parmantig. Zonder zich te verwaardigen nog één keer om te kijken. De accolieten met hun dames, die gilletjes lieten van verontwaardiging, volgden Baron de Caters. En Madame Moretus du Bois ging eveneens. Meneer Vekemans, die zoiets allerminst had verwacht zonk ineen als een vod. Hij had het allemaal in volkomen onschuld bedacht en deze reactie kwam op hem neer als een mokerslag. De een na de ander verlieten nu de leden van het bestuur nu de zaal. Enkelen draaiden zich om naar mij om zich te verontschuldigen. Deze smakeloze grap was tenslotte niet mijn schuld.

“C’est bien dommage pour vous, mon cher Jef. Excusez-nous…” Iedereen verliet waardig de tafel. Tot Vekemans, mijn bruid en ikzelf achter bleven. De Sauveteurs waren ook met de noorderzon vertrokken. Michel liet tersluiks een briefje achter: “Tot vanavond in het ‘Houten Huiske.’ Vekemans zat er als een geslagen hond. Toen ik ook afscheid nam en hem de hand drukte hing die slap en zonder gevoel. Hij rilde als iemand, die zijn doodvonnis had horen vellen. “Zo was het niet gemeend, Joseph. Echt niet…” Ik zei geen woord omdat niemand dan ik beter wist hoe scherp dingen, die niet slecht bedoeld zijn, anderen diep kunnen kwetsen.

Mijn vrouw en ik reden naar ons nieuw huis in de kar van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde, die in de stad het eten ophaalde voor de dieren en die voor de gelegenheid behangen was met gekleurde papieren versierselen en het opschrift: ‘Just married’. We hadden een nieuwe woning betrokken in de Spuistraat. We voelden ons belabberd. Wij kwamen thuis.

“Hedde dan nie gezien dasse ons veur den aop hebbe gehaawe? Het stoenk in da kot en de mieste woare te vies oem te eten.” (Heb je dan niet gemerkt, dat ze ons voor de gek hielden? Het stonk in dat hok en de meesten vonden het er te vies om te eten).

Inderdaad. Ik had het ook al in de gaten, dat de dames het voedsel met tegenzin in hun mond staken. Maar dat schreef ik toe aan hun opvoeding en nette manieren. Ik had er verder geen aandacht aan geschonken.

Er waren er echter, die hun bord stiekem ledigden op een servet in hun schoot. Voor de hond thuis. Ook daar had ik evenmin notitie van genomen. En opeens – het was sterker dan mezelf – gaf ik Jeanneke een draai om de oren. En nog een. En nog een. Als een woesteling ranselde ik haar af. “Voil hoer. Het is aa schuld. Gaai moakt me belachelijk. Gebt al nen dikken boik. Hoe zulle ze straks geloeve daddet maai joenk is?” (Vuile hoer. Het is jouw schuld. Jij maakt mij belachelijk. Hoe zullen ze straks geloven, dat het mijn kind is?”)

Ze liet zich niet doen en sloeg terug. Het kwam hard aan. Ze was van Boom en had daar een tijd in de steenbakkerijen gewerkt voor ze naar de stad kwam en dat kon je voelen. Haar hand was een dakpan. Ze verdedigde zich zo goed, dat ik het nooit meer gewaagd heb haar aan te raken. Het was een triest einde voor zulk een schone dag. En het begon te regenen.

Ik wist dat ik nu pas mijn rol van ‘Op Sinjoorken’ echt had verdiend.

