Dries Moreels

Leestijd 12 — 15 minuten

Culturele centra new look

Over de culturele centra en over het gemeentelijk cultuurbeleid in het algemeen wordt doorgaans vooral gezwegen, maar nu maken ze plots deel uit van een polemiek. Minister Anciaux heeft namelijk twee ontwerpdecreten klaar: voor de culturele centra en voor het gemeentelijk cultuurbeleid. Etcetera zet de feiten op een rijtje.

Culturele centra hebben in Vlaanderen een specifieke plaats ingenomen in het sociale leven van een gemeente: de fanfare en de toneelgroep spelen er, een rockband oefent op zolder, de verschillende sociaal-culturele verenigingen bieden er debatavonden, kooklessen en taebo aan. Het cultureel centrum (erkend of niet, van wijkhuis tot stadsschouwburg) is in de eerste plaats een gebouw dat tegen dat alles bestand is, en dat in principe de hele bevolking (‘van 7 tot 77′) over de vloer krijgt. In principe, want een blik op de kaart is genoeg om de ‘witte vlekken’ te herkennen: het oprichten en uitbaten van een cultureel centrum (hierna: CC) is een gemeentebevoegdheid, maar niet alle gemeenten hebben of hadden een CC als prioriteit voor ogen. In Oost-Vlaanderen b.v. of langs de kust zijn er amper CC’s te vinden. Elders werd er in verschillende deelgemeenten een CC opgericht waarvoor telkens een afzonderlijke erkenning (en subsidie) aangevraagd werd (b.v. Kortrijk, Antwerpen). Bovendien waren de decreten en subsidieregelingen in het verleden vooral gericht op de infrastructuur en op het bevolkingsaantal van de gemeente, en amper (of helemaal niet) op de beleidsdaden van het CC. Omwille van de wildgroei en de onaangepastheid van het decreet van 24 juli 1991 werd er in 1998 ten slotte een erkenningsstop afgekondigd.

Minister Anciaux heeft nu werk gemaakt van een nieuw wettelijk kader: hij legt zowel een ontwerpdecreet voor de culturele centra als een ontwerpdecreet voor het gemeentelijk cultuurbeleid op tafel. Door de teksten ook op de officiële websites beschikbaar te maken en in de sector genoeg geroezemoes te creëren, genereert de minister al feedback vooraleer de teksten in het Vlaams Parlement besproken worden.

Culturele centra

Het ontwerp van decreet betreffende de culturele centra (in de versie van 1.12.2000, memorie van toelichting van 18.12.2000) lijkt op het eerste gezicht vooral de inhoudelijke doelstellingen van de CC’s te willen herformuleren en tot toetsbare parameters om te smeden. Het decreet kent de CC’s drie basisopdrachten toe: cultuurspreiding, gemeenschapsvorming en cultuurparticipatie. Onder cultuurspreiding valt het tonen van ‘een zo gediversifieerd mogelijk aanbod’ (memorie van toelichting, p. 2) van kunst, zowel professionele als amateurkunsten. Een cultureel centrum mag het daar niet bij laten maar moet ook de lokale gemeenschappen, het sociaal weefsel versterken door b.v. organisatoren (meestal vrijwilligers) te begeleiden en te ondersteunen, of projecten op te zetten samen met buurt- en opbouwwerkers, met scholen enz. Bovendien moet het CC ook de participatie bevorderen (en daarmee de culturele competentie verhogen) door concrete informatieverstrekking, door projecten van kunsteducatie, door een doelgroepenbeleid (b.v. migranten, laaggeschoolden), enz.

