© Koen Broos

Leestijd 4 — 7 minuten

David of hoe we ons bedacht hebben – de KOE | De Nwe Tijd | Hof van Eede

Niet acteren, maar spelen!

De voorstelling DAVID van De Koe / Hof Van Eede / De Nwe Tijd zindert na een aantal dagen nog steeds na. DAVID draagt onmiskenbaar de drie verschillende signaturen van de betrokken gezelschappen, maar samen bereiken ze een punt dat ik hen afzonderlijk nog niet heb weten vinden.

Het voortdurende wijfelen, zelfthematiseren, erop wijzen dat het ‘theater’ is, de bij momenten verlammende zoektocht naar een intellectuele en eerlijke uitweg: het houdt allemaal steek in deze voorstelling.  Meer nog, samen slagen ze erin om te midden van al dat zoeken en uit elkaar halen, de verlamming te omzeilen en een stap vooruit te zetten. Ik ben verrast en onder de indruk over de manier waarop DAVID erin slaagt een diepe twijfel over de mogelijkheid van iets ‘persoonlijk’ weer te geven terwijl het tegelijk toch zo persoonlijk aanvoelt. Door hoe de deconstructie van het ik – dat van de persoon, dat van de acteur als acteur op scène, dat van het personage – het precies weer mogelijk maakt om ‘ik’ en ‘iets’ te zeggen. Omdat er net weer een mogelijkheid ontstaat om echt te spelen door het spelen uit elkaar te halen. Hoe ze daartoe komen is niet eenvoudig, maar de complexiteit van DAVID werkt wel, is haast noodzakelijk om hun punt te maken.

De DAVID uit de titel verwijst naar de Amerikaanse schrijver David Foster Wallace. Hij is de schrijver die op scherpe en tegelijk omslachtige wijze de eenzijdigheid van het bestaan en identiteit genadeloos afmaakte. Oprechtheid, geloofwaardigheid, spelen met theatraliteit, een continue meta-perspectief: het lijkt alsof Wallace de poëtica’s van De Koe, Hof Van Eede en De Nieuwe Tijd in zich verenigt. Dat zijn werk dan ook een solide basis vormt voor een samenwerking tussen deze gezelschappen, bewijst hun eerste van drie voorstellingen over de schrijver. Anders dan Wallace, die zich gepijnigd door dat eeuwige niet met zichzelf samenvallen, na een aanslepende verslavingsproblematiek op 46-jarige leeftijd van het leven beroofde, zoeken de spelers en makers van DAVID naar een manier om toch door te gaan – en ze lijken daar zowaar in te slagen.

In het theater, in de wereld weten we intussen dat het leven een spel is, dat we allemaal rollen spelen en dat niets eenvoudigweg ‘gewoon’ kan zijn. We weten intussen ook dat de deconstructie van dat spel, eveneens een spel is, gewoon één met andere regels. Wat we misschien nog niet helemaal weten, is hoe het daarna dan verder moet. Want is dat op het theater nu net niet ook een typisch genre geworden, waarbij het spelen dat je op het theater aan het spelen bent, ook oppervlakkig geworden is, omdat de deconstructie zich niet meer tot een vooraf bestaande entiteit verhoudt en nergens heen gaat? Het zijn vragen die de spelers in DAVID op scène letterlijk ‘performen’. De voorstelling begint gefragmenteerd en neigt naar een soort zelfopheffing, alsof ze zelf de zoektocht naar een raison d’être al opgegeven had.

Hoe blijven leven wordt bij DAVID vertaald naar het theatrale probleem: hoe blijven spelen? Wat rest er nog van het theater in een wereld die bulkt van de schijn en het niet samenvallen met zichzelf – en waarin zelf dat niet samenvallen al meteen een soort gimmick wordt? Die vertaling is de inzet van de voorstelling, maar ook op een kleiner niveau is ze alomtegenwoordig. Het meest sprekende voorbeeld daarvan is de anekdote van Willem De Wolf over de voorstelling stand in die hij in 2003 met Ton Kas maakte, en waarin ze stand ins hadden ingehuurd om hen na te spelen, om zo ‘jaloers te zijn op hoe goed zij hen spelen’. Het motto: ‘niet acteren, maar spelen’. Die zelfontdubbeling zit overal in de voorstelling – spelers verweven persoonlijke verhalen met intieme scènes van personages, en met hun theatrale persona. De verslaving van Wallace wordt zo de verslaving van één van de spelers, een geval van aanranding door één van de spelers schemert door in de relaties tussen de Wallace-personages, de melancholie en de intimiteit van het post-mortem vloeit over in de nachtelijke beelden die op schermen boven de scène worden geprojecteerd en in de nachtelijke mijmeringen van een fictieve radiozender. Ook het opzet van de voorstelling is zo meerlagig en laveert tussen televisie-talkshow, radioprogramma, stand-up en theater, allemaal op zo’n manier neergezet dat het “theater” tussen aanhalingstekens blijft, maar dat er toch echte ‘scènes’ kunnen ontstaan – niet acteren, maar spelen!. Het is die aanwezigheid van ‘personages’ (Wallace, zijn weduwe Karen, de talkshowhost David Letterman, … ) en ‘echte’, nee, echte scènes, die een verwezenlijking lijken te midden al die fragmenten en lagen. Tegelijk is het de fijnzinnige keuze voor welke personages, wat ze zeggen en doen die ook weer zin geeft aan de eigen persoonlijke verhalen en de deconstructie van het theatrale gebeuren. Emoties en gedachten krijgen zo op verschillende wijze gestalte, en laten niet na te beroeren.

Heeft het te maken met de combinatie van generaties, met een gedeelde liefde voor Wallace, of met diens zelfmoord en de vraag naar hoe te leven zonder zelf tot die piste verleid te worden? Ik kan het niet honderd procent zeker aanduiden maar er is iets oprecht ontroerend in deze voorstelling gekropen. En die ontroering en oprechtheid zitten hem dan vooral in de meest theatrale scènes – wanneer de spelers even verlost worden van de verhouding tot zichzelf en dan ook echt kunnen spelen. Dat gebeurt in het gesprek tussen David Letterman en Sue – wat een zaligheid om Willem De Wolf zich zo te zien smijten als Letterman, om het te zien knetteren met Suzanne Grotenhuis als Sue St. James, hoe verrassend dicht blijven ze zo bij Wallace’ eigen fascinatie met dit waargebeurde gesprek –  en in het imaginaire en intieme gesprek tussen Wallace en zijn weduwe Karen, maar ook, bij de prachtige nachtradio Insomnia, met als gastheer Willem De Wolf. Die radio creëert een mooie intimiteit in het theater, en het opzet van deze zender die gewoon snel in de ether zou moet komen, zou zomaar eens een poëtische visie op podiumkunsten kunnen zijn: in het donker zijn we verbonden en luisteren we naar elkaar, omdat we ergens wakker van liggen. Misschien is het dat wel wat zo sterk werkt in DAVID: ook al schreeuwt de voorstelling het niet van de daken, de makers en spelers liggen duidelijk van iets wakker, iets van vitaal én theatraal belang.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#165

03.09.2021

30.11.2021

Kristof van Baarle

Kristof van Baarle schreef recent een doctoraat aan de Universiteit Gent over het posthumanisme in de podiumkunsten. Momenteel is hij verbonden aan de Universiteit Antwerpen en werkzaam als dramaturg voor Kris Verdonck 
(A Two Dogs Company).

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!