Portret van Landru, werk van L’Atlas

Harlan Levey

Leestijd 8 — 11 minuten

De Burger en de Seriemoordenaar

Stedelijke kunst wordt installatie

Henri Landru stond in november 1921 terecht voor elf moorden. Hij werd schuldig bevonden over de hele lijn, ter dood veroordeeld en drie maanden later geëxecuteerd op de guillotine. Veertig jaar later deed een gerucht de ronde dat de dochter van Landru’s advocaat een tekening vond die Landru gemaakt had terwijl hij wachtte op zijn executie. Op de achterkant had hij blijkbaar geschreven: ‘Ik heb het gedaan. Ik heb hun lichamen verbrand in de oven in mijn keuken.’

Geïnspireerd door het œuvre van Jerome G. Demuth en L’Atlas

1e Beweging: Rust in Stukken

De rotzooi van de een is een schat voor de ander. Recycleren, het begin van een nieuw, ander leven. Het gebeurde op een dag in Parijs, geen idee hoe die dag eruit zag, die details van het verhaal zijn niet overgeleverd. Wat ik weet is dat een mooie jonge vrouw in een hoop rommel een parel ontdekte: een reproductie van het politieportret van de Franse seriemoordenaar Henri Landru. Net zoals ik je niets kan vertellen over de lucht, de geluiden, de voetgangers rond haar, heb ik geen flauw idee waarom de foto haar aantrok of waarom ze die schim van onder de rommel haalde. Maar ze heeft het gedaan. Een vergeten foto is net gereïncarneerd.

Dit verhaal begint met een moord. Ze werd niet gepleegd door Henri Landru. Ze heeft zelfs nog niet plaats gevonden, maar er worden collectief plannen gesmeed. Het is een politieke discussie aan het worden, waarover druk gefluisterd wordt in cafés, op expo’s, een hot topic in de coming community: ‘Moeten we de term street art begraven?’ Per slot van rekening irriteert hij de meesten onder ons mateloos en net als bij zogenaamde ‘democratie’ staat de huidige definitie ervan toch ter discussie.

Is een werk street art, omdat het een onderkomen vond temidden van de voetgangers of omdat het de taal van de straat spreekt? Is het een kwestie van beton of van cultuur? Wat ooit afgedaan werd als adolescente levensangst, territorialiteit (honden die tegen bomen pissen, een handvol consumenten die een naam de wereld inspuiten) en een zweer op het publieke oog, is nu bijna te hip, hoppend door alle vormen van de culturele industrie terwijl het geleidelijk aan de fundamenten van de beeldende kunsten ondermijnt.

Het is een feit, ‘street art’ klinkt al even poëtisch als ‘kruiwagen. Het vertelt enkel iets over wat al zonneklaar is en slaagt er zelfs niet in zich af te vragen wat kunst is of een paraplu te voorzien die breed genoeg is om beschutting te bieden aan alle technieken en stijlen die er als één pot nat worden ondergegooid. Neem nu die twee aanplakborden. De ene noemt men kunst (in 2006, maar tien jaar eerder heette dat vandalisme). De andere is reclame. Beide staan op straat.

Het verschil tussen beide is dus niet de locatie, maar het onzichtbare, het proces, de poëtische beweging die we niet kunnen zien. De breuk tussen kunst en design, reclame en creatief werk toont zich in de oorspronkelijke intentie. En toch zegt niemand ‘straatreclame’, gewoon reclame, ‘gewoon kunst’ en dit doet vermoeden dat locatie er weinig mee te maken heeft. Het impliceert ook dat het niet per se kunst is omdat het op straat staat. (Sorry, straatratjes van me, blijven proberen zou ik zeggen).

Achter een van de twee beelden zit de drang om behoeften te creëren en in te vullen, om ons als consument te overtuigen. Achter de gedachte van een burger, een herinnering aan het feit dat realiteit en fictie vaak van pet wisselen. Beide zijn massamedia. Beide staan er met als doel onze aandacht te trekken en ons te verleiden om even stil te blijven staan, ongeveer zoals Landru zijn slachtoffers verleidde. Het werk van het bedrijf kan je zien als een poging tot subtiele hersenspoeling. Het werk van Jerome G. Dernuth daarentegen is pure massacommunicatie; organische kunst die zichzelf in haar omgeving inbedt en nieuwe narratieven en mogelijkheden voorstelt, terwijl de grote business probeert ons leven vorm te geven. In dit geval is het een waarschuwing; een vorm van kunst waarbij het delen van ideeën getuigt van zorgzaamheid. Als we spreken over kalligrafie, typografie of de conceptualisering van een communicatiecultuur is ‘stedelijk expressionisme’ grensverleggend, een anonieme oproep voor meer democratie en verbeelding.

Goede plekken worden niet betaald door de bedrijven of gereserveerd voor het kruim van de beeldende kunsten. Ze worden dapper, en soms op een intelligente manier, ingepalmd. Stedelijk expressionisme is democratisch in die zin dat we het ons (bijna) allemaal kunnen veroorloven en dat iedereen zijn steentje kan bijdragen. Iedereen gelijk voor de wet. Kots of graffiti tag, er is geen kiescollege en er zijn geen nieuwskoppen die de boel kunnen vervormen; de boodschap wordt de burger onder de neus geduwd en die burger kan reageren.

