© Maruszak Photo

Leestijd 7 — 10 minuten

Confessie – Raven Ruëll & Bruno Vanden Broucke

De kunstmarkt maakt de kunstenaar

Raven Ruëll en Bruno Vanden Broucke schreven Confessie, een heldere monoloog over Lasse Vonk, een man uit de mijnstreek. Ze inspireerden zich daarbij losjes op het absurd-tragische De gedaanteverwisseling van Franz Kafka. Vonk tekende al heel jong prachtig met houtskool, en later komt hij op de kunstmarkt terecht. Zonder dat goed te beseffen verloochent hij zichzelf meer en meer. Maar daar houdt hij geen trauma aan over. Van een metamorfose is amper sprake. Confessie is een cirkelvormige vertelling, maar je vraagt je af wat er onderweg aan écht interessants gebeurd is.

In Kafka’s De gedaanteverwisseling wordt handelsreiziger Gregor Samsa wakker als een kever, liggend op zijn rug. Met zijn pootjes trappelt hij in de lucht, tevergeefs zoekt hij naar steun. Als hij er toch in slaagt zich om te draaien, is hij slechts ongedierte in zijn eigen huis, en hij wordt vertrappeld. Naast vele andere betekenissen, is dit de ultieme fabel over de vervreemding, over een mens (en over ons, mensen) die alles verliest van wat hij is, behalve zijn zelfbewustzijn. Wie zichzelf verliest en dat elke seconde beseft, ondergaat een verschrikkelijke kwelling.

“Ik vraaf me af waarom Lasse Vonk zo interessant zou moeten zijn, zo relevant als Kafka’s Gregor Samsa. Want dat is hij niet, hoe hard ik ook mijn best doe om dat wel te vinden.”

Iets vergelijkbaars gebeurt bij Lasse Vonk (Bruno Vanden Broucke), opgegroeid in Zwartberg, in de naweeën van de sluiting van de Limburgse mijnen. Hij tekent met stukken steenkool of houtskool, hij wil dat het papier een driedimensionale indruk maakt, en hij doet niet aan kleur en evenmin aan portretten van levende mensen. Vonk tekent stenen, wolken, terrils, fruitschalen en andere stillevens. Maar hij maakt ook, tegen zijn eigen regels in, een afbeelding van vier pasfoto’s van zijn vader, nauwelijks enkele ogenblikken voor hij doodviel. Dat monumentale schilderij (Kijk, papa!) zal zijn doorbraak betekenen. Lasse Vonk wordt vlot toegelaten tot de Academie in Antwerpen, haalt elk jaar grote onderscheiding, tot Jan Hoet zijn eindwerk ziet en de stenen en de wolken als klaarblijkelijk zielloos wegwuift. Vonk is diep vernederd, doet interim-jobs als arbeider, heeft een atelier in een kraakpand, trekt het Antwerps nachtleven in met zijn spraakloze jeugdvriend Gianni, jazz-bassist.

Tot de (fictieve) invloedrijke galerist Bob De Preter Kijk Papa! ziet: daar begint de metamorfose. De houtskooltekeningen worden onbelangrijk, Kijk Papa! is nu een installatie, De Preter verkoopt een studie van drinkglazen met kleuren – geen tinten zwart meer – aan rijke verzamelaars, hij laat Vonk een installatie met vervagende portretten bouwen. Luc Tuymans pikt hem op, diens Amerikaanse galerist nodigt hem uit naar New York, Washington D.C. De Preter is jaloers, maar het kan allemaal niet op. Dure residenties met slap conceptueel werk, zoiets als de kleurige spot paintings van Damien Hirst, maar de hoogste kunstkringen zijn al lang niet meer kritisch. Geheelonthouder Vonk laaft zich aan Duvel en coke, tot hij ontdekt zijn moeder net zo goed tekent als hij. Ze tekenen samen, grijs en zwart, op één blad papier. Tegen Bob zegt hij: “Veruit mijn beste werk. Ik weet wel niet of er een markt voor is.” Einde. Dit is geen metamorfose, maar een regressie: weg van de spektakelkunst, terug naar steenkool en houtskool.

“Bruno Vanden Broucke weet de hele tijd de perfecte toon te vinden, daar is niets mis mee. Hij weet mij anderhalf uur te boeien als toneelspeler, maar niet als personage.”

Bruno Vanden Broucke, met een Limburgs accent dat tien minuten lang irritant en flauw is (maar dat gaat, wat mij betreft, over), zet een droge figuur neer. Een tafeltje met een glas water en wat papieren, een projectiescherm en een sobere, casual outfit die eerder aan een enthousiaste leraar op middelbare leeftijd doet denken dan aan een (vermoedelijk) schatrijk kunstenaar: dat zijn de toneelmiddelen. Met af en toe een streepje jazz van pianist Matthew Shipp, mét weerhaken, in de beste Monk-traditie. En Suds & Soda van dEUS, maar die anekdote verklap ik niet. Eigenlijk geeft Lasse Vonk een les, goed voorbereid met de juiste slides op het juiste moment. Je hebt niet in de gaten wat voor metamorfose hij eigenlijk ondergaat, in de eerste plaats omdat hij, in zijn vertelling, nooit echte breuken, hoogstens wat schokken meemaakt. Zijn leven, met de grote successen, is uitgevlakt, alle échte fricties (als die er al waren) zijn weggegomd. Deze Gregor Samsa krijgt pas geleidelijk, in de loop van de dag, een schild en zes pootjes, hij is even verrast en leert daar snel mee leven. Hij beseft dat deze gedaanteverwisseling ook het gevolg zou kunnen zijn van eigen, geheel vrijwillige, keuzes, alle manipulaties ten spijt.

