Theo Van Rompay

Leestijd 10 — 13 minuten

Dan maar de RAT afschaffen?

De vorige RAT hield tijdens zijn mandaat (1984-1987) 88 vergaderingen met een gemiddelde van 4,25 uur per vergadering, 374 uren in totaal. Hij formuleerde 65 adviezen en stuurde daarnaast 8 adviezen in briefvorm aan de minister. Hoe onmisbaar is de Raad van Advies voor de Toneelkunst?

In het vorige nummer van Etcetera berichtten we reeds over de nieuw aangestelde Raad van Advies voor de Toneelkunst (RAT). De RAT werd in het leven geroepen door het theaterdecreet van 13 juni 1975, voluit het “Decreet houdende subsidieregeling van de nederlandstalige toneelkunst”. Artikel 9 van het decreet bepaalt dat “de Raad bestaat uit een voorzitter, een ondervoorzitter en 11 leden door de Koning benoemd uit deskundigen op het gebied van de toneelkunst en uit vertegenwoordigers van de directeurs van instellingen voor toneelkunst en de toneelauteurs. Het mandaat duurt vier jaar en is éénmaal hernieuwbaar. De Raad wordt samengesteld met eerbiediging van de wet en het decreet waarbij de bescherming van de ideologische en filosofische strekkingen gewaarborgd wordt.” In Artikel 10 wordt het werkingsveld omschreven: “De Raad brengt advies uit over alle in dit decreet vermelde aangelegenheden en, op verzoek van de bevoegde Minister of op eigen initiatief, over alle aangelegenheden die de toneelkunst aanbelangen.”

Tot zover het wettelijk kader. We trappen een open deur in door te stellen dat de RAT, samen met het theaterdecreet in zijn geheel, sinds lang scherp bekritiseerd wordt. Voor ons ligt het eindverslag van de voorbije RAT, door hem opgesteld over de voorbije werking (1984-1987), Er ligt ook het verontwaardigde persbericht van 15 juni 1988, n.a.v. de samenstelling van de nieuwe RAT (zie Etcetera 23 voor de volledige tekst), ondertekend door een 25-tal prominenten uit de theatersector. Wettelijk kader, de RAT-praktijk van de voorbije vier jaren en een scherpe protestreactie: voldoende elementen om een diagnose te stellen van een uiterst belangrijke schakel in het theaterweb.

Negatief bilan

De discussie over de RAT heeft de wenselijkheid van een adviesorgaan als uitgangspunt. De meningen hierover zijn verdeeld. Op ondoorgrondelijke wijze werden gezelschappen als Brialmont, NVT, HTP en BKT door de RAT negatief geadviseerd; INS/ Mannen van den Dam kreeg geen verdediging van de raad toen de minister in 1986 het positieve advies naast zich neerlegde. In het eindrapport worden deze hete hangijzers nergens aangeraakt — merkwaardig toch. In zijn inleiding vermeldt ontslagnemend voorzitter Piet Jaspaert dat “vanuit formeel organisatorisch, administratief standpunt en/of vanuit een onhoudbare discrepantie tussen decretaire voorschriften en artistieke prestaties, enkele gezelschappen moesten verdwijnen”. Moet de RAT dus als waakhond van het decreet beschouwd worden? We komen hier op terug.

