Scène 1,2. ‘Een steegje’. Een afgebrokkelde muur (als beeld voor de revolutie), daarachter drie ramen als tekens van huizen. De ramen in deze enscenering zijn ontelbaar en veelvormig: ronde boogramen, driehoekige puntige ramen, statige deurramen, halfronde getraliede ramen, simpele rechte ramen. Het raam is het broze vlies dat binnen en buiten scheidt. Het is de overgang van het private naar het maatschappelijke. En precies op dat dunne papier schrijft zich Dantons dood. Als geen ander stuk toont het de wrijving tussen de geschiedenis en het individu. Tegelijk vertaalt het raam (zoals het oog in Woyzeck) de essentiële publiekscène verhouding: het kijken. Het is geen voyeuristische blik. Kijken betekent observatie, betekent leren. De weerspiegeling van de blik gaat naar buiten; leert over de werkelijkheid rondom ons.

Luk Van den Dries

Leestijd 4 — 7 minuten

Dantons dood in het NTG

Het spiegelgevecht van Danton en Robespierre

In 1981 regisseerde Ulrich Greiff een memorabele Woyzeck bij het NTG. Drie jaar later zet hij de Büchnerreeks verder met Dantons dood. De visuele intelligentie van Ulrich Greiff in tekst en beeld.

Het seizoen is bijna afgelopen en ophieuw, elk jaar weer, moet men vaststellen dat van alle repertoiregezelschappen alleen het NTG zijn opdracht waarmaakt. Waar men het elders houdt op onbenulligheden en goedkoop vertier, kiest het NTG resoluut voor de klassiekers: Molière, Shakespeare, Tsjechov, Büchner, e.a. Het is goed de fundamenten af en toe nog eens op hun stevigheid na te kijken. Waar elders op een inteelterige manier aan theater gedaan wordt, wat zieke, zwakke produkties tot gevolg heeft, gaat het NTG naar buiten : volgend seizoen is bijna helemaal aan gastregisseurs overgeleverd: Franz Marijnen, Ulrich Greiff, Jean-Louis Penoit, Stavros Doufexis, Herman Gilis. Een inbreng van vers kapitaal die alleen maar verrijkend kan zijn, ideeën kan doen botsen, normen aanscherpen.

Als voorsmaak daarvan kwam Ulrich Greiff Dantons dood regisseren. Drie jaar geleden deed hij hier een memorabele Woyzeck van dezelfde Büchner. Dantons dood is een moeilijker stuk, hoewel de voedingsbodem dezelfde is: de verhouding tussen individu en samenleving. Die wordt gesteld n.a.v. de Franse Revolutie (het stuk bestaat voor een groot deel uit historische redevoeringen): streef je een wereld na waarin het goed wonen is voor jezelf, of ga je, met de deugd als vaandel, nog verder, op gevaar dat de revolutie haar eigen kinderen opvreet. De levensgenieter Danton tegenover de asceet Robespierre.

De acteursregie van Greiff is erg statisch. De tekst wordt vrij langzaam gezegd, fysieke commentaar wordt achterwege gelaten. Aan de acteurs stelt dat zware eisen, die voor het grootste deel indrukwekkend worden ingelost. De behandeling van de ruimte is daarentegen filmisch gemonteerd: veelvuldige en snelle scènewisselingen, ingrijpende beelden. Voor Greiff is theater ook en vooral visuele kunst. Beter dan tekst en analyse kunnen foto’s hiervan een indruk geven.

De kamer van Robespierre (Walter Moeremans) kil en ascetisch. Alles is hier vertikaal, kaarsrecht: het illustreert zijn rechtlijnige, compromisloze houding. Maar ook de rots wordt door twijfels bezocht en wankelt: bij het einde van de scène komt de wand op hem af, vouwt de kamer toe, als een groot blad papier dat wordt omgeslagen.

Het releveert aan de andere kant, in spiegelbeeld, de kamer van Danton (Hugo Van den Berghe). Het bed is groter, mensen zitten meer doorgezakt in de stoelen. Een wippende stoel vormt een schuine lijn. Danton zelf ligt nog in bed. Zijn berusting zal hem uiteindelijk fataal worden. Ulrich Greiff zet houdingen om in simpele visuele tekens die tegelijk rijk zijn aan betekenis en connotatievermogen.

