Lullabye – Anneleen Keppens
Wie zorgt er voor wie zorgt?
Tom Rummens
‘Coupure’ © Lex de Meester
Weerstand. Het is wat de dijken niet langer boden, die koude januarinacht in 1953, toen de kracht van de uitzonderlijke stormvloed ze brak en grote delen van Zeeland, Brabant en Zuid-Holland overstroomden. Het is ook wat de voorstelling Coupure in eerste instantie oproept: een terughoudendheid, een onwil tot overgave – tot de bevreemdende charme van twee bijzondere acteurs dat verzet breken, en je meevoeren in hun eenvoudige maar essentiële verhaal.
In 2013 is het zestig jaar geleden dat de Grote Watersnood plaatsvond. Een combinatie van noordwesterstorm en springtij zorgde er in de nacht van 31 januari 1953 voor dat de dijken in Zuid-Nederland, Oost-Engeland en Vlaanderen braken. Het noodweer maakte in Nederland zo’n 1800 doden, maar behalve de kracht van de natuur waren ook menselijke communicatiefouten in het spel. Zo moesten lokale havenmeesters geabonneerd zijn op de telegrammen van de stormvloed-waarschuwingsdienst, maar dat waren ze soms niet, zodat het noodlottige telegram die januarinacht nooit toekwam. Ingenieurs, burgemeesters en verantwoordelijke instanties schatten de toestand onvoldoende ernstig in en gingen rustig slapen, om enkele uren later door het koude water uit hun bed verjaagd te worden. Tien jaar geleden werd de ramp in Nederland groots herdacht, onder meer met Coupure van Theaterproductiehuis Zeelandia: een locatievoorstelling van Guido Wevers op tekst van Heleen Verbürg, die tijdens het Zeeland Nazomerfestival gespeeld werd op een akker in Zonnemaire. Nu herneemt Zeelandia de voorstelling als zaal productie, en artistiek leider Alex Mallems legde de regie van deze remake in handen van de Vlaamse regisseur Stefan Perceval. In zijn versie verliest Coupure zijn enkelvoudige status als herdenkingsstuk: de historische vertelling wordt (met dezelfde acteurs) een regisseurs voorstelling over omgaan met verlies. De nieuwe Coupure reikt wijder dan de historische feiten, onder meer door drastisch in te grijpen op het slot van Verburgs tekst.
Die tekst is zuiver en helder, klassiek geconstrueerd als een dialoog tussen een oudere man en vrouw, die elkaar ontmoeten aan een bushalte. Allebei hebben ze hun eigen geschiedenis met de watersnood: zij verloor haar dochtertje van tien en zeult vijftig jaar later nog steeds rond met een geweer, op zoek naar vergelding. Hij is een door schuld verpletterde havenmeester, die de afgelopen decennia op zolder doorbracht, niet in staat de wereld tegemoet te treden. Het gesprek ontrolt zich voorzichtig, aftastend, van het banale naar het essentiële (verlies) en terug, en legt en passant hun beider, zeer verschillende omgang met dat verlies bloot. Haar drama krijgt daarbij meer ruimte dan het zijne. Wat vijftig jaar na datum ‘vergeten en vergeven’ zou moeten zijn, zoals ze bitter herhaalt, is dat voor haar allerminst. Van vergeten is geen sprake, zo blijkt uit de terzijdes die ze regelmatig met haar dode kind voert. Vergeven is evenmin aan de orde, dat bewijst de ietwat belachelijke aanwezigheid van de tweeloop in haar oude handen. Aangezien ze de Allerhoogste niet kan of durft verantwoordelijk te stellen, richt ze zich des te verbetener tot Zijn dienaren. Niet dat ze iemand specifiek in het vizier heeft – het geweer is er om de verantwoordelijken te verlossen wanneer ze zich, moegetergd door de last van hun schuld, spontaan bij haar komen aanbieden. Daarmee is meteen veel onthuld over hun ontmoeting, en over zijn geschiedenis. Het was zijn coupure (een waterkerendschot, ec), vijftig jaar geleden. Maar hij deed niet wat moest. Waar zij haar kind kwijtraakte, verloor hij elk gevoel van eigenwaarde. Hij slaat zijn armen wild rond zijn lijf – om boete te doen, om de kilte van de herinnering aan het wassende water uit z’n leden te verdrijven? Die ochtend, vijftig jaar van schaamte verder, vindt hij het welletjes geweest: ‘Ik ga helemaal opnieuw beginnen.’ Of hij daar de kans toe zal krijgen, nu hij aan de eerste de beste bushalte zijn wraakengel heeft ontmoet, is nog maar de vraag.
Er schuilt een onontkoombaarheid in de ontmoeting van dit duo, ook letterlijk. Man en vrouw bevinden zich gedurende het hele stuk op een smalle waterkering waarop ze elkaar met moeite kunnen kruisen, laat staan ontlopen. Ze zijn eikaars obstakel. Ze moeten elkaar wel in de ogen kijken, en zien daar een verschillende omgang met de onhandelbare realiteit. Zij sleurt het verleden hardnekkig mee, hij wil er vanaf. Zij gelooft nog steeds in Zijn voorzienigheid, hij kan de idee van een rechtvaardige God niet meer verbinden met het blinde, dodende natuurgeweld. Maar of het nu God of de natuur is: beide staan even onmachtig tegenover de eeuwige waarom-vraag. Die onmacht tegen elkaar uitspreken is, gezien hun Zeeuwse zwijgzaamheid, een hele opgave. Beiden dragen een koffertje vol verdriet, maar wanneer hij het zijne het tastbare – wil openen weerhoudt zij hem: ‘Vaak heb je meer aan dichte dingen als ze dicht blijven.’ Hoe omgaan met herinneringen, de geschiedenis, het verleden? Het koffertje gaat toch open. Zou het kunnen, is het mogelijk dat deze twee mensen elkaar vinden, voorbij hun trauma’s? In hun antwoord op die vraag verschillen de versie van 2003 en die van 2013 radicaal van elkaar.