De RAT steekt ook pluimen op zijn hoed. Zo “kreeg het jeugdtheater terecht prioritaire steun” (Eindverslag, blz. 5). In Etcetera 23 kon u lezen dat tientallen mensen uit het kinder- en jeugdtheater dit ten stelligste bestrijden. De RAT pronkt ook met de toelagen die aan projectmatige experimenten verstrekt werden en met de steun aan een aantal ‘receptieve produktiecentra’ (Schaamte, Stuc, Nieuwpoorteater, enz.). Laat ons wel wezen: voor alle projectaanvragen werd in 1986 en 1987 respectievelijk 20 en 40 miljoen fr. geadviseerd, d.w.z. 3,9 en 6,9 % van het totale theaterbudget (de minister reduceerde in 1987 bovendien het bedrag tot 25 miljoen fr.). Dit kan een redelijk bedrag lijken, maar is in feite een peulschil wanneer men even overloopt wie daarvoor in aanmerking komt; in 1986 b.v.: Marc Vanrunxt, Pat Van Hemelrijck, Needcompany, Jan Decleir, Blauwe Maandag Compagnie, Mannen van den Dam, NVT, Josse De Pauw, Rosas, Roxane Huilmand, Michèle Anne De Mey, Pyramide op de Punt en 54 anderen. In 1987 lagen er 77 aanvragen op tafel! Hetzelfde geldt voor de receptieve produktiecentra waar een schamel budget van 15 miljoen fr. over 10 centra verdeeld moest worden in 1987. De steun aan projecten en receptieve centra lijkt meer op een alibi dan op een fundamentele koerswijziging. De RAT heeft echter een verweer achter de hand: hij kan de decretaire voorschriften niet omzeilen. De ironie wil dat de herziening van het theaterdecreet de prioritaire opdracht was die cultuurministers Ka-rel Poma als Patrick Dewael aan de RAT bij herhaling meegegeven hebben. De RAT, zo stelt die uitvoerig in zijn eindrapport, heeft die uitdaging tenvolle geaccepteerd. “We hebben er heel hard en lang aan gewerkt”, schrijft Piet Jaspaert. Hij doelt daarmee op drie adviezen: “Advies nr. 38 (29-9-86) betreffende de grondslagen voor een nieuw theaterdecreet”; “Advies nr. 40 (17-11-86) betreffende het niet nakomen van door het theaterdecreet opgelegde verplichtingen” en “Advies nr. 52 (26-10-87) betreffende het onderzoek naar de wenselijkheid van hetzij opheffing, hetzij aanpassing van artikel 3 § 1 5* van het theaterdecreet”. Op de inhoud van die adviezen komen we in een volgend nummer terug; hier interesseert ons vooral de stelling van de ontslagnemende RAT dat die herziening in de ontwerpfase blijven steken is omdat “vanuit de hoogste instanties niet gereageerd geweest is op de initiële en principiële voorstellen van de RAT” (blz. 28). Deze argumentatie houdt geen steek. De RAT was door de minister belast met een expliciete opdracht en was het aan de (theater)gemeenschap verplicht klaarheid te brengen in een jaren aanslepende discussie. Als de minister in kwestie de boot uiteindelijk probeert af te houden, moet de RAT zich niet in een hoekje laten drummen: hij kan (in feite moet hij dat sowieso) de discussie in de openbaarheid brengen, hij kan officieel protest aantekenen, hij kan al dan niet collectief ontslag nemen. Neen, wat doet de RAT? Hij gaat even voorzichtig aan de mouw van Patrick Dewael frommelen. Dat komt ervan wanneer men zich onvoorwaardelijk loyaal opstelt t.a.v. de minister.

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat velen carrément pleiten voor de afschaffing van de RAT. De besluitvorming wordt er alleen maar minder doorzichtig door. Alles zou duidelijker, en vooral eenvoudiger zijn bij een directe relatie tussen minister en theatermakers. De minister zou zelf rechtstreeks een beleid kunnen uitstippelen. Of hij/zij zou volledig autonoom, op de wijze die hem of haar het beste past, bepaalde mensen of instellingen met een adviserende opdracht kunnen belasten. In een land waar men vaak tussen de regels moet lezen of in de coulissen moet duiken om een glimp op te kunnen vangen van de werkelijke gang van zaken in de beleidsvoering, zou dergelijke van man tot mansituatie een verademing zijn. Gedaan dus met een minister die zich steeds kan verschuilen achter het advies dat hem/haar verstrekt werd, terwijl die adviesraad steevast beklemtoont dat het laatste woord bij de minister ligt, aan wie hij loyauteit verschuldigd is. Openheid en ondubbelzinnigheid is anders… Toch ligt de oplossing niet in het wegsnijden van de Raad van Advies. Het zou immers betekenen dat de kunstenaar zich neerlegt bij de volledige politisering van het kunstenbeleid, terwijl hij er alle belang bij heeft op eigen condities te kunnen werken. Kunst is in wezen een tegenkracht binnen ons verambtelijke bestel, is een staat van zuiverheid, fundamenteel tegengesteld aan het gevecht om de macht, het compromis, de grootst gemene deler, de politiek. In september 11. is nogmaals gebleken hoe speculatief de portefeuilleverdeling (what’s in a name?) in de Vlaamse gemeenschapsregering tot stand kwam. Het werkelijke belang van een kunstenbeleid was er compleet ondergeschikt aan de uitbouw van een machtsevenwicht. Laten we daar geen illusies over koesteren!

