© Theater Antigone & De Bolster

Wouter Hillaert

Leestijd 6 — 9 minuten

Coupe Familiale – Theater Antigone & De Bolster

Leve de massa  

Theater met veel mensen, het is nog amper te betalen. Solo’s lijken dan ook de nieuwe standaard. En toch is de massa weer in opmars op scène, zeker sinds het theater met een maatschappelijke identiteitscrisis kampt. Coupe Familiale, al het twintigste sociaal-artistiek project van Theater Antigone, toont met veertig man op scène hoeveel er in andere producties met grote groepen verkeerd kan lopen. Zo simpel. Zo diep. Waw.  

Een man treedt naar voren. Met hem een vrouw. Volgen even later: een jongen en een meisje, die voor het koppel postvatten als een natuurlijke borstwering. Ziedaar het oergezinnetje, allemaal met een blije smile. Man zet stap opzij, vrouw blijft staan, kinderen verhuizen tussen hen in. Heen en weer. Heen en weer. Maar nog altijd met de glimlach. Bij man komt nieuwe vrouw staan. Komt ander kind. Dat maakt bij de volgende verhuis prompt drie kinderen. En dan zet man alweer een stap opzij, nu voor vrouw mét kind, terwijl bij zijn eerste vrouw een andere man komt en algauw ook een ander kind. En zo verder. Relationele splitstechnologie, gewoon met simpele stapjes. Tot de hele scène vol staat met nieuw samengestelde gezinnen. Als een eilandengroep, maar met behoorlijk wat verkeer ertussen. Ziedaar onze samenleving.

Om van een rij toevallige mensen een urgente sociaal-artistieke voorstelling te beeldhouwen, zijn er vele manieren. De meest gebruikte is Het Thema. Rond dat gekozen thema gebeuren er dan gesprekken, al dan niet met koffie. En uit die gesprekken komen er ervaringen, anekdotes, ideeën, heuse levensverhalen, uiteindelijk tekst. Dat is wat er gebeurt aan de buitenkant. Veel belangrijker is de binnenkant. Mensen leren mensen kennen, vertrouwen groeit, van al die verschillen vormt zich een groep. Is die groep de taart, dan is het thema de maïzena.

Hier bij Antigone in Kortrijk kozen ze voor hun twintigste sociaal-artistiek project op even veel jaar voor ‘familie’. Je weet wel: de hoeksteen van de samenleving, de topper onder de soaps, de wortelstructuur van de geschiedenis, het kleverige web rond onze vrijheidsdrang, het ezeltje-strek-je van de psychiatrie, het voorgeborchte van de hel, en toch altijd weer de laatste haven waarin verloren zielen opnieuw vaste grond kunnen vinden. Honderden voorstellingen kan je van dit familiale thema maken. Duizenden stukken zijn er al over geschreven. O’Neill. Ibsen. Strindberg. Sofocles. Tsjechov. Norén. Williams. De canon laat nog nauwelijks ruimte voor een nieuwe kijk. ‘Familie’ is veel minder een thema dan de definitie van drama zelf.

Beeltenissen

Houden Michaël Vandewalle en Silke Thorrez, het nog vrij jonge regisseursduo achter Coupe Familiale, het daarom zo eenvoudig? Hun dramaturgische aanpak laat zich al voelen nog voor je één voet in de zaal hebt gezet. Door een gang met kleine geïsoleerde kamertjes met tableau vivants schuifelen we naar onze plek: een vrouw strijkt, een man schilt een berg aardappelen, nog een ander ligt ruggelings naar het plafond te staren vanop een achterovergevallen stoel. Levende iconen zijn het, die toch genoeg anekdotiek in zich dragen om te blijven ademen. Het grote verkleed in het kleine: dat is wat ook de voorstelling zelf zal karakteriseren. Opeenvolgende scènetjes roepen geen verhaal, maar vele verhalen tegelijk op. En niet als verhalen, maar meer als beeltenissen. Als oerbeelden uit het familieleven. Symbolen bijna.