De zaak van de gekreukte vaderlandse eer gaf me veel te denken. Wat precies weet ik niet meer. Maar het was veel. En verward. Ik hoorde dat ze in het schepencollege was besproken. Dat er een stemming werd gehouden om het bestuur van de

‘Zollogie’ te verzoeken de heer Vekemans niet tot beheerder te benoemen. Maar naar het schijnt waren er toch niet voldoende stemmen tegen het voorstel. De zaak deinde weg en werd vergeten. Tussen mij en Jeanneke kwam het nooit meer goed. Enkele jaren later zouden we scheiden. Ik kreeg weer de verantwoordelijkheid van het apen-kot. Dit ging gepaard met een verhoging van salaris. Niet veel. Ik had nu immers een gezin. De baby was een meisje. Een halfbloed. En de werken aan het nieuwe apenkot vorderden snel. Het was het derde en het grootste in de geschiedenis van de Zoo. Het levende bewijs hoezeer men begaan was met de dieren en hun lot wou verbeteren. Men vroeg mijn raad en er werd rekening mee gehouden.

Deze keer was de nabootsing van het natuurlijk leefmilieu zo perfect, dat het elke kritiek het hoofd kon bieden. Nee, in zulke omstandigheden zou iedereen wel een aap willen zijn. Het eten was nu gevarieerd en er werden op geregelde tijden maaltijden toegediend.

Wat een verschil met vroeger! De boomstronken leken net echt, al waren ze van kunststof. De klim-mogelijkheden boden zoveel verscheidenheid, dat het een lust werd om er rond te hangen en te stoeien. Want, onthou goed, dat de apen ook konden rekenen op een geborgenheid, een bescherming tegen de gevaren, die ze in de bossen ontbeerden. Ik begon bepaalde voordelen van de Zoo te waarderen. Niet alles behoorde onderworpen te zijn aan strenge kritiek. Het komt er op aan uit welke gezichtshoek men het bekijkt. Ja, was ik als troeteldier niet in grote mate geborgen en beschermd door vooraanstaande burgers, zoals Baron de Caters en Madame Moretus du Bois? Ik zou niet weten hoe het beter kon. Voor een sigaar liet ik vrienden binnen en verkocht een volle doos op het einde van de maand! Mijn salaris was klein. Het was meegenomen! (Pauze)

De eerste weken na het vernederende incident met Alois gedroeg meneer Vekemans zich als een schuldige. Had ik er van willen profiteren, dan had ik het kunnen doen. Maar zoiets ligt niet in mijn aard. Toch vroeg ik hem iets, wat hij me onder normale omstandigheden niet zou hebben toegestaan. “Ik wil zo graag de kelder eens bezoeken, waar al de opgevulde dieren van meneer Kets zijn opgeborgen in afwachting van hun verhuis naar het Museum van Tervuren.” Ik weet niet waarom ik die vraag stelde. Het welde spontaan in me op. Het was omdat alles me dwong na te denken over de wijze waarop ik hier was gekomen. En hoe het dan verder met me was gegaan. De vernieling van mijn dorp door slavenhandelaars toen ik nog Yoko heette. Mijn verblijf bij dat krapuul Sala. Mijn tocht met Kapitein Meijers. Ik wist, dat het witte paard van Willem allang naar Leiden was verhuisd, omdat de Hollanders eindelijk de transportkosten hadden betaald. De gier van Ghana was bij gebrek aan belangstelling totaal verpulverd op de mesthoop geëindigd. Ik had hem daar zien liggen. Een hoopje pluimen. En het deed me niets. Ik dacht: zo komt boontje om zijn loontje. De beroemde Aap van Kets’ uit zijn pionierstijd was door een grappenmaker gestolen. Zoals het schilderij, dat iemand van mij maakte. Wat bleef er dan nog over? De uilen, de sperwers, de marters, de otters, het hert, de slangen en misschien, wie weet…een zeldzaam dier… iets, dat ik nooit tijdens het leven van meneer Kets onder ogen had gekregen. Meneer Vekemans zag er geen kwaad in en gaf me de sleutel. In de kille kelder stonden ze onaangeroerd. In het duister. De Opgevulden. Geeneen die nog sprak. Die tijd was voorbij. Zou nooit terugkomen. Ik moest er nu om lachen. Wat een muffe bedoening. Ze stonken naar het stof. Ze waren niet eens meer mooi. Waren ze dat ooit geweest? Amper 10 jaar na de dood van meneer Kets en de helft was goed voor de vuilnisbelt. Vol insecten en bederf. Ik herinnerde me nog de fanatieke stem, die geen tegenspraak duldde: “Ze zijn morsdood. En leeg. Ze hebben geen boodschap meer voor ons!” Hij had gelijk. Maar voor ik mij wou omdraaien om weg te gaan, viel mijn oog op een grote glazen kast. In een hoek. Ik hield mijn adem in en blies de kaars niet uit. Was het een gorilla? Oskar toch niet? Nee, twee handlangers hadden Oskar afgehaald om hem te begraven op een akker buiten de stad. Het was me plechtig beloofd. Nee,… God…het was Oskar… Ze hadden gelogen. Mijn goede Oskar, precies zoals ik hem heb gekend. Opgevuld. (Pauze)