Het komt er dus op aan de autonomie van de kunst veilig te stellen. Let wel: dit is geen pleidooi voor een wereldvreemde of a-politieke kunstbeleving. Integendeel zelfs, pas vanuit een zo groot mogelijke onafhankelijkheid bestaat de kans dat de kunstenaar alternatieve modellen kan ontwikkelen, normeringspatronen kan doorbreken, kortom, kan inwerken op de Umwelt, waaronder niet in het minst de politieke ethiek. Volstrekte autonomie is utopisch (gezien de noodzakelijke investering van gemeenschapsgeld in de kunsten), maar er moet permanent gestreefd worden naar de grootst mogelijke zelfstandigheid. Hierin is een voorname rol weggelegd voor de RAT of enig ander nieuw te formeren intermediair adviesorgaan.

Raad voor de Kunst

Een adviserende raad, goed en wel, maar hoe? Misschien kunnen we enkele ideeën opdoen in Nederland, waar de Raad voor de Kunst (RVK) reeds sinds de jaren ’40 adviserend optreedt. De werking ervan staat in het beleidskritische Nederland ook veel minder onder druk dan de RAT in Vlaanderen. Niet dat alles koek en ei is wat de RVK bedisselt, maar de grondvesten blijken toch stevig. Het eerste wat opvalt zijn de materiële condities: de omvang van het RVK-apparaat valt niet te vergelijken met de RAT, de beslissingsmechanismen zijn veel fijner gestructureerd, het secretariaat van de RVK-werking wordt verzekerd door 18 voltijdse en 9 deeltijdse personeelsleden, er is naast de personeelslast een besteedbaar budget van ruim 14 miljoen fr.

Aan de top van de RVK staat de Kernraad (10 leden). Daaronder ressorteren zes Afdelingen: Amateuristische Kunstbeoefening/Kunstzinnige Vorming (7 leden), Beeldende Kunsten en Bouwkunst (14), Film (8), Letteren (8), Muziek en Dans (12), Theater (10). Elk van die Afdelingen (behalve de filmafdeling) laat zich adviseren door Werkgroepen. In het geval van de Afdeling Theater zijn dat zeven Werkgroepen: Toneel (14 leden), Werkplaatsen (7), Mime (7), Jeugdtheater (8), Poppentheater (6), Dramatische Letterkunde (4), Reis-en Studiebeurzen (5). Daarnaast kan elke Afdeling ook nog Commissies in het leven roepen die belast worden met specifieke opdrachten (denk b.v. aan het befaamde rapport van de commissie De Boer enkele jaren geleden). Naast deze uitgebalanceerde structuur waren er in 1987 ook nog een aantal Werkgroepen die niet meteen onder een bepaalde Afdeling te plaatsen vielen, zoals de Werkgroep Kunstuitingen Migranten, Kunstvakonderwijs, Holland Festival, e.a.

Alle leden van Kernraad en Afdelingen (waarvan de voorzitters, naast anderen, zitting hebben in de Kernraad) zijn door de Kroon benoemd. Die Kroonledenkunnen à titre person-nel solliciteren bij de RVK, maar zetelen in regel toch vanuit een organisatie: de vakbeweging, de Vereniging van NederlandseToneelgezelschappen, de Bond Beeldende Kunstenaars, enz. De leden vanWerkgroepen en Commissies worden wel ten persoonlijke titel aangesteld. In de Werkgroep Toneel vinden we onder meer Carel Alons (Rotterdamse Schouwburg), Ruud Backx (Art en Pro), Cas Enklaar (Toneelgroep Amsterdam), Jan Joris Lamers (Maatschappij Discordia) en Hans Croiset (Het Nationaal Toneel) die als Kroonlid tevens zitting heeft in de Afdeling Theater.

Het zou te ver leiden (al is het een erg interessante materie) de inhoudelijke beleidsvoering van de Afdeling Theater te vergelijken met die van de RAT. We willen ons hier beperken tot een aantal werkingsprincipes die schril contrasteren met de Vlaamse situatie.