Het nieuwe ontwerpdecreet vervangt de bestaande indeling van de CC’s (in basiscategorie, +I en +II) door een systeem van vier subsidiecategorieën (A tot D). De gemeenten kunnen een subsidie aanvragen die bestaat uit een basisgedeelte, waarin vooral kwantitatieve en infrastructuurnormen gelden, en een variabel gedeelte, dat aan kwalitatieve parameters getoetst zal worden. De basissubsidie wordt toegekend op basis van grosso modo de normen van de vroegere decreten (aantal vergaderzalen, uitrusting van de gebouwen, aantal cultuurfunctionarissen, enz. telkens in functie van de categorie waarin een CC erkend wordt).

Elk CC moet een beleidsplan opstellen waarin het beleid van de gemeente (eventueel ook van naburige gemeentes) en dat van het CC op elkaar afgestemd worden. Het plan moet voor een periode van zes jaar concrete streefdoelen en toetsingsmogelijkheden stipuleren. Halverwege is er een bezoek door de administratie cultuur voorzien, die de gemeenten met raad en daad wil ondersteunen. De tendens is niettemin duidelijk: ‘het nieuwe decreet wil meer autonomie aan de gemeenten verlenen’ (memorie van toelichting, p. 4).

Bovenop de basissubsidie kan een gemeente nog een ‘variabele subsidie’ vragen. Die vraag moet ze staven met cijfers i.v.m. publieksbereik, publiekswerking, infrastructuur, programmeringsbudgetten en de gemeentelijke inbreng en met een verslag over de ‘aard van de werking’, de enige echt inhoudelijke parameter. Deze wordt in het ontwerp van ministerieel besluit niet nader ingevuld. Ook de berekeningswijze van deze variabele subsidie is in het ontwerp niet vermeld.

Nog los van de werking van de verschillende al dan niet erkende CC’s in de realiteit, is het nog maar de vraag of de CC’s b.v. hun sociale effecten zullen kunnen bewijzen of daar meetinstrumenten voor zullen hebben. In meer dan één CC ontbreekt b.v. een gesofisticeerde databank i.v.m. participatie en publiek. Welke adviezen en meetinstrumenten de administratie cultuur (of eventueel het nieuwe steunpunt voor de culturele centra, de vzw punt.ccultuur, in dit ontwerpdecreet met 22 miljoen fr. betoelaagd, cf. art. 16-20) klaar heeft, is echter nog niet af te leiden uit dit ontwerpdecreet en ontwerp-uitvoeringsbesluit. De realisatie van de toch ambitieuze inhoudelijke doelstellingen (verbeteren culturele competentie en participatiegraad door concrete projecten enz.) zal daar nochtans in grote mate van afhangen.

Onder de verschillende administratieve veranderingen schuilt echter de echte omwenteling van dit ontwerpdecreet: alleen de in het decreet opgenoemde steden (of gemeenten met een centrumfunctie) zullen binnen het decreet ook een CC kunnen oprichten, want alleen zij hebben een centrumfunctie en kunnen de spreidingsopdracht ook effectief waarmaken. Al de rest (toch twee derden van de in de basiscategorie erkende CC’s) valt buiten het decreet en kan hoogstens nog als ‘gemeenschapscentrum’ in het ontwerpdecreet gemeentelijk cultuurbeleid ingeschakeld worden. Op die manier wordt echter een simplistisch syllogisme tot norm verheven: cultuur moet toegankelijk zijn voor alle Vlamingen én gemeenten met een centrumfunctie (m.a.w. waar men komt werken, winkelen, uitgaan, enz.) bereiken veel meer mensen dan alleen hun inwoners, dus cultuur moet over die centrumgemeenten verspreid worden om heel Vlaanderen te bereiken. Dat kunst tegendraads genoeg is om een dynamiek te genereren die lijnrecht tegen die economische logica in gaat, wordt door de basisredenering van dit ontwerpdecreet ondenkbaar.