Nog in vrij goede staat naast hem stond er nog een andere…Wat zeg ik? Een andere gorilla? Nee, dat was…dat was…dat was een op ge vu 1de…Op het bordje onderaan stond ‘Nègre de la race Bantou’. Neger van het Bantoeras. Het was niet te geloven. Had ik het goed gelezen? Ik keek scherp toe. Ja…Het moet een jongetje van twaalf geweest zijn, al geleek het nu door het verdrogen van de huid op een verschrompelde ouderling van tweehonderd jaar. Zo zag ik er uit toen ik als Yoko met kapitein Meijers meekwam. Blootsvoets met een lendedoek en ongekamde haren. Hebben zc me nagebootst? Maar dat is onmogelijk. Wezenloos bleef ik in de ruit naar het menselijk fossiel kijken tot langzaam – heel langzaam – een verschrikkelijke werkelijkheid tot me doordrong. Hoeveel keer zou Kapitein Meijers de reis gemaakt hebben met ‘een negerjong’ van de Westkust voor de Stichting van de Koninklijke Maatschappij voor Dierkunde? Of voor de rekening van meneer Kets toen die nog een privé collectie had in zijn huis in de Kloosterstraat, bezocht door vele buitenlanders. Had hij al eens ‘een negerjong’ voor Kets meegenomen? Heeft meneer Kets dit specimen nooit willen vernietigen? Wie van de huidige bestuurders wist, dat deze “Nègrede la race Bantoe’ in de kelder stond? Schaamden zij zich? Of zijn er, die het gezien hebben en die er achteloos aan voorbij zijn gegaan, zonder de minste bijgedachte? Zonder zelfs een vermoeden, dat hier iets niet klopt? Een opgevulde neger naast een opgevulde gorilla, een heiden zonder ziel. (Pauze)

Maar dat meneer Kets deze jongen, mijn voorganger heeft gekend is duidelijk. Hij heeft hem toegesproken. Net zoals mij. Hij heeft hem een onderdak gegeven. Redelijk verzorgd. Misschien is het lezen en schrijven op hem geprobeerd. Maar jammer genoeg bezweek deze jongen aan een longziekte voor er iets werd bereikt. Omdat hij niet tegen het klimaat kon. (Hij hoest).

En hem begraven? Misschien stond hij niet eens geregistreerd…

(Pauze)

Ik kon het niet langer verdragen. Er waren opeens teveel vragen…

Ik blies de kaars uit en verliet de kelder. (Pauze)

Maar toch… Er stond een opgevulde mens. Ik heb hem gezien. En niemand anders dan Kets heeft dit werk volbracht. (Pauze)

En tenslotte nog dit: tegen de tijd, dat ik van Yoko naar Jozef Möller evolueerde kon het openbaar ten toon stellen van een ‘Nègre de la race Bantou’ al niet meer door de beugel en trachtte hij het als een schande te verbergen. En dan rees de volgende vreselijke gedachte bij me op: dat hij mij niet hoefde op te vullen zolang ik in leven bleef. Dat ik – levend – aantrekkelijker was voor het publiek. (Hij spreekt met de stem van Kets). “Het publiek wil geen dode dieren. Dat is uit de tijd. Het wil er levende zien…” (Pauze)