1. De RVK beslist zelf over de leden die er zitting in hebben. Iedereen die zich tot die taak geroepen voelt, kan zich kandidaat stellen, ten persoonlijke titel of geruggesteund door een organisatie. De RVK beslist volgens autonoom geformuleerde criteria; de minister accepteert die keuze. Voor de Werkgroepen, van waaruit alle adviezen vertrekken naar de Afdeling in kwestie, worden de leden aangesteld door een selectiecommissie, bestaande uit Kroonleden en ambtenaren van het ministerie van WVC.

Hoe, wanneer en door wie er beslist wordt over de samenstelling van de RAT daarentegen is een groot vraagteken. Er worden alleszins geen sollicitatieprocedures in de openbaarheid gebracht en men kan slechts vermoeden dat personen aangebracht worden vanuit de “cultuurcellen” van de diverse politieke partijen. Het enige wat vast lijkt te staan is dat de politieke verhoudingen gerespecteerd worden, zoals voorgeschreven wordt door het Cultuurpact, maar de schaamte is te groot om dit open en bloot in de openbaarheid te brengen.

2. In het verlengde hiervan: de RVK gaat er prat op dat alleen vanuit kennis en inzicht in het vakgebied geselecteerd wordt. Voor de Afdelingen is dat vooral beleidsmatige bekwaamheid, voor de Werkgroepen praktijkkennis. In de Werkgroep Toneel zetelt minimaal 50 % acteurs en regisseurs, aangevuld met organisatoren, producenten, programmeurs, enz.

Die laatste score wordt door de RAT ook gehaald, waarbij het echter zeer de vraag is of die verhoudingen niet louter formeel gerespecteerd worden. Feit is dat in het hol van de leeuw zelf getwijfeld wordt aan de zuiverheid van aanstelling: “Dertien leden uit de in het decreet genoemde invalshoeken op deskundige basis en met voldoende abstractievermogen recruteren is een niet eenvoudige taakstelling. Als dit nog op de weegschaal van het Cultuurpact moet, dan kan dit precair worden” (EindverslagRAT, blz. 21). Anders gezegd: vindt maar eens dertien theaterdeskundigen die bovendien een partijkaart op zak hebben — een begrijpelijk probleem.

3. De RVK heeft weinig te verbergen voor de gemeenschap: de jaarlijkse plenaire vergadering is openbaar, net zoals de vergaderingen van de Afdelingen waar de adviezen uiteindelijk hun beslag krijgen. In theorie zijn ook Werkgroep- en Commissievergaderingen voor iedereen toegankelijk, maar daar is in de praktijk nooit publiek bij aanwezig. Alleen de gerichte evaluatie van gezelschappen wordt met gesloten deuren behandeld. Verder: alle adviezen aan de minister zijn openbaar en de belangrijkste ervan worden integraal gepubliceerd (samen met de volledige adviezenlijst, in 1987 voor de ganse RVK: 1.380!) in het tweemaandelijkse Informatiebulletin van de RVK. De notulen van haast alle vergaderingen zijn opvraagbaar. De leden van de diverse advies-geledingen hebben alleen in perioden van rechtstreekse subsidiebehandeling een zwijgplicht.

Bij de RAT ligt dat anders: er is niets openbaar. Noch de vergaderingen, noch de adviezen, laat staan de notulen. De leden hebben allen een zwijgplicht. Het hierboven geciteerde Eindverslag licht voor het eerst de sluier van vier jaar beleidspraktijk (de ‘lekken’ terzijde gelaten). In dat — overigens toe te juichen — verslag lezen we onder ‘Openbaarheid versus geslotenheid’ het eufemisme dat er “in de praktijk een vrij gesloten werking was” (blz. 22). Maar verder ook dat “de RAT de behoefte voelt om een communicatie op gang te trekken over bepaalde afgewikkelde beleidsopties en/of adviezen, zodat de theaterwereld terzake kan reflecteren”. Het is verheugend dat de RAT zelf die bedenking oppert, maar het geeft geen antwoord op de vraag waarom dat niet meteen in de praktijk gerealiseerd werd. Als men zich dan toch altijd achter het decreet verschuilt: dit legt de RAT een duidelijke adviesfunctie op t.a.v. de minister, maar het bepaalt nergens dat er geen openbaarheid in het adviseringswerk mag zijn!

Wat te doen?