Het uitgangspunt van deze lijst met centrumgemeenten is het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, dat de huidige stand van zaken op vlak van ruimtelijke ordening, infrastructuur, stedelijke kernen en economische kernen verbindt aan prognoses i.v.m. toekomstige ontwikkelingen (economische, demografische en infrastructurele prognoses voor Vlaanderen in 2007) en vanuit die kennis beleidsopties i.v.m. woningbehoefte, mobiliteit, industrieterreinen enz. wil schragen. Als de minister van Cultuur een evenwichtig en coherent spreidingsbeleid voor de kunsten wil uitbouwen, dan kan hij blijkbaar moeilijk om dit planningsapparaat heen, ook al is het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna RSV) – in de terminologie van de staatshervorming – een gewestmaterie.

Het sluitstuk van het nieuwe ontwerpdecreet voor de culturele centra is een lijst van gemeenten. De lijst wijkt alleen al daardoor af van het RSV, dat ze ‘stedelijke gebieden’ los ziet van elke administratieve entiteit. (In het RSV staat b.v. ‘Neerpelt-Overpelt’ als één enkel ‘kleinstedelijk gebied op provinciaal niveau’, terwijl het ontwerpdecreet CC alleen de gemeente Overpelt opneemt.) Door de eenzijdige gerichtheid op gemeenten als administratieve entiteiten is dat niet in tegenspraak met de vorige zin??? JW, kunnen provinciale CC’s (Beringen, Neerpelt en Galmaarden) niet meer gesubsidieerd worden, en vallen ook de CC’s die rechtstreeks onder de Vlaamse Gemeenschap ressorteren (Amsterdam, Alden-Biezen e.a.) buiten dit ontwerpdecreet.

Het ontwerpdecreet CC wijkt bovendien ook fundamenteler af van het RSV:

– door negen gemeenten rond Brussel aan de lijst toe te voegen (daardoor komt de gemeente Asse twee keer voor in de lijst) en die op een specifieke manier in te schalen (zie verder), waardoor er zoiets als een cordon rond Brussel ontstaat;

– door vervolgens gemeenten die niet op de lijst van het ontwerpdecreet voorkomen, maar toch een erkend CC hebben, onder extra voorwaarden toe te laten, nl. die uit +II in categorie C, die uit +I in categorie D, en die uit de basiscategorie én met meer dan 30.000 inwoners in categorie D (zie verder);

– en door ten slotte de resterende gemeenten toe te laten de ‘centrumgemeenten in kleinstedelijk gebied op provinciaal niveau’ te vervangen als deze ‘in gebreke blijven’ (art. 4, § 1) door geen aanvraag voor een CC in te dienen. Noch het ontwerpdecreet noch het ontwerpbesluit geven aan, hoe er precies tussen de gemeentebesturen zal gearbitreerd worden, als b.v. Brakel Zottegem wil vervangen, of Koksijde Veurne.

Deze nuanceringen nemen niet weg, dat het ontwerp een sterk planmatige en economische, macrostructuur-georiënteerde invalshoek kiest. De klassering van de gemeenten bepaalt de grootte van hun CC. Het merkwaardigste slachtoffer hiervan is Menen, dat een erkend CC heeft in de hoogste klasse (+II), maar omdat het expliciet vermeld staat in de lijst van gemeenten, terugvalt naar de laagste categorie (categorie D). Als Menen zoals buurgemeente Wevelgem niet in de lijst opgenomen was, dan zou Menen aanspraak kunnen maken op een CC in categorie C (volgens art.7, § 2, nr. 2b).

Voor de drie grootsteden zal er geen regelgeving uit het ontwerpdecreet (art. 7, § 1, nr. 4 en art. 8, § 1, nr. 4) toegepast worden: er zullen met die steden aparte convenanten afgesloten worden, waarin het cultuuraanbod en de cultuurinfrastructuur integraal zal worden geregeld. (Gent heeft geen CC’s, Antwerpen heeft er twee in plus I en één in plus II, in praktisch alle Brusselse deelgemeenten is er nu een erkend ‘Vlaams Gemeenschapscentrum’) Het staat in het decreet niet letterlijk vermeld, maar de gemeenten zullen slechts één CC kunnen laten financieren, terwijl dat in de grootsteden (‘categorie A’) vermoedelijk niet zo zal zijn. Omdat Brussel natuurlijk geen gemeente in Vlaanderen is, wordt de VGC als aanspreekpunt voor Brussel in het ontwerpdecreet vermeld.

