Klaas Tindemans

Leestijd 5 — 8 minuten

Concertant theater – Maatschappij Discordia

KRONIEK – MEER DAN GENOEG BETWETERIGE (JONGE EN OUDE) SCHOOLMEESTERS

Naar aanleiding van Claus Peymanns benoeming als intendant van het Weense Burgtheater, de mastodont van de Duitstalige theatergezelschappen, schreef zijn vriend Thomas Bernhard een kort “toneelstukje” voor het recentste jaarboek van Theater Heute. Peymann en Bernhard wandelen door de Kärnterstrasse, dé mondaine winkelstraat in Wenen, en stellen vast dat Oostenrijk geen theater nodig heeft, Oostenrijk is gewoon één grote komedie. Maar hun conclusies zijn verschillend: Peymann beschrijft zijn liefde voor het toneel, Bernhard zijn haat.

Bernhard: “Ik haat het toneel. Ik haat acteurs op het toneel. Ik haat de toneelwereld.”

Peymann: “Dat kan ik niet zeggen.”

Bernhard: “Natuurlijk, U bent een theatermens, zoals dat gezegd wordt. Ik ben echter geen theatermens. Met huid en haar en van gansen harte houdt U van het theater. (…) Ik haat het theater met huid en haar, en ik verafschuw het zoals niets anders.”

Ik durf niet beoordelen of dit fragment met de werkelijkheid van de “personages” overeenstemt, maar dat doet er verder niet toe. De vaststelling dat theater haten en theater liefhebben twee kanten van één medaille zijn, althans voor de theatermaker, is essentieel. Wie niet regelmatig genoeg het theater haat, maakt geen goed theater meer, zegt Bernhard.

Maatschappij Discordia speelt al een paar jaar ongeveer elk nieuw stuk van Thomas Bernhard, en op de scène etaleren zij in hun meest recente produkties, een zelfde haatliefde-verhouding tot hun medium als de Oostenrijkse toneelauteur. Bewust en openlijk worden door Lamers, De Koning en de anderen de eigen theatrale middelen op de helling gezet, soms heel abstract-vormelijk (de zwijgende loopbewegingen in Het Atelier), soms half-cynisch (de souffleur in Shakespeare dringend gesucht). Een overzicht van hun recente werk en enkele notities bij deze cruciale theatermakers.

Volgens een deel van de kritiek, en waarschijnlijk ook volgens het gezelschap zelf, was de speelstijl van Discordia wat afgevlakt tot een te eenvoudig toe te passen systeem. Met name bij Engelse society-komedies als Somerset Maughams The Circle en G.B. Shaws The Philanderer bleek de statische a-synchrone accuratesse van hun spelhouding niet altijd een efficiënt antwoord op het gedateerde karakter, het zuiver structurele en niet meer doorvoelbaar te maken raffinement van die teksten.

Vandaar het bezinningsstuk Het Atelier, gepresenteerd als deel I van Het Feuilleton. Theater als een publiek vraagteken bij het theatermaken. Het Atelier is een collage van tekstfragmenten, ruwweg te verdelen in drie “bedrijven”: klassieke stukken als Faust, King Lear (een prachtige stormscène!) die Discordia nooit speelde (nooit zal spelen?), klassieke die Discordia, of hun voorganger het Onafhankelijk Toneel, wel speelde (The Tempest, Bernhard-teksten, Brechts Im Dickicht der Städte, enz.) en pasgeschreven komedies van Frans Strijards en Gerardjan Rijnders (“onbehaaglijk”, zo men wil). Vaak onderbroken door pseudo-choreografie, absurde decorwisselingen met oude touwen en oude doeken.

Het Feuilleton, deel II, is een vergeten stuk van Heinar Kipphardt (vooral bekend van In der Sache Robert J. Oppenheimer, nog gecreëerd door Erwin Piscator in 1964) over een dramaturg aan een provincietheater, die door een kleingeestige politiek lastig gevallen wordt, met de ronkende titel Shakespeare dringend gesucht. Veel personages, drie acteurs, steeds zittend in of staand naast versleten fauteuils, en een souffleur. Rollen worden gewisseld door van bril te wisselen. Een verouderd thesisstuk, maar juist geprogrammeerd.

Naast Het Feuilleton lijkt het repertoire van weleer gewoon door te lopen: Ritter, Dene, Voss van Thomas Bernhard en Lady Windermere’s Fan van Oscar Wilde. Een gevaarlijk spel met een reputatie opgebouwd sinds hun memorabele An Ideal Husband maar tegelijk een logische keuze. Zelfonderzoek in het theater hoeft geen breuk met een geschiedenis te betekenen, dat is zelfs een illusie. Als de behoefte bestaat aan breuken, zijn die misschien duidelijker zichtbaar te maken in een (repertoriële) continuïteit.

Er zijn dingen in deze vier voorstellingen, die mij frapperen, al lijken ze toevallig, oppervlakkig of bijkomstig. Jan-Joris Lamers, toch de mentor van Maatschappij Discordia, speelt bijzonder graag met de tekstbrochure in de hand, alsof het om een lezing, een “concertante” uitvoering gaat. Bij Ritter, Dene, Voss leest de pathologische filosoof Voss/Ludwig zijn haattirades af van op een stoel. De souffleur in het Kipphardt-stuk zit op een hoekje van de scène, en springt de acteurs bij als het iets te nauwkeurig wordt in de tekst. Wat vaak het geval is.