Hoe we het ook noemen, overal ter wereld trekken jonge activisten en kunstenaars de straat op om hun expressies de wereld in te gooien, in de maalstroom van het visuele geschreeuw waar onze steden in verdrinken.

2e Beweging: Creatieve Reconstructie

Twee vrienden, een gesprek. Onderwerp: een misdaad, de ingrediënten, oude sporen, de invloed van de andere kant van de wet op hun leven. Later… dagen, of weken, doet er niet toe… kijken ze naar The Shining. Niet Stephen Kings remake van zijn eigen boek, maar de originele versie van Kubrick, die getuigt van meer inzicht in het medium.

Een van hen keert terug naar de gevonden foto van Monsieur Landru en gaat aan de slag. Zijn naam is L’Atlas, Frankrijks beruchte stedelijke cartograaf. Hoewel zijn vriendin beweert dat hij geen kaart kan lezen, hebben zijn invloeden er hem toe gebracht lijnen te creëren die leiden naar een onbekend, diep terrein… In zijn verzonnen typografie, met rode spray en rubberen plakband, schreef hij REDRUM op Landru’s gezicht. Kan een beeld iemand vermoorden? Kan een burger verteerd worden door een foto? Wat zegt de spiegel? ‘Murder’…

In het geval van samenwerking is er begin noch eind. En dit is het geval van gemeenschap en cultuur zelf. ‘All work and no play makes Jack a dull boy.‘

Kunst borrelt en bruist terwijl design koelt en kalmeert. Goede design toont nieuwe mogelijkheden voor een zogenaamd beter leven. Goede kunst nodigt ons uit om die koele efficiëntie even te doorbreken en verplicht ons iets anders te verbeelden. Goed is dood.

We lijden aan een persoonlijkheidsschisma. We zijn burgers. We zijn consumenten. De twee rollen spreken elkaar tegen en we zijn beide, hoewel geen enkele van de twee optioneel is.

Als burgers ontvangen we informatie. / Als consumenten absorberen we informatie (vaak onbewust).

Als ontvangers evolueren we. / Als sponsen satureren we.

Omdat ze minder structuren hebben ge-download en nog lang niet gesatureerd zijn, kunnen kinderen beter talen leren dan volwassenen. ‘Volwassene’ komt uit het Latijn voor ‘volledig gevormd’. Als we volledig gevormd zijn, hebben we geen plaats meer voor nieuwe structuren, talen of manieren om te navigeren. Als we volledig gevormd zijn, blijft er maar één iets over: beginnen weg te rotten.

Design vertelt ons wat te doen en zelfs wat te willen, kunst herinnert ons eraan dat het niet ‘zo of zo’ moet zijn en fluistert dat ‘zo en zo’ waarschijnlijk toch alleen maar producten van onze verbeelding zijn. In de stank van onze rottende utopia’s recycleerden de street arts stalen muren en verbrande ideeën, tegen de sterke stroom van het kapitalisme in. Ze staken een stok in de wielen van het standaardiseringsproces, van tegenstrijdige illusies of heersende opvattingen.

Hun claim op de publieke ruimte en hun ‘ik-geef-er-gene-moer-om’ houding overtrad meer dan één wet, al dan niet op grote schaal. En bleef tegelijkertijd trouw aan een democratische en artistieke moraal die veel meer geeft om de gemeenschap dan die ‘ene moer’ (in tegenstelling tot vele bedrijven). Hierdoor is de urbane kunststroming in een gevecht verwikkeld geraakt. Het gevecht voor iets anders… Het gevecht om op te staan, gezien te worden en niet geboeid, gesmoord of uitgewist te worden; het gevecht om de stiel, het concept en het stedelijk landschap te verbeteren; het gevecht om de rekeningen van verf, penselen, stickers en lijm te betalen; en tot slot, het gevecht om erkend te worden in hun vakmanschap. Velen vonden dit niet belangrijk, maar toen het eenmaal kwam, stonden de meesten met open armen klaar.

Dus wat gebeurt er als de rebellen hun geweren inleveren en worden uitgenodigd om mee aan de feestdis te gaan zitten? Gaat het gevecht door? Is dit de volgende subculturele context die volgepropt wordt met Hollywood-formules, die zo gefragmenteerd wordt dat de gemeenschap die erachter zit uiteenvalt en vergeet waarom ze de straat opging? Wint het aan kracht? Bereikt het een hoogtepunt? Of wordt het varken vetgemest?

3e Beweging: De plaats van de misdaad

Vaak worden kunstenaars designers om hun brood te verdienen; ze gebruiken hun vaardigheden voor projecten in opdracht, met commerciële doeleinden. Artistieke integriteit wordt plots aan de ketting gelegd en moet zich verantwoorden voor een jury (of de Afdeling Marktonderzoek). De waarde ervan wordt gemeten aan de impact. Dat is de waarde van design. De prijs van kunst daarentegen wordt enkel bepaald door wat wordt onthuld (of natuurlijk door wat iemand bereid is ervoor te betalen).