Op basis van dit ontwerpdecreet kan de categorieënindeling (art. 7) al concreet uitgewerkt worden.

– categorie A is voorbehouden voor de drie grootsteden.

– categorie B is toegankelijk voor de ‘centrumgemeenten in regionaalstedelijke gebieden’ en voor Dilbeek en Grimbergen (want nabij Brussel en er is een erkend CC +II, cf. art. 7, § 1, nr. 5a).

– categorie C is toegankelijk voor de ‘centrumgemeenten in structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden’, aangevuld met Vilvoorde(want nabij Brussel en meer dan 30.000 inwoners, cf. art. 7, § 1, nr. 5c), Overijse(want nabij Brussel en een erkend CC +I, cf. art. 7, § 1, nr. 5b) en ook Bornem(niet in de lijst, maar erkend CC +II, cf. art. 7, § 2, nr. 1).

– categorie D is de meest open categorie: zowel de ‘centrumgemeenten uit de kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau’ in de lijst vermeld, als hun eventuele ‘plaatsvervangers’ (art. 7, § 2, nr. 2c), alsook de resterende gemeenten van de negen nabij Brussel die in de lijst van het ontwerpdecreet CC opgenomen zijn (art. 7, § 1, nr. 5), alsook de gemeenten met een erkend CC +I (b.v. Beringen, Bierbeek e.a., cf. art. 7, § 2, nr. 2a) en tenslotte ook de gemeenten met meer dan 30000 inwoners én een erkend CC in basiscategorie (b.v. Wevelgem, Brasschaat, e.a., cf. art. 7, § 2, nr. 2b).

Gemeentelijk cultuurbeleid

Met het ‘ontwerp van decreet houdende het stimuleren van een kwalitatief en integraal gemeentelijk cultuurbeleid’ (versie van 1.12.2000, memorie van toelichting van 18.12.2000) biedt de minister onmiddellijk een alternatief aan voor de gemeenten die geen centrum- of spreidingsfunctie vervullen, maar toch een cultuurbeleid willen uitbouwen. Door het loon van een cultuurbeleidscoördinator te (helpen) betalen, wil dit ontwerpdecreet de schotten tussen de bibliotheek, het cultureel centrum (en alle andere culturele infrastructuur), het archief en/of museum, de muziekschool, enz. in een gemeente wegwerken. Daarnaast zijn er subsidies voorzien voor samenwerkingsverbanden tussen gemeenten.

Als een gemeentebestuur aan een geïntegreerd cultuurbeleid wil werken, dan moet het in eerste instantie een ‘cultuurbeleidscoördinator’ in dienst hebben. Hij of zij kan dan een ‘cultuurbeleidsplan’ schrijven waarin het cultuuraanbod binnen de gemeente (CC of gemeenschapscentrum, bibliotheek, enz.) getoetst wordt aan de algemene doelstellingen van het cultuurbeleid en in concrete, meetbare parameters (ook financiële) omgezet wordt. Het beleidsplan bevat ook de begroting en geldt voor zes jaar. Het moet halverwege geëvalueerd worden door de gemeente en er zal een visitatie zijn vanwege de administratie cultuur. Op de keper beschouwd is dit niets bijzonders, en niets meer of niets minder dan het werk van een competente en toegewijde schepen van Cultuur. Door zijn beleid in dit ontwerpdecreet in te passen kan de gemeente extra subsidies binnenhalen: 40 fr. per inwoner én een vast basisbedrag van 2.500.000 fr. voor de loon- en werkingskosten van de cultuurbeleidscoördinator (gemeenten met minder dan 10.000 inwoners krijgen slechts 1.250.000 fr. basisbedrag).

