Het is een verdomd moeilijke opgave, theater maken over twee iconische artiesten. Hoe raak je voorbij een tribuut of een nagespeelde documentaire? En hoe kruip je overtuigend in de huid van de vaak ongrijpbare Lou Reed (1942-2013) of de geniale en charismatische Laurie Anderson (1947)? Het getuigt dus van veel moed dat Mitch Van Landeghem en Carine van Bruggen voor hun laatste voorstelling voor De Hoe Laurie & Lou neerzetten.
Voor het grootste deel slagen de makers in hun opzet: dit is theater, en het is grappig en ontroerend. Van Landeghem, van Bruggen en gitarist Shane Van Laer verwelkomen ons in een opnamestudio, waar ze ‘Heroin’ spelen. De scène is intiem, gezellig ook, ondanks de felle TL-lichten in verschillende kleuren. Koffiemokken overal, verfomfaaide paperassen tussen de elektronica, een knuffeltje ligt naast de lederen zetel waarop Van Laer nonchalant hangt. Maar we zijn ook ergens anders: na de laatste tonen van ‘Heroin’ heten van Bruggen en Van Landeghem ons welkom. Het vliegtuig, waarvan wij, maar ook een aantal denkbeeldige mensen, de passagiers zijn, zal landen of crashen – of misschien beide. Het is maar hoe je het bekijkt.
Dat vliegtuig verwijst naar het album dat Anderson maakte over de Amerikaanse piloot Amelia Earhart, en vooral naar wat ze zei in een interview over dat album. Iets waar Anderson bij het maken veel aan dacht, was een crash die ze zelf heeft meegemaakt, waarbij een derde van de inzittenden om het leven kwam. Zij kwam met de schrik vrij. Tegelijk valt de crash in Laurie & Lou ook samen met het moment waarop de twee artiesten elkaar ontmoetten, op de luchthaven van München in 1992. Ze crashten in elkaars leven, ontregelden elkaar. Of ze stabiliseerden elkaar; ze gaven elkaar een zachte landing.
“Anderson en Reed crashten in elkaars leven, ontregelden elkaar. Of ze stabiliseerden elkaar; ze gaven elkaar een zachte landing. Het is maar hoe je het bekijkt.”
Van Bruggen en Van Landeghem kruipen afwisselend in de huid van een van hun idolen, of spreken het publiek toe als zichzelf. Die rolveranderingen kondigen ze slim aan: ze stellen elkaar telkens voor zoals een band dat doet tijdens concerten. Ook de anachronistische opbouw werkt goed. We leven langzaam toe naar onze landing en dus naar die ontmoeting in München, maar ‘Anderson’ en ‘Reed’ praten al met elkaar als een soort alwetende vertellers. Ze moedigen elkaar aan om anekdotes te vertellen, over bovengenoemde crash, over Andy Warhol en zijn studio The Factory en over hoe Anderson op haar elfde haar rug brak.
Tussen die verhalen door brengen ze samen met Van Laer sterke bewerkingen van bekende songs – behalve ‘Heroin’ ook ‘Take a walk on the wild side’, ‘Walk the dog’ en ‘O Superman’, om er maar een paar te noemen. Op een scherm vooraan vloeien documentairebeelden van Anderson en Reed ineen met videobeelden van van Bruggen en Van Landeghem. Af en toe smelten New York en Mechelen zo een fractie van een seconde samen.
Van Bruggen en Van Landeghem zijn beiden geloofwaardige vertellers, die scherpzinnig spelen met quotes van hun idolen en zichzelf niet al te serieus nemen. De anderhalf uur speeltijd vliegt voorbij. En toch. Toch doet Laurie & Lou ernaar verlangen de echte iconen te zien. De voorstelling wekt een honger op die ze niet volledig kan stillen.
“De voorstelling wekt een honger op die ze niet volledig kan stillen.”
Van Landeghem weet vooral te raken wanneer hij als zichzelf spreekt, over zijn eigen puberteit, en over de lastige verhouding tot zijn idool Reed, die ook een onuitstaanbare eikel was. Daar wordt duidelijk waarom de makers nu juist theater wilden maken over Anderson en Reed: niet alleen is theater hun kunstvorm, hun taal, het verhaal van het artiestenkoppel gaat ook over hen en over zoveel anderen en hun (queer) zoektochten en liefdes.
Laurie & Lou is dan ook op haar sterkst wanneer de voorstelling de twee mensen uit de titel overstijgt. Wanneer Van Landeghem en van Bruggen elkaar af en toe even zwijgend aankijken, en voorzichtig knuffelen, is de liefde voelbaar. De liefde die ook in interviews met Reed en Anderson naar voren kwam. Die van kunstenaars die elkaar en elkaars werk ten diepste respecteren, elkaar uitdagen en ‘zichzelf’ worden bij de ander. Die soms beter weten wat hun partner nodig heeft dan diegene zelf. Van Landeghem en van Bruggen ontroeren en roepen alle vragen op die met zo’n liefde gepaard gaan. “Heb ik je veranderd”, klinkt het. “Heb ik je een deel van jezelf afgenomen? Zijn we samen saaier, gezapiger geworden?”
“Na van Bruggens door ‘Heroin’ geïnspireerde monoloog over de drug wil je haast zelf gaan gebruiken.”
Over dat gezapige gesproken, daar lijkt zich wel sterk een verlangen naar the wild side af te tekenen. Na van Bruggens door ‘Heroin’ geïnspireerde monoloog over de drug wil je haast zelf gaan gebruiken. Hoe Reed huilde om zijn kapotte lichaam komt niet aan bod, en dat Reed en Anderson tai chi beoefen(d)en wordt weggezet als een bezadigde hobby. Vond Reed en vindt Anderson dat zelf ook? Anderson bracht in 2023 met The art of the straight line postuum de notities uit die Reed over tai chi heeft geschreven, waaruit blijkt dat hij die ‘hobby’ zeer serieus nam. Grappig genoeg komt de traagheid van de heroïneroes die van Bruggen beschrijft goed overeen met wat Reed schrijft over tai chi.
Misschien is dat hetgeen waardoor ik af en toe op mijn honger bleef: van Bruggen en Van Landeghem weten zich goed in te leven in de jonge Reed en Anderson, maar minder in de oudere. Een tweede video die de twee theatermakers toont terwijl ze net als het oudere koppel hun hondje uitlaten, doet daarom zelfs een tikje knullig aan: de afstand tussen hen en Reed en Anderson is simpelweg te groot. Om dezelfde reden overtuigt ook het laatste deel van het slot niet, waarin de 77-jarige Anderson spreekt met de geest van Reed. Maar goed, het deel daarvoor – waar ze de ontmoeting in 1992 naspelen – is wél aangrijpend, en Anderson zelf is notoir slecht in haar werk laten eindigen. Ergens is de cirkel dus wel weer rond.