© Theater Antigone & De Bolster

© Theater Antigone & De Bolster

Bekijk de trailer hier.Neem die scène waarin zes moeders de haren van zes dochters kammen, als zes koppeltjes op een rij. Duplicering doet in de voorstelling al de helft van het werk: je ziet het zes keer verschillend gebeuren, maar net dat geeft dit klassieke beeld van zorg zijn universele kracht. Moeder kamt dochter. Meer zie je niet. Je hoort zelfs niets. Maar er resoneert zoveel in mee. Troost. Sterking. Vrouwelijkheid. Gezag. Loslaten. Net bij gebrek aan enige hiërarchie tussen de personages of enige narrativiteit tussen de scènes worden het indrukken van dé Moeder-Dochter-band. Gek hoe ontroerend dat kan werken.

Zo passeren door de voorstelling ook Moeder en Zoon, Vader en Zoon en de vrouwelijke lijn van één geslacht, opgehangen aan zoiets banaals als het afsnijden van de uiteinden van een worst bij het bakken. ‘Waarom doe jij dat, mama?’ ‘Dat weet ik niet, dat moet je aan oma vragen.’ Het wordt verkocht als een droge grap, maar grijpt vanzelf zoveel dieper. De oude man die nog altijd op zoek is naar zijn moeder die hij onderweg is kwijtgeraakt, de vrouw met blote voeten op een eiland van bestek die iedereen – behalve zichzelf? – altijd ter wille is: het zijn heel eigen portretten, maar vooral van de eenzaamheid op zich.

Door de karakterkop die erbij hoort? Door het regiolect dat door hun mond spreekt? Door de even uitgepuurde als ingenieuze tekstpartituur in sommige scènes, half op rijm en soms slechts oneindig variërend op typische begroetingen als ‘en hoe is het nog?’ Door de melancholische muziek van één live muzikante (Anneleen Boehme) aan cello en piano, afgewisseld met Italiaanse schlagers of de schetterende dansmuziek van Goran Bregovic? Dat het particuliere het universele kleedt, is een eeuwig cliché, maar bij sociaal-artistiek werk vaak een kunst op zich. Coupe Familiale beheerst ze als geen ander.

Kussenvulsel

Veel heeft te maken, geloof ik, met de uitgebalanceerde wisselwerking tussen individuele spelers en de massa op scène. Die mise-en-place van een groep is misschien wel – meer dan pakweg spelkwaliteit of stembereik – dé artistieke uitdaging voor sociaal-artistiek theater, en bij uitbreiding voor elke voorstelling met meer mensen op scène dan één tot zes. Letterlijk: hoe zet je ze neer? Onschuldig is die kwestie niet. Vanzelf beland je als regisseur in een vraagstuk rond ethiek. Hoe je mensen laten zien? Binnen welke hiërarchie? En waartoe?

In de commerciële musical is het helder: daar dient de massa gewoon de visuele sensatie, de werveling van het beeld ter versterking van de zwierige muziek. De massa gaat simpelweg op in de massificatie van het héle product. Vóór alles is ze handelswaar, onder de alleszeggende noemer ‘de figuranten’: niet meer dan het levende decor waartegen de echte hoofdrollen extra kunnen stralen. Musical is daar best eerlijk in. En opera nog meer: daar belichaamt het koor het anonieme gepeupel waaraan de burgerlijke held is ontstegen in zijn reikhalzende streven naar de hogere waarheid. Niet de koorzang schrijft hier het verhaal van de geschiedenis, wel de solo. En zo is zowat elke canonieke opera een programmaverklaring voor het liberale subject, motor van de westerse vooruitgangsgedachte. De rest op scène is wat het is. Een klankkast zonder gezicht. Massa zonder persoonlijkheid. Alleen als kudde functioneel.

Veel minder coherent verschijnt die grote groep in producties van steeds meer theatergroepen die op een of andere manier een brug willen slaan naar de samenleving. En die daarvoor dan de stad binnenhalen in de vorm van gewone bewoners. Lam Gods van NTGent was een schoolvoorbeeld: rond vertellers-presentatoren Chris Thys en Frank Focketyn belichaamden een 25-tal gemiddelde Gentenaars de missie van nieuw artistiek leider Milo Rau om theater te maken voor heel Gent. Sommigen konden in dit eenentwintigste re-enactment van het Lam Gods een stuk van hun eigen verhaal kwijt, en ook een kinderkoortje drukte mee zijn stempel, maar de andere helft bleef louter lichaam: naar de periferie van het podium gedreven als zwijgzame promotie voor het nieuwe mission statement van NTGent als stadsgezelschap. Echte participatie leek niet de bedoeling. Mooi plaatje, dat wel.