Niet alleen de gemeenteraad, het gemeentebestuur en de coördinator moeten in het opstellen en evalueren van het cultuurbeleidsplan betrokken worden, ook de bevolking/de gebruikers moeten gehoord worden. Het ontwerpdecreet eist van de gemeenten immers ook dat er een ‘gemeentelijke culturele raad’ opgericht wordt, waarin zowel de plaatselijke culturele verenigingen en organisaties voor amateurkunsten, de professionele culturele organisaties, andere deskundigen inzake cultuur en de bevolking van de gemeente vertegenwoordigd zijn. De samenstelling van deze adviesraad wijkt, o.a. door de eigen vertegenwoordiging van de professionele cultuurbeoefenaars van de gemeente, sterk af van de vorige samenstelling, maar het ontwerp durft deze revolutie bovendien niet helemaal afdwingen: ten laatste in 2007 moet de gemeentelijke culturele raad zo competent samengesteld worden. In afwachting daarvan verandert de huidige, politiek samengestelde adviesraad gewoon van naam.

Gemeenten kunnen dit cultuurbeleidsplan alleen opstellen, of met enkelen samen. In dat laatste geval worden zij als één enkele gemeente beschouwd en in de hierboven geschetste subsidieregeling ingepast. Door de subsidieregeling wordt deze mogelijkheid intrinsiek oninteressant gemaakt: drie kleine gemeenten van b.v. 5000 inwoners elk kunnen beter elk het halve basisbedrag aanvragen, i.p.v. samen de volle 2.500.000 fr..

Zes (of meer) aangrenzende gemeenten met samen meer dan 100.000 inwoners en met minstens één centrumgemeente met een erkend CC erin kunnen bovendien samen een projectvereniging oprichten die het overleg nog een stap verder voert en het ‘culturele aanbod en de culturele communicatie’ (art. 11) op elkaar moet afstemmen. De Vlaamse Gemeenschap kan deze projectverenigingen voor maximaal 3.000.000 fr. per jaar subsidiëren.

Het ontwerpdecreet gemeentelijk cultuurbeleid stipuleert uitdrukkelijk, maar zonder dat echt te motiveren, dat de cultuurbeleidscoördinator op hetzelfde hiërarchisch niveau moet staan als het andere leidinggevend cultuurpersoneel van de gemeente (directeur muziekschool, hoofdbibliothecaris, directeur CC, enz.). Aangezien de coördinator ook het beleidsplan moet schrijven, moet hij of zij toch ook een zekere deskundigheid hebben, zowel in financieel opzicht als inzake cultuurbeleid, maar noch het ontwerpdecreet, noch het ontwerp-uitvoeringsbesluit formuleren de vereiste basiscompetenties. Er wordt met andere woorden een hoge functie bijgecreëerd, waarin de schepen van Cultuur zijn rechterhand kan parachuteren. In het beste geval is die persoon heel competent en kan de schepen van Cultuur met behulp van dit ontwerpdecreet inderdaad zijn beleid daadkrachtig doorzetten en op korte termijn concrete resultaten boeken. In het slechtste geval komt iemand zonder ervaring of zonder de nodige bekwaamheden in een politieke krabbenmand terecht.

De lijst van steden en gemeenten in bijlage bij het ontwerpdecreet CC:

• 3 steden in grootstedelijke gebieden: Antwerpen, Gent en ‘Brussel’ (via VGC)

• 11 centrumgemeenten in regionaalstedelijke gebieden: Aalst, Brugge, Hasselt, Genk, Kortrijk, Leuven, Mechelen, Oostende, Roeselare, Sint-Niklaas, Turnhout

