‘De man aan het raam’ (produktie Monty) Foto Luc Monsaert

An-Marie Lambrechts

Leestijd 4 — 7 minuten

De man aan het raam

Monty / Niek Kortekaas, Antwerpen

Ze moesten meer voorstellingen maken zoals De man aan het raam. Met dat gevoel kwam ik uit de kooi waarin alle toeschouwers voor de duur van de voorstelling bijeengedreven waren in de zaal Monty te Antwerpen.

Scenograaf-regisseur Niek Kortekaas kreeg voor deze produktie de vrije hand, tenminste wat de zaal betreft. De Monty-eigenlijk een oude bioscoopzaal – werd voor de gelegenheid ingrijpend aangetast door Kortekaas. En ook de doordeweekse kijkhouding die je als toeschouwer met je meesleept, werd grondig aangepakt.

Dat begint nog voor de voorstelling. Eens je de trappen van de ingang opgeklommen bent, moet je naar omhoog via een stellage. Zo kom je in een soort grote loopkooi terecht, samen met alle andere toeschouwers, zo een veertig in het totaal. Het is erg donker. Er loopt iemand met laarzen bovenop de kooi. Hij heeft een zaklantaarn waarmee hij door het publiek schijnt. En daar zet zich meteen een trein van beelden in je hoofd aan de gang : beelden uit thrillers of uit nep-horrorfilms. Al gauw verlegt de aandacht zich van die acteur die langs de buitenkant van de kooi naar beneden komt, zich naar andere plekken in de zaal : achter je, onder je, kortbij dus. Maar ook veel verderaf, op de eigenlijke scène.

Van dan af schuiven de verschillende sequensen zich in een onvoorspelbaar ritme in elkaar. Er is een scène vooraan waarin een vrouw op een langzaam ronddraaiende ping-pongtafel ligt temidden van een vierkant van stoelen. Op die stoelen beweegt acteur Jos Verbist zich voort met de woorden ‘Paradise is exactly like this but only much much better.’ Naast dit citaat treffen we later ook fragmenten uit The Waste Land van T.S. Eliot, en uit o.m. De Hamletmachine van Heiner Müller. Net als zich een bepaald ritme geïnstalleerd heeft in deze scène, duiken achter je, onder en boven je weer licht en andere acteurs op.

Elke scène bouwt op nieuwe elementen die toch telkens op een bepaalde manier vanuit de ruimte zelf ontstaan zijn : de horizontale projectie-opening in de achtermuur geeft zicht op hoofd en bovenlijf van een acteur en een actrice die beiden ook plat liggen, maar wel van elkaar weggekeerd. Het lijkt op een plat uitgerekt tv-beeld of filmfragment, mede door de heldere lichtcontrasten van geel en blauw die door de opening heen te zien zijn. De tekst wordt telkens herhaald, net zoals alle andere teksten trouwens. De betekenis van deze woordenuitwisseling laat zich niet vastzetten, maar glijdt tussen de beelden door. ‘Do you know nothing ? Do you see nothing ? Do you remember nothing ?‘ De stilte na de storm.

Die desolaatheid, soms gekoppeld aan een min of meer vage agressie zien we ook in andere scènes opduiken : die waarin Michel Menten zich moet wentelen in het ijskoude water dat zich verzameld heeft op de trappen van wat eens een tribune moet geweest zijn.

Andere scènes installeren dan weer een grotere abstractie : op vijf tafels staan vijf aquaria met daarin forellen. Verticaal valt de lichtstraal op het water terwijl de acteurs met ontbloot bovenlijf toekijken.

Af en toe dreigt het gevaar directer : een vrouw doet een gevaarlijk lijkende evenwichtsoefening op de rand van een balkon. Of nog : een achtervolgingsscène in de eigenlijke zaal waar veel aarde ligt en een serie dennebomen kriskras door elkaar staan. Daar achtervolgt Verbist een van de vrouwenfiguren : intussen herhaalt hij Hamlets woorden, vermalen door Muller : ‘Ik speel geen rol meer… Mijn drama vindt niet meer plaats.’

En inderdaad, het drama heeft niet meer plaats : vele drama’s vinden tegelijk plaats, wij hebben er een grotere of kleinere afstand tegenover al naargelang ons letterlijk standpunt ons toelaat. Het drama laat zich niet vatten met een afwikkeling in woorden. Als er woorden zijn, zijn dat eindeloze herhalingen van dezelfde sequensen. Het drama verlegt zich naar het samenspel van beelden en klanken. Van kleuren en afstanden. Van dreiging en verleiding. Dat samenspel heeft geen uitkomst. Geen eindpunt ondanks het feit dat de voorstelling stil valt op een soort apotheose- beeld : op verhoog) es die tot hoog tegen de achterste scène wand bevestigd zijn, staat een hele hoop acteurs en personages in een soort van vuurlijn.

Deze voorstelling drijft op een voortdurende manipulatie van het gezichtspunt van de toeschouwer. Die wordt verwend met installaties van beelden, geluiden en mannen en vrouwen die daarin evolueren. In plaats van zich betekenissen te laten opdringen, lijken mij eerder vrije associaties te ontstaan, associaties met beelden en verhalen die je eerder gezien of gehoord had, associaties die soms drijven op oerreacties als angst, afweer, fascinatie, nieuwsgierigheid.

Als je buitenkomt, weet je niet wat het geheel was dat je gezien hebt. Maar je hebt vooral véél gezien en de individuele beelden zijn in duidelijke trekken op je netvlies geprent. Misschien gewoon doordat zich even dat moment van onveiligheid installeert, waardoor je super alert wordt voor elk beeld, voor elk geluid dat zich rondom je voordoet. Alleszins stop je even met nadenken wat dit nu allemaal betekent en probeer je gewoon te kijken naar wat er allemaal is. Een beetje zoals je als kind door één tekening in een stripverhaal eindeloos lang gefascineerd kan worden. Zo lang dat je bijna het stripverhaal zelf vergat. Maar genoten had je ondertussen.

Scenografie en regie : Niek Kortekaas;

tekst : T.S. Eliot, Heiner Müller, David Lynch, e.a.;

spel : Jos Verbist, Michel Menten, Tamara Huilmand, Elsemieke Schölte, e.a.

Gezien in Monty te Antwerpen op 16 december 1991.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

An-Marie Lambrechts

recensie