Zelfs binnen het sociaal-artistieke deel van het veld, met zijn grote emancipatorische inzet, valt het op: groepen op scène die gewoon anonieme groepen blijven, bij gebrek aan tijd of specifiek métier om ze anders op te voeren dan in voorspelbare kringetjes, als klassiek koor, als kussenvulsel. Je ziet het weleens gebeuren bij Het Gevolg of zelfs bij Tutti Fratelli: de mensen waar de voorstelling om draait, worden zeker niet allemaal zichtbaar als ménsen. Als uniforme zetstukken voeren ze samen een voorgeschreven choreografie uit op het schaakbord van de sociale profilering. Hoe groot en zorgzaam de aandacht voor hun eigenmenselijkheid wel zal zijn achter de scène, óp die scène blijft hun stem steken in de kreet van het koor. Zelfs in het theater blijven ze als mens onzichtbaar. Echt spreken of ontroeren of respect afdwingen doen ze niet. Kúnnen ze niet doen. Zelfs de paradox daarvan wordt zelden opgemerkt.

Optelsommen

Hoe anders is dat in Coupe Familiale. Al bij aanvang vormen de spelers een erehaag op de trappen van de tribune, op amper een ademstoot van het binnenzeilende publiek. Anderhalf uur later, aan het slot, heb je het gevoel ze één voor één te kennen, of minstens persoonlijk te hebben gezien. Van de statige vrouw die door de groep beroofd wordt van al haar juwelen – de verdeling van de erfenis in één klaar beeld – tot het jonge koppel waarbij de druk wordt opgevoerd om te kweken. Zelfs al zijn deze spelers met veertig, ze blijken nooit in overtal, nergens geven ze een indruk van overtolligheid. Elk apart dienen ze – alleen of in steeds wisselende clustertjes – de gezamenlijke familiefoto en de basismetafoor van de wolvenroedel waarop de voorstelling bouwt: ieder zijn wel gedefinieerde plek in het geheel.

Maar meer nog dan het karakter van elk individu weten Thorrez en Vandewalle de kracht van het collectief uit te spelen. Alle mannen op krukjes als een schuivend leger van veroveraars, één lange dwarse eettafel over het hele podium, alle vrouwen op een rijtje voor de spiegel van hun veroudering: één vingerknip volstaat om van een vormeloze meute een strakke lijn, een wervelende hoos of een levendig atol te maken, zonder dat het ergens machinaal gaat voelen. Doorgaans zijn massa’s op scène traag. Deze menigte in Coupe Familiale is kwiek als water. De steeds muterende groepsportretten die zich zo vormen, zijn geen substractie van menselijkheid, maar gestage optelsommen. Eerst één, dan twee of drie, vervolgens nog meer spelers treden mee op het voorplan: individu en gemeenschap vertakken zich met ongeziene vloeibaarheid en onverwachte spitsvondigheid, en toch zo iconisch eenvoudig.

Het resultaat zie je niet vaak: een even ontwapenende als overtuigende tegenhanger van het burgerlijke drama. Waarin louter het koor het verhaal uitschrijft, en niet een of meerdere protagonisten. Het enige hoofdpersonage is hier de massa zelf. Gemeenschapstheater begint daar: waar de dramaturgie van de menigte consequent wordt doorgedacht, maar nooit ten koste van de enkeling. Waar het Westen het collectief herontdekt als een kracht in plaats van een zwakte – of erger nog: een instrument. Het maakt van Coupe Familiale nog meer een coup op ons theater dan een coupe van simpele theatraliteit. Leve de massa!

 

Coupe Familiale speelt nog op 23, 24 en 25 mei in Theater Antigone in Kortrijk.

recensie
Leestijd 6 — 9 minuten

#157

15.05.2019

14.09.2019

Wouter Hillaert

Wouter Hillaert is cultuurjournalist en kernredacteur van rekto:verso. Hij werkte vijftien jaar als freelance theatercriticus voor achtereenvolgens De Morgen en De Standaard en is betrokken bij de burgerbeweging Hart boven Hard.

recensie