Terug naar het uitgangspunt. Een adviesraad kan een wapen zijn ten gunste van de kunstenaar en gericht tegen de politieke bemoeizucht. Zonder dieper in te gaan op de Nederlandse beleidspraktijk vallen uit het Nederlandse model toch enkele aanwijzingen te distilleren:

1. het is evident dat in de samenstelling van de RAT (of enig ander kunsten-adviesorgaan) de politieke horigheid volstrekt moet geweerd worden ten gunste van deskundigheid;

2. de beleidsadviserende werkzaamheden moeten de grootst mogelijke openbaarheid nastreven;

3. een en ander kan alleen wanneer de adviesorganen zelfstandig kunnen opereren, wanneer haar werkingsprincipes en dynamiek niet vanuit de politiek, maar vanuit de kunsten zelf geformuleerd worden.

Naar de Vlaamse situatie toe zijn we daar nog mijlenver van verwijderd. De politieke alliantie in de nieuw geïnstalleerde RAT maakt dit jammerlijk duidelijk: vanuit de CVP werden vijf leden aangebracht (P. Thomas, R. Verreth, K. Janssens, J. Deca-luwe, J. Verhaeren), vanuit de SP vier (W. Tïllemans, R. Van Vlaenderen, H. Uytterlinden, C. Opdebeeck), vanuit de PW drie (H. Meert, C. Lom-me, B. Verhoye) en vanuit de VU één (B. Van der Plaetse). Het strekt de ontslagnemende RAT tot eer dat hij in zijn Advies nr. 30 (4-6-86) vraagtekens geplaatst heeft bij de zware hypotheek die het Cultuurpact op de samenstelling van de RAT legt: “Er dient nader overleg gepleegd over de manier waarop de Raad wordt samengesteld en op basis waarvan de Raad zijn legitimiteit moet halen” (aldus wordt het betreffende advies samengevat op blz. 27 van het Eindverslag). Maar nogmaals: te laat! De vorige RAT, en niemand anders, verkeerde in de objectief gunstige positie om de daad bij het woord te voegen en om deze fundamentele discussies open te trekken tot een publiek gevoerd debat. Zijn Eindverslag kan, helaas!, niet anders als vijgen na Pasen beschouwd worden. Wat, terugschuivend in de tijd, natuurlijk niet verwonderlijk is: de vorige RAT was, evenzeer als de nieuw geïnstalleerde, zelf de emanatie van een politieke consensus, totaal ontkoppeld aan een gefundeerde beleidsvisie inzake de kunsten…

Deze diabolische vicieuze cirkel stemt droevig, maakt wanhopig. Op een of andere wijze moet die toch doorbroken kunnen worden. We kunnen hopen op een lucide minister van cultuur die het wettelijk kader en de werkingsprincipes bijstelt. We kunnen hopen dat leden van de huidige RAT kordater zijn dan hun voorgangers en zich offensief opstellen vanuit een integere bekommernis om de kunsten. Ik vrees dat die hoop ijdel zal zijn. De autonomie van de kunstenaar weegt niet zwaar door in het politieke bedrijf. Dat recht zal moeten bevochten worden, dat terrein moet veroverd worden op de politiek. Het klinkt vele kunstenaars ongetwijfeld treurig in de oren, maar het heft zal in eigen handen moeten genomen worden. De beste kansen op succes liggen in de collectieve opstelling, in het — over alle artistieke disputen heen — vinden van een consensus over de wijze waarop de eigen artistieke activiteit op beleidsniveau moet behandeld worden. Het komt erop aan zelfstandig de modaliteiten van de besluitvorming te bepalen, aangepast aan de specificiteit van de artistieke creatie. Vanuit een eenheid rond de centrale principes kan de georganiseerde theatersector streven naar de oprichting van een Autonome Raad voor het Theater (de ART, dat klinkt alvast beter dan RAT). Die autonome raad kan via permanente confrontatie met het theaterveld zijn wijze van functioneren bijschaven, verfijnen, op punt stellen. Pas dan bestaat de kans dat de globale kunstensector zich volwaardig verdedigd weet door een adviescollege. Pas dan wordt een adviesraad het broodnodige scharnier in de problematische verhouding tussen kunstenaar en politicus.

artikel
Leestijd 10 — 13 minuten

Theo Van Rompay

artikel