Zo moet hij naar ons hebben gekeken, naar Oskar en mij. Iets van zijn dood werd mij duidelijk. Boven op het paard van Willem ontbrak Willem zelf. Kets ontbreekt aan zijn eigen natuurhistorisch museum. Niets is ook iets. Maar blanken krijgen een christelijke begrafenis. Ze worden nooit ten toon gesteld. Zelfs niet de heidenen onder hen, die men in ongewijde grond stopt. Evenmin als de armen, die in een gemeenschappelijke put worden gegooid. Het zou patriotten als Van Passel niet storen een exemplaar van ‘La race Bantou’ op een voetstuk voor de hall van het nieuwe apenkot te onthullen. Een aap met een Belgisch lint om! Dat is wat anders! Laat staan een opgevulde held van de revolutie van 1830. (Pauze)

De nacht voor de dag, waarop het nieuwe apenpa-leis zou ingehuldigd worden – brandde het af. Meneer Vekemans jammerde: “De apen kunnen we vervangen, maar om die kooi zou Artis ons hebben benijd!”

Michel, Maurice en Medard, helemaal gekleed in redderspakken met helmen, laarzen en bijlen kwamen toegesneld en keken hulpeloos naar de vlammenzee. Er was niets aan te beginnen. Die zomernacht woei er een koele, krachtige wind, die de brand opjoeg. Hij sloeg de vlammen met zweepslagen in het hok. De brandweer rukte aan. Ze hadden versterking gevraagd aan die van Lier. “Maar doe iets”, drong Maurice aan bij Michel. En Medard vroeg aan Maurice: “Waarom doe jij niets?”

De apen huilden in doodangst en van onverdraaglijke pijnen. Ik maakte een gebaar van verslagenheid, wijzend op een chimp die als een schreeuwende toorts door de nacht vloog, gevolgd door vele kleinere als door de nacht uitgestoten projectielen van de hel. Die vielen dan op de grond, rolden verder als rokende zwarte bollen in een poging om het vuur op hun brandende vacht te doven. Maar toch de geest gaven. En dan levenloos bleven rollen. Opnieuw in de brand schoten. En verkoolden. Medard zei me met bevende stem: “Net stervende kinderen. Laten we iets doen.” Ik zei moedeloos: “Er is geen mens, die zijn leven waagt voor een aap.” (Hij hoest).

Dat is mijn laatste sigaar. Ik krijg nog amper lucht in mijn longen.

(Pauze)

Wat aardig van jullie om mij te bezoeken. Michel, Maurice, Medard. Jullie zijn mijn trouwste vrienden. Maar ook mij kunnen jullie niet meer redden. Het is te laat. Dat het een slag is, die ik niet te boven kom? Het verlies van het apenkot? Schrijven de kranten dat? Laat eens kijken: “Zwarte Jefke komt het verlies van zijn vrienden niet te boven.” Ze bedoelen, dat ik de brandende apen niet kan vergeten. Dat ik ze in visioenen zie? Zeker.

Ook Jeanne en de baby zijn er vandoor gegaan.

Maar dat is minder erg,

(Pauze)

Of er opzet in het spel is?

Welnee. Ze is niet met een ander weggegaan. O? Jullie bedoelen de brand in de Zoo? Dat krijgen jullie van mij op een briefje. Het is een wraakzuchtige pyromaan. Er zijn lege bussen met kerosine gevonden. Maar niemand heeft iets gezien. Niemand kan iets bewijzen. Er zijn geen getuigen. En dat ik van verdriet sterf, zegt die krant. Er is niet het minste bewijs. (Hij haalt een foto tevoorschijn). Kijk, dit is een foto van mijn dochter. De monsters hebben een schoonheid verwekt. Als een bloesemtak in een vaas zit ze op een troon naast de keizer van China. Dat is geen fantasie. (Pauze)

Het was een vreselijke nacht… Die nacht van de brandende apen.

Einde

theatertekst
Leestijd 59 — 62 minuten

Tone Brulin

theatertekst