“Natuurlijk zijn dit een fictieve ‘Hoet’ en ‘Tuymans’, maar ze verraden een dynamiek van erkenning en miskenning in een (post)moderne kunstwereld, waarin avant-garde en experiment enkel nog dienen om de financiële wereld op te schrikken maar vooral niet de echte wereld, zoals de historische avant-garde ooit probeerde.”

Je hoeft je jarenlange inspanningen om met houtskool-grijs en zonder menselijke figuren een levende wereld te tekenen niet per se af te zweren om op de kunstmarkt door te breken, kijk naar Rinus Van de Velde (die wel altijd mensen tekende). Maar toch dicteert de kunstmarkt, via zijn handelsreizigers (die daar curatoren of galeristen heten) en die, in dit verhaal, Vonk subtiel dwingen kleuren te gebruiken – De Preter wijst Vonk, bij een wandeling op een terril in Genk, op de mooie bloempjes. En met het enige portret dat hij tot dan toe maakte, die vier nageschilderde pasfoto’s van zijn vader, breekt hij door. Een terloopse studie van gevulde glazen in onnatuurlijke kleuren (teveel pastel, of teveel fluo) die schaamteloos vermarkt wordt, zorgt voor een klein gewetensprobleem, maar dat zindert niet na. Jan Hoet misprijst de materialiteit van een grijze steen, minutieus afgebeeld, Luc Tuymans kickt op een schilderij dat verdwijnt. Natuurlijk zijn dit een fictieve ‘Hoet’ en ‘Tuymans’, maar ze verraden een dynamiek van erkenning en miskenning in een (post)moderne kunstwereld, waarin avant-garde en experiment enkel nog dienen om de financiële wereld op te schrikken maar vooral niet de echte wereld, zoals de historische avant-garde ooit probeerde. Dat is, naar mijn aanvoelen, een onderliggend statement dat Ruëll en Vanden Broucke maken.

Toch is Lasse Vonk niet echt veranderd, en zeker niet onomkeerbaar, en hij wordt evenmin vertrappeld. Het kapitaal is opgebouwd, er kan iets nuttigs mee gebeuren, bijvoorbeeld voor de dochter waarvan hij per ongeluk vader werd – een fait divers, even (on)belangrijk als zijn doorbraakmomenten. Dat is mijn speculatie, mijn verbeelding die opspeelt als ik me afvraag waarom Lasse Vonk zo interessant zou moeten zijn, zo relevant als Gregor Samsa. Want dat is hij niet, hoe hard ik ook mijn best doe om dat wel te vinden, in wat ik te horen en te zien krijg. Bruno Vanden Broucke weet de hele tijd de perfecte toon te vinden, daar is niets mis mee. Hij weet mij anderhalf uur te boeien als toneelspeler, maar niet als personage. Zijn Ruëll en Vanden Broucke teruggeschrokken voor een onherstelbare breuk in het leven van hun personage te bedenken en te tonen? Is de pervertering van de economie van de kunst een sluipend gebeuren, een soort geruisloze kanker die kunstenaars verteert, behalve als, uitzonderlijk, de chemo van het financieel comfort aanslaat? Zoals bij Vonk, charmant, gevat, maar niet vleierig, niet flamboyant, zeer doorsnee eigenlijk, en ongevaarlijk. De uitvergroting, de eigenlijke metamorfose, die blijft uit. Hij wordt zo een geüpdatete versie van de ‘anti-abstracte’ schilder Bernard Buffet, die juist door de postmodernen werd uitgespuwd als reactionair en populistisch – en gefrustreerd. Hier neemt de frustratie geen grensoverschrijdende vormen aan, er wordt ook niet naar gehint, zijn nieuwe ‘persona’ als verteller met keurige slides bevalt Lasse Vonk eigenlijk wel.

“Eén aspect klinkt wel opvallend mooi door, en dat zijn de familiebanden – de te vroeg gestorven vader, de inspirerende grootmoeder (de nonna) en de teruggetrokken moeder, die nooit haar talent heeft kunnen ontplooien en haar zoon zijn afwezigheid verwijt.”

Eén aspect klinkt wel opvallend mooi door, en dat zijn de familiebanden – de te vroeg gestorven vader, de inspirerende grootmoeder (de nonna) en de teruggetrokken moeder, die nooit haar talent heeft kunnen ontplooien en haar zoon zijn afwezigheid verwijt. Haar tristesse is aanwezig in het verhaal van de zoon, die zich schuldig voelt, niet nadrukkelijk, eerder als ondertoon. Het einde, de herontdekking van haar tekentalent, is wat pathetisch misschien, maar dit klopt wel. Zij, in haar levensavond, ondergaat de ware metamorfose. Tenminste, dat hoop je, want op dat moment gaat het licht uit.


De speeldata van deze voorstelling vind je hier.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 7 — 10 minuten

#183

08.09.2026

—

14.01.2027

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans (1959) is Doctor in de Rechten. Hij werkt als docent en onderzoeker aan het RITCS. Hij is actief als dramaturg en regisseerde twee toneelstukken: Bulger (2006) en Sleutelveld (2009). In 2022 verscheen The Dramatic Society. Essays on Contemporary Performance and Political Theory, bij Routledge.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!