• 20 centrumgemeenten in structuurondersteunende kleinstedelijke gebieden: Aarschot, Deinze, Dendermonde, Diest, Eeklo, Geel, Halle, Herentals, Ieper, Knokke-Heist, Lier, Lokeren, Mol, Oudenaarde, Ronse, Sint-Truiden, Tielt, Tienen, Tongeren, Waregem

• 23 centrumgemeenten in kleinstedelijke gebieden op provinciaal niveau: Asse, Beveren, Bilzen, Blankenberge, Boom, Bree, Diksmuide, Geraardsbergen, Heist-op-den-Berg, Hoogstraten, Leopoldsburg, Lommel, Maaseik, Maasmechelen, Menen, Overpelt, Ninove, Poperinge, Temse, Torhout, Veurne, Wetteren, Zottegem

• 9 extra gemeenten die aan Brussel grenzen: Asse, Beersel, Dilbeek,Grimbergen, Overijse, Sint-Pieters-Leeuw, Tervuren, Vilvoorde, Zaventem

Papierberg

Beide ontwerpen van decreet van de minister van Cultuur gaan uit van de autonomie van de gemeenten en proberen de uitbouw van een lokaal cultuurbeleid te stimuleren. Precies omdat de minister van bovenaf geen inhoudelijke, kwalitatieve normen wil formuleren en alleen een metanorm (een norm over hoe het beleidsplan eruit moet zien) en een macrostructuur oplegt, dreigt een en ander te verdwijnen in een gigantische papierberg. Er zal veel mankracht gaan in het formuleren van doelstellingen en richtlijnen, in het horen van de verschillende partners, in het opstellen van de begrotingen; en dit voor elke gemeente apart. Vermoedelijk zullen er daarom al snel ‘voorbeelden’ circuleren, die als matrijzen kritiekloos zullen worden overgenomen en met machtsmiddelen (het geld dat erdoor vrijkomt) zullen worden doorgezet door de minst geïnspireerde of de in het overleg minst fortuinlijke cultuurbeleidscoördinatoren. Vermoedelijk zullen er ook gemeenten zijn, waar de verschillende actoren elkaar snel zullen vinden en met een geïnspireerd en effectief gemeentelijk cultuurplan snel naar het concrete werk zullen overschakelen.

Tussen de lijnen van deze ontwerpdecreten lees je in elk geval een grotesk administratief geharrewar, waardoor er voor het concrete beleidswerk (overleg met de verschillende actoren, professioneel en vrijwilligers, kunsteducatieve projecten, doelgroepenbeleid inzake participatie, onderzoek naar de impact van de cultuurprojecten en -infrastructuur op het sociale weefsel van de gemeente, enz.) misschien amper nog tijd zal overblijven.

Op 15.2.01 kondigde minister Anciaux op een debat in Sint-Niklaas aan dat een nieuw, eengemaakt ontwerpdecreet in voorbereiding is. In dat ontwerp moeten de (voordelen van) verbindingen tussen lokaal cultuurbeleid, bibliotheekbeleid en cultureel centrum concreter worden. In hoeverre deze nieuwe tekst ook inhoudelijke correcties op de nu voorliggende teksten zal bevatten, is nog niet duidelijk. Bij het ter perse gaan was deze nieuwe tekst nog niet beschikbaar.

Bronnen

De ontstaansgeschiedenis en de beleidscontext van de CC’s wordt elders uitgebreid beschreven, o.a. door Rudi Laermans in De lege plek (Kritak, Leuven 1993).

Het huidige decreet kan geraadpleegd worden in de Vlaamse Codex op http://195.207.135.109/cgi-bin/toonfiche.exe? nr=757&tab=2; de nieuwe ontwerpdecreten (met memorie van toelichting en ontwerp-uitvoeringsbesluit) op http://www.wvc.vlaanderen.be/cultuurbeleid (in pdf-formaat). FeVeCC, de federatie/ belangenvereniging van de CC’s (http://www.fevecc.be) verzamelt alle info over de CC’s.