Nu is dit procédé niet nieuw bij Discordia, het is een “oude” Verfremdungstruuk, maar zoals Lamers het hanteert, wordt het een belijdenis, een ongeloof in “personages” tout court. Voor Bernhard lijkt me dit akelig juist. De schrijver motiveerde dit stuk destijds zo: “Ritter, Dene, Voss, intelligente acteurs. Tijdens deze arbeid, die ik twee jaar na deze notitie afgesloten heb, waren mijn gedachten hoofdzakelijk op mijn vriend Paul en op diens oom Ludwig Wittgenstein geconcentreerd.”

Het theater is een kortstondige passage door het hoofd van de intellectueel, van de gevoelsmens. Lamers, en met hem Discordia, behandelt het theater als een terloops gebeuren, dat niet meer collectief kan zijn, dat geen gemeenschapsgevoel meer kan teweegbrengen. Vandaar ook de verregaande vereenzaming van de acteurs, die me opvalt. Niemand luistert nog, onverstaanbaarheid is de gebruikelijke spreekwijze, en toch blijft een zekere helderheid van de structuur gehandhaafd.

Toneelspelen is intellectueel afzien, en je tegelijk schamen over het exhibitionisme waarmee je dit “lijden” prijsgeeft aan een onbekend publiek. Bij Het Atelier blijft nog een herkenbaarheid, een dramaturgische anecdotiek over, er wordt nog “mooi en juist geïnterpreteerd”. Maar Bernhard is zuiver chagrijn, briljante rancune, terwijl Wildes meest moralistische stuk (Lady Windermere’s Fan) zijn intrinsieke perversiteit (de schaamteloze leugens) enkel toont, bij Discordia, in het laatste bedrijf met sober rechtlijnige, lange afstanden tussen acteurs in smoking. “Mooi en juist interpreteren” is er dan niet meer bij, enkel angst om ooit wél weer te geloven in de waarheid van een rol.

Als deze angst om meer personage dan acteur te worden het overheersende motief om theater te maken wordt, speel je een heel wreed spel, met jezelf en met je publiek. Maar een spel dat moet gespeeld worden, een bittere noodzaak. Het verschil met een theater zonder deze angst wordt duidelijk met volgende anekdote, misschien.

In Ritter, Dene, Voss wordt nogal wat porselein gebroken. Bij Discordia doen niet de personages dit “vuile werk”, maar een parallel optredende “inspiciënt”, eventjes achter het eigenlijke speelvlak. De inspiciënt is van belang, en het vaatwerk is van goedkoop consumptieporselein. Bij de creatie door Claus Peymann en Karl-Ernst Herrmann, had Herrmann massa’s “Herrenporzelan” – zo heet het in het stuk, en dit is een typische, maar zeer dure soort – laten naschilderen op goedkoop materiaal. Tot, vlak voor de première in Salzburg, een auto in de vitrine van een porseleinwinkel reed. Het toeval doet alle moeite om illusie te creëren teniet. Een toneelknecht met witte kopjes zonder meer is “veiliger”.

Niet dat alle pogingen tot illusie zonder meer onzinnig zijn, alleen is dit bij Discordia niet meer aan de orde. Met het aspect “illusionisme” in zijn beroep moet de acteur zijn plan trekken, voorlopig. Daarom wordt er niet naar hem geluisterd, hoogstens door een publiek dat ondanks alles nieuwsgierig blijft waar die acteur voor staat, voor welk personage. Dat is de paradox waar Discordia mee blijft zitten, en het is een interessant uitgangspunt. Zolang het niet om de abstracte vraag gaat, maar telkens opnieuw over de inhoud van elke concrete illusie: die van de moralist, die van de cynicus, die van de theatermaker, die van de toeschouwer.

Jan-Joris Lamers sprak het afgelopen jaar drie keer een passage uit, in verschillende context, uit Ritter, Dene, Voss. Eerst in zijn referaat op het VTC-colloquium over kunst en beleid, dan in Het Atelier, en tenslotte gewoon in het stuk zelf: “Jonge kunstenaars zijn niet te helpen, er bestaat geen grotere onzin dan jonge kunstenaars te helpen, überhaupt kunstenaars te helpen is onzin. De kunstenaars moeten zichzelf helpen, vooral de jonge kunstenaars moeten zichzelf helpen. Daardoor werd er niks van de jonge kunstenaars, omdat ze voortdurend geholpen worden. Wie een kunstenaar helpt, vernietigt hem.”

Misschien ligt dit fragment, deze “passage” door het hoofd van Bernhard en Lamers ten grondslag aan de eenzame acteur, aan zijn lot overgelaten, de Hamlet op zoek naar Shakespeare, de recitant op zoek naar betekenis in een slordig tekstboek. En daar een zin aantreft uit Büchners Léonce und Lena: “Godzijdank begin ik met de melancholie in het reine te komen.”

 

RITTER, DENE, VOSS
vertaling, regie en decor: Jan Joris Lamers; met Ditha Van der Linden, Annet Kouwenhoven, Jan Joris Lamers en Matthias de Koning.

SHAKESPEARE DRINGEND GESUCHT
regie en decor: Jan Joris Lamers; vertaling: René Eljon; met René Eljon, Matthias de Koning, Gerrit Bons en Jan Joris Lamers.

LADY WINTERMERE’S FAN
regie en decor: Jan Joris Lamers; vertaling: Jan Joris Lamers en Gerrit Bons; met Matthias de Koning, Gerrit Bons, Annet Kouwenhoven, Jan Joris Lamers, Frieda Pittoors, René Eljon en Ditha Van der Linden.

HET ATELIER
regie en decor: Jan Joris Lamers; vertaling: Maatschappij Discordia; met Jan Joris Lamers, René Eljon, Matthias de Koning, Gerrit Lons en Annet Kouwenhoven.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

recensie