De weerstand die ik ervaar bij aanvang van Coupure berust op twee zaken: de vrees voor een al te realistische regie-stijl, en op de confrontatie met een vreemd idioom. Het openingsbeeld van de voorstelling is klassiek, letterlijk bijna: de man, met hoed en koffer, staat met de rug naar het publiek. De vrouw draagt een ouderwetse bloemetjesjurk en zit op de waterkering, de benen bengelend. Een klarinet roept weemoedig mysterie op. De acteurs (Bram Kwekkeboom en Marlies Hamelynck) zijn niet jong meer, hun gedateerde outfit versterkt het beeld van een ver vervlogen tijd. Openingsbeelden muziek ‘zetten’ het stuk onmiddellijk in een realistische (in dit geval: historische) context, zoals dat gebeurde in de jaren negentig, in sommige uitgewoonde repertoirebewerkingen van het toenmalige Raamtheater. Dat deze klassieke inlijsting van de scène (inclusief openingszin ‘Het wil maar niet zomeren’) weerstand oproept, zegt misschien meer over mijn blik dan over de kwaliteit van de productie die nog moet volgen – van dat gevaar ben ik me bewust. Een tweede obstakel schuilt in het idioom dat beide acteurs hanteren. Dit Zeeuws doet vreemd aan in klank, woordkeus en taalconstructie. Waar het dialect in zijn oorspronkelijke context, de locatievoorstelling in Zeeland, wellicht herkenning zal teweeggebracht hebben, werpt de zaalproductie in niet-Zeeuwse huizen een barrière op. Neen, het is niet zo evident om binnen te komen in Coupure.
Dat dat dan toch gebeurt is te danken aan Percevals minimalistische regie, die de angst voor een oubollig realisme ontmijnt, maar vooral ook aan de betovering die uitgaat van Kwekkeboom en Hamelynck. De dialoog komt opzetten als de vloed, langzaam inlopend met banaliteiten rond de bus die maar niet komt en het gekanker daarover op de verantwoordelijke autoriteiten. Dat de bus eeuwig zal uitblijven (en dat je dat ook meteen aanvoelt – daarin, bijvoorbeeld, schuilt het klassieke van Verburgs schriftuur) is niet het enige dat Coupure doet denken aan Wachten op Godot – Percevals regie stuurt daar in meerdere, soms kleine details op aan. De afgemeten, korte dictie. De lange stiltes tussen de soms hilarische, laconieke opmerkingen. (‘Doet u dat vaak, verlossing brengen?’) Het vervreemdende zijlicht. Het spel met de hoedjes van beide personages. De absurd kleine taartjes die als knullige cadeautjes uit de koffer tevoorschijn komen – soms neigt Coupure meer naar mime dan naar theater. Toch zijn de man en de vrouw geen sjablonen als Vladimir en Estragon, integendeel. Eenmaal de Zeeuwse stugheid voorbij sluipt er in de omgang van Kwekkeboom en Hamerlynck een aandoenlijke tederheid. Hoe hij het beschroomd uitspreekt: ‘Ik wil graag nader met u kennismaken.’ De moed die het vergt, om na vijftig jaar eenzaamheid weer een bij een ander te zijn: niet niks. Hoe zij haar hoofd op zijn schouder legt, koket bijna. Onder de abstracte en soms absurdistische acteursregie die Perceval voert, voel je Kwekkeboom en Hamerlynck naar elkaar tasten, bijna in de blinde. De delicate aarzeling waarmee ze dat doen vergt een groot meesterschap.
De tekst van Verburg heeft het grootse van de historische ramp bevattelijk gemaakt door die op mensenmaat te betrekken, wat Perceval doet is de kleinmenselijkheid bewaren maar de historische context abstraheren tot geen coupure maar een coup overblijft die elke mens kan treffen: een slag, een ramp, een gebeurtenis die het leven onherroepelijk een andere wending geeft. Enkel de outfits en het dialect verwijzen nog naar een bepaalde tijd en plaats, maar hun betekenis is veranderd: hier spreekt geen oudere generatie uit Zeeland, maar twee ‘gewone mensen’, ‘alleman’. Ultieme de-historisering is de ingrijpende wijziging van het einde, waardoor Coupure geen met woede beladen wraakstuk meer is (doordat de vrouw de havenmeester neerschiet), maar een stuk over het feit dat een mens, na elke ontwrichtende gebeurtenis, toch steeds weer op zoek gaat naar een ander – omdat er geen andere keuze is.
Doorheen het hele stuk staat er een stevig briesje, als leitmotiv voor verandering, maar pas aan het eind zwelt het aan tot een helende, zuiverende bries. Coupure is geen herdenkingsstuk meer dat het verleden herconstrueert – deze versie is gemaakt door en voor mensen die niet eeuwig willen achterom kijken. Omdat, zoals de laatste zin luidt, het allemaal altijd maar doorgaat, onophoudelijk, het leven.
www.theaterzeelandia.nl
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.