“De aarde is een dunne korst; ik denk altijd er te zullen doorzakken waar zo’n gat is.” Twee heren in conversatie, onderweg van het theater. Ze hebben iets breekbaars, niet van deze wereld. Deze figuren worden betekenisvol in dubbelrol gespeeld door de ‘onkreukbaren’ St Just en Robespierre. Het maakt hen sympathieker, minder eenduidig. Op het einde daarentegen trekken ze, in een andere dubbelrol, de beulskap aan: de rechters zijn ook de moordenaars.

Opnieuw maakt Danton zich een weg in spiegelbeeld, van links naar rechts. Rechts vooraan, ongeveer op dezelfde plaats waar in Woyzeck de zandloper stond, zet hij zich onder een zandstraal en filosofeert over de dood, een obsessie bij Büchner. De dood is het eeuwige slapen, het graf is de rust. “Ik hou van je als het graf,” zegt hij tegen zijn vrouw Julie. Het zand als teken van de dood en gang van de geschiedenis: het hele’ tijdsverloop tussen de Franse Revolutie, Büchner en vandaag.


Openingsscène in het Palais Royal waar de Dantonisten zich te goed doen aan vrouwen, drank en spelen. Draperies en uitgelichte ornamenten geven de welstand aan. Geen ramen hier: men denkt alleen aan eigen genot.


II.4. “Hoe leeg de kamer is.” Camille (Guido Van den Berghe) aan de stencilmachine met liefje Lucile (Els Magerman) en Danton. Af en toe wordt de scène helemaal opengetrokken tot tegen de achterwand. Op het enorme plateau worden de bemoeienissen van de mensen nog onbeduidender, nietiger.


De Club der Jacobijnen. De kerkruimte (op de repetitiefoto ontbreken de gotische ramen) is een historisch citaat. De pilaren zien er niet al te stevig uit: van het hele NTG-budget blijft maar 2,8% over voor produktiekosten (decor e.d.). Het gevolg: goedkope materialen en bij firma’s bedelende directeurs. Inlevering met behoud van tewerkstelling bepaalde Poma.


Het Comité van Openbaar Welzijn. Een wat ironische benaming voor een instelling die enkel doodstraffen uitspreekt. De vloer waarop zij zetelt is in andere scènes het verpletterende dak van de gevangenis. Oorzaak en gevolg zijn aanwezig in hetzelfde teken. Tafeltjes, ongelijk van vorm en hoogte, als de wispelturigheid van de revolutionaire rechtspraak.


Centraal in Dantons dood zijn de scènes in de Nationale Conventie. De deputés moeten er oordelen of Danton schuldig is aan hoogverraad. Daarbij worden ze geholpen door de demagogische redevoeringen van St Just en Robespierre. Greiff breekt de ruimte nu ook langs voor uit. Het theater wordt gesloten, de zaal is parlement. Figuratie gooit vanuit de galerijen pamfletten en zorgt voor wat tumult. Het publiek – ‘la plaine’ – wordt wat geforceerd tot partij gedwongen. Toch blijft altijd het theaterteken aanwezig, want de revolutie is in de eerste plaats een maskerspel; tijdens de hele voorstelling staat midden voor het tafeltje van Simon, de souffleur. Onderaan het pleidooi van Robespierre en Danton in verdediging: voor de laatste maal een spiegelgevecht.

DANTONS DOOD

auteur: Georg Büchner;vertaling: Hugo Claus; regie: Ulrich Greiff; decor: Angelika Lenz en M.G.Peter; licht: Jan Gheysens; spelers: Hugo Van den Berghe, Walter Moeremans, Guido Van den Berghe, Chris Thys, Peter Marichael, Jos Verbist, Els Magerman, Roger Bolders, Eric Van Herreweghe, e.v.a.

Luk Van den Dries

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

reportage
Leestijd 4 — 7 minuten

#7

15.07.1984

14.10.1984

Luk Van den Dries

Luk Van den Dries is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en redacteur van Etcetera. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringsgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen en is gespecialiseerd in het naoorlogse Vlaamse theater.