‘Chant éloigné’ © Herman Sorgeloos

Leestijd 5 — 8 minuten

Chant Eloigné

Claire Croizé

In Chant éloigné treffen we choreografe Claire Croizé in een lang uitgesponnen overgangsritueel. Tot zeven maal toe dragen de vijf danseressen een van hen ceremonieel weg. Het gebeuren heeft iets van een offergang en wordt telkens ingeleid of afgesloten met een reidans die, naarmate de voorstelling vordert, steeds uitbundiger, vrijer en speelser is.

Croizé zoomt met Chant éloigné in op een uitgerekt kantelmoment, waarmee ze zichzelf ruimte geeft, veel ruimte. Als toeschouwer zijn we bevoorrechte getuige van wat dat oplevert: we zien bij elke nieuwe scène het bewegingspalet rijker en eigenzinniger worden en de verhoudingen tussen de groepsleden preciezer op elkaar afgestemd. Ook de ‘moeilijke’ modernistische muziek van Webern, Berg, Debussy en Schönberg vaart er wel bij. Choreografie en beweging zetten de zintuigen zo op scherp dat hun atonale en dodecafonische composities helder lijken weg te dansen.

Eerder al in haar parcours had Claire Croizé iets met de grens tussen loslaten en vasthouden. In haar afstudeervoorstelling voor P.A.R.T.S., Donne-moi quelque chose qui ne meure pas (2000), bewegen de dansers tussen ingesnoerde vormelijkheid en grote fluïditeit. Ook haar solo Blowing up (2002) is een letterlijk spel van even- wicht tussen verloren en herwonnen balans. Dan volgt een periode waarin ze lijkt te aarzelen tussen haar rol als danseres en die van choreografe. We zien haar in werk van Etienne Guilloteau, Hooman Sharifi, Jean Luc Ducourt, Alexander Baervoets, Anabel Schellekens en Kris Verdonck. Tussendoor begint ze met Affected (2006) aan wat ze zelf omschrijft als haar ‘romantische periode’ met affect, emotie en de laatromantische muziek van Gustav Mahler als pijlers. Als choreografe geeft Croizé in Affected het dansen uit handen aan drie danseressen, maar tegelijk houdt ze zich nog in qua creatief potentieel. Ze toont drie na elkaar uitgevoerde en strak gechoreografeerde solo’s op de Kindertotenlieder van Mahler met uitgekiend, haast maniëristisch aandoend bewegingsmateriaal. Hoewel de voorstelling lovende kritieken krijgt, lijkt Croizé in mijn beleving nog te krampachtig vast te houden aan een vooropgesteld idee van hoe een perfect gechoreografeerde en uitgevoerde voorstelling er moet uitzien.

Drie jaar later komt daar verandering in. De titel van The Farewell (2009) is een intentieverklaring. Croizé gaat op haar eentje de krachtmeting aan met Mahlers Der Abschied en de imponerende derde beweging uit zijn Negende symfonie. In de laatste scène laat ze de overweldigende muziek los om in een even overweldigende stilte te luisteren naar zichzelf en haar eigen muzikaliteit. Ze geeft zichzelf zuurstof. Het is een scène die ik koester als een van die zeldzaam ontroerende dansmomenten uit mijn toeschouwerservaring.

Chant éloigné begint waar The Farewell eindigt, met een minutenlange scène zonder muziek. De initiële stilte draait hier net als het slot van The Farewell rond ruimte geven, maar dit keer is Croizé niet alleen. Ze draait in aftastende aanzetten – met lichte aanrakingen en voorzichtige passen – rond vier andere danseressen heen. Die tonen zich even onderzoekend, vaak gaan ze aan de kant staan en lijken elkaar in te schatten. Zo worden de verhoudingen tussen vijf bijzonder sterke danseressen in kaart gebracht – naast Croizé zelf zijn dat Claire Godsmark, Cecilia Lisa Eliceche, Liz Kinoshita en Lisa Gunstone.

Dan komt er een dodecafonische Schönberg aan om het laatromantische lyrisme uit The Farewell definitief te verjagen. Op zijn Variationen für Orchester duiken de danseressen elk in hun eigen bewegingskwaliteiten – elegantie, panache, concentratie, verbeelding, ontspanning. Ze werken in een snelle opeenvolging van inzetten en uitdoven, schijnbaar zonder opgelegd patroon. De dansgeschiedenis is de inspiratie voor het bewegingsmateriaal. Soms is dat hoekig en krachtig à la Ballets Russes, of van een soepele weidsheid die ik associeer met Isadora Duncan. Er passeren huppelende verwijzingen naar volksdans, er wordt postmodern gewandeld en gezwaaid vanuit de heupen. De danseressen draaien pirouettes of meten langzaam wentelend de ruimte af met hoge of breed reikende armen. Het hele eerste deel is een verkenningsronde: hoe verhoudt hun eigen muzikaliteit zich tot herinnerd bewegingsmateriaal, tot de muziek en tot elkaar.

Ruimte geven aan muzikaliteit. Claire Croizé is mij altijd in de eerste plaats opgevallen als een zeer muzikale danseres. Chant éloigné blijkt verschillende sleutels te bevatten voor dat kwikzilveren begrip van muzikaliteit als inzet van deze voorstelling. Chant éloigné is niet alleen genoemd naar een gedicht van de al even muzikale dichter Rainer Maria Rilke – al googelend stuit ik ook op een publicatie uit 2007 met dezelfde titel, waarin vertaler Jean-Yves Masson alle gedichten van Rilke rond muziek, stilte en resonantie heeft gebundeld. 1 Uit zijn begeleidend essay valt op te maken dat Rilke aanvankelijk moeite had met gecomponeerde muziek. Hij vreesde dat te veel ‘muzikaal vertoon’ zijn innerlijke muzikaliteit in het gedrang zou brengen. Dat verandert nadat hij kennis maakt met de theorie van de Franse dichter en componist Antoine Fabre d’Olivet, die de esoterische getallenleer van Pythagoras en Plato toepast in een ‘wetenschappelijke’ benadering van muziek. 2 Over de wetenschappelijkheid valt te discussiëren, wel staat vast dat voor Rilke een nieuwe wereld opengaat. Hij kan nu muziek beschouwen als een architecturale ruimte en past dat inzicht meteen toe op zijn dichtkunst. Zijn gedichten worden ‘une création d’espaces sonores’, een akoestische ruimte waarin hij de muzikaliteit van woorden kan verkennen. De kwaliteit van zijn werk neemt een vlucht, weg is de zoetelijkheid die hem voordien verweten werd. Meer nog: zijn nieuwe inzichten helpen hem in zijn persoonlijk leven af van zijn pathologische melancholie. Ruimte biedt hem houvast want daarop heeft hij greep, daarin kan hij investeren.

Het mooie is dat Rilke met deze evolutie intuïtief aansluit op zijn tijdsgeest: componisten als Edgard Varèse, Claude Debussy en Anton Webern voerden een gelijkaardig onderzoek naar ruimtelijkheid, geschraagd door wiskundige verhoudingen.

Het is in deze muziek, op de grens tussen laatromantiek en modernisme, dat Croizé zich heeft vastgebeten, in samenspraak met musicoloog Alain Franco. Naast Debussy en Webern horen we Schönberg en Berg. De muziekkeuze klopt, want het gaat om componisten die net als de choreografe nieuwe wegen zoeken zonder het verleden af te zweren en die vooral ook hun zoekproces op zijn minst gelijkstellen met het resultaat.

Croizé doet het hen na. In zeven afleveringen neemt ze ons mee in haar eigen zoektocht naar de ‘espaces sonores’ van een complexe choreografie waarin ook de verhouding tussen stilte, belichting en kostuumkleuren mee de ruimte structureert. Afgaande op de vele terugwijkende bewegingen en regelmatig ingelaste pauzes in de eerste delen, loopt haar relatie tot de muziek gelijk op met het verhaal van Rilke: het zijn momenten om afstand te nemen van de muziek, om te herbronnen in de eigen muzikaliteit.

‘Il ne faut pas que l’enfant reste ici’, zingt de bas in Pelléas et Mélisande van Claude Debussy. Intussen doorloopt Claire Godsmark in een lange solo (in oplichtend zilverkeurig hesje) de kindertijd, spelend met de aanwezige ruimte – afmeten, oppakken,wegleggen.

We zijn in het vierde deel, het overgangritueel is achter de rug, de horde genomen. Na de laatste offers volgt een brede reidans met ruime, unisono passen. Vanaf dan is er voluit plaats voor vernieuwing en avontuur. De danseressen rennen de zaal in terwijl alleen Claire Croizé overblijft. Met haar rug naar het publiek zoekt ze naar wegen om haar vroegere bewegingsmateriaal complexer te maken. De anderen komen een voor een terug en nemen over, inspelend op hun voorganger, elkaar versterkend, met nieuwe armen, nieuwe buigingen, andere dynamieken, trager, sneller, poëtischer, krachtiger. Met het nieuwgevonden materiaal gaan ze tenslotte de finale in, naar een hecht, dynamisch groepswerk met kleine, spannende verschuivingen en unisono’s, in wisselende constellaties van duo’s, trio’s en kwartetten, op niet minder dan een ode aan de dans van Schönberg, de gigue uit zijn Suite opus 29. De dans lijkt de muziek te sturen.

Croizé is in Chant éloigné als choreografe volwassen geworden. Onverschrokken heeft ze de teugels van haar artistieke potentieel gevierd in een gelijkwaardige constellatie met vier zielsverwante danseressen. Net als haar inspiratiebronnen Rilke en de modernistische componisten het haar voordeden, sluit ze op haar beurt aan op de tijdsgeest door ons in de eerste plaats dat proces te tonen, zonder de geschiedenis te ontkennen. Claire Croizé heeft ruimte gevonden. En gegeven.