Goede cijfergegevens over de verschillende beleidsmateries van de Vlaamse Gemeenschap kan u op de websites van APS vinden, de administratie achter VRIND en FRED: http://www.vlaanderen.be/ned/sites/statistieken/index.html.

Geen eenheid maar veelheid

Als je via de rue de la Prairie naar het Noordstation in Brussel afdaalt, zie je aan je linkerkant ‘een onooglijk lapje grond’ waar één huis werd weggehaald. Er staat op die plek iets dat vroeger op een zitbank leek en iets dat een betonnen bloembak moet verbeelden; het stukje grond is heel klein en bijzonder onaantrekkelijk; als ‘parkje’ wordt het door de wijkbewoners beslist niet gebruikt; men stort er zijn vuilnis. Misschien heeft men daar wel nood aan iets anders dan aan zo’n mislukte zithoek.

Als je een paar stratenblokken verder van Sint-Joost-ten-Node Schaar-beek inrijdt en via de Van de Weyerstraat naar het Mei-serplein tracht te geraken, weet je dat je erg voorzichtig moet zijn: vanachter de auto’s dreigen er constant Marokaanse, Turkse en de laatste tijd ook meer Afrikaanse jongetjes op te duiken die met hun bal de straat als speelplein trachten te veroveren. Daar is duidelijk nood aan ‘een lapje grond’, maar dan één groot genoeg om voetbal op te spelen.

Het gaat om behoeften en om hoe je die op het spoor komt. Is dat niet door op het terrein te gaan praten met de mensen die daar wonen en werken? En schiet de politiek met haar veralgemenende, simplificerende bepalingen daar dan niet keer op keer te kort? Werkelijkheden veranderen. Langzaam. Je moet ze aandachtig, nauwkeurig, voortdurend bekijken. Of je laten adviseren door mensen die er met hun neus opzitten en die de verglijdingen dus dagelijks zien. De werkelijkheid dieper lezen dan haar opper-vlak. ‘Ontvankelijk zijn voor wat anders is dan men verwacht.’

Ook nu weer met dat meesterplan voor de culturele centra. Meesterplan! De naam alleen al! Waarom wordt er steeds een eenmakend, regelend beleid uitgedokterd en niet één dat ingaat op de bestaande diversiteit: de verstedelijking in Limburg is niet te vergelijken met die in West-Vlaanderen, er zijn nu kleine culturele centra die zeer goed – en méér dan locaal – werk leveren en grote die dat niet doen, een coördinator van het cultuurbeleid kan op de ene plek uitstekend werk verrichten en op een andere ‘in de weg lopen’ en een samenwerking verhinderen. Waarom moet alles onder dezelfde noemer worden gebracht, waarom is de politiek niet flexibel genoeg om zich aan te passen aan de noden van elke plek? Dat vraagt wel méér werk. Maar ordening moet het resultaat zijn van je inspanningen, niet het vertrekpunt; je moet kunnen betrouwen op datgene wat dan wel zal gebeuren terwijl je bezig bent. Als je b.v. de gemeenten meer inspraak wil geven, betrouw dan echt op hun oordeel en niet half of maar voor een kwart. Uiteindelijk gaat het – zeker in de culturele sector – in de eerste plaats om mensen, om hun werk, om hun gedrevenheid en moet datgene wat vandaag, wààr ook, met passie gebeurt – of die plek nu 2.000 of 10.000 inwoners heeft – gehonoreerd worden.

‘Het denkbeeld “alles moet één zijn” heeft zijn aantrekkelijkheid verloren en kan niet langer worden verdedigd. Waarom zou alles één moeten zijn? Is ‘velerlei’ niet veel beter?’ György Konrad.

(mvk)

 

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

artikel
Leestijd 12 — 15 minuten

#76

15.04.2001

14.07.2001

Dries Moreels

Dries Moreels, redacteur van Etcetera, is assistent Stamvakken aan het RITS(Brussel).