Jerome werd betaald om een video te maken. Als designer deed hij zijn job goed genoeg om een vervolg te draaien. Als kunstenaar had hij andere plannen en bleef filmen toen de design al klaar was. Het resultaat: shoots van een beroemde actrice die niet acteert. Eindelijk had Landru een nieuwe jonge vrouw op het oog. Dit zou de achtergrond worden.

In de ‘Chicago’ wijk in Brussel lopen we een half uur rond, af en toe vragen we iemand op de stoep de weg naar BOAZ. Frans, Nederlands of Engels, je komt er niet ver mee in deze buurt, en niemand kan ons helpen. Na de tiende poging wordt het belachelijk. Naar rechts, naar links, nog een keer of drie naar links en we hebben het gevonden.

We gaan binnen door een smalle deur in een garagepoort, struikelen over een lege bierkrat in een minuscuul tuintje, passeren een fata morgana van dronken tags… eindelijk, we zijn er. Het geeft de indruk van een klein magazijn, de soort versteende parel die je vandaag hier en daar nog kan vinden. Een stevige structuur, verwaarloosd sinds wie weet wanneer. De ruimte ziet eruit als een kraakpand. Laat je niet om de tuin leiden. Achter BOAZ zit een pak geld. Dit hele ding steekt goed (en juist) in elkaar. Zestien boeiende jonge kunstenaars doen mee. Waaronder: Clyde Knowland, Alexone, Jerome G. Demuth, Yassine Mekhnache, Simon Says, El Nigno, Cyril K., Babou, L’Atlas, Sun7, Tane, Prince Off, Erris, Gysbert, Mathew Crasner en Jihef.

De expo heeft een glossy catalogus: het soort abstracties en theoretische blabla dat veel kunstenaars proberen af te leren of gewoon helemaal afvoeren. Laat de woorden niet in je plaats spreken, met de hand op het hart verraden ze je publiek, poëtisch en potsierlijk. Laat de beelden voor zich spreken. Maar de missie die aan al dat geleuter voorafging was wel sympathiek:

‘De kunstenaars de kans geven om samen te werken in verschillende media en een breed en divers publiek te benaderen… het publiek de kans geven om een wereld binnen te stappen waar ze zich al te vaak uitgesloten voelen, de wereld van de hedendaagse kunst.’

In de kilte van de BOAZ kelder liggen de doden van Landra, street art en elf jonge meisjes stil bij elkaar in een installatie die je niet anders dan een tombe kan noemen.

Zoals in elke tombe komen we binnen om te herdenken en te rouwen, maar gaan we buiten op zoek naar leven en een nieuwe reden om te vieren.

Het is een installatie met alle elementen van een street piece. Gerecycleerd materiaal recht van het schroot, het verlangen organisch te werken met bestaande elementen, kalligrafie die snel uitgevoerd moet worden, een groot plakvel, spuitbussen, plakband, de tools en technieken die de kunstenaars op straat hebben uitgewerkt, zijn ineens aan het werk binnen de vier muren van een galerij. En natuurlijk is er in een galerij altijd een conceptueel element, die laag van buitensporigheid waar de catalogus voor zorgde, een verhaal dat je moet kunnen pellen als een ajuin. Hier kan het. Daar is de moordenaar. Daar is het slachtoffer. Daar hangt bloed aan de muur.

Daar is een dik stalen graf. Daar zit het verhaal achter het werk, een verhaal achter elk verhaal. Daar is de kaart. Niets ervan ligt voor de hand. Maar het is allemaal daar.

Dit stuk fungeert als een brug. Het verleent onderdak aan stedelijke kunst en steunt het met centen die te voorschijn komen zonder aan kettingen te moeten liggen. Plotseling maken die technieken zich los van de term ‘street art’, ze zijn niet langer een gezegde, ze worden een onderwerp. Ze worden aanvaard door de wereld van de beeldende kunsten, ze veranderen door de tijd, de ruimte en het comfort dat die wereld biedt. Tegelijkertijd leidt dit stuk het publiek uit de galerij, terug de straat op, waar ze misschien eindelijk alle stickers, spatten en (soms niet erg) subtiele tekens zullen opmerken die kunstenaars en activisten achterlieten. Een Readymade Work met beide voeten op de grond profiteert van de nieuwe mogelijkheden en is trouw aan wat er niet is.

Street art is dood en de brug van de tombe wordt overspoeld door verkeer en claxons. Vijf stappen vooruit, tien stappen achterwaarts, een waarheid is louter een weg van loyaliteit, en dit was een voorbeeld van twee kunstenaars die deze weg namen. In de tombe, tussen de sporen van de moord, vinden we harde bewijzen dat de coming community, de toekomstige gemeenschap, vlekken zal maken op de witte muren van galerijen, terwijl ze verder vechten voor iets anders.

Vertaling Stien Michiels

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 8 — 11 minuten

#102

15.06.2006

14.09.2006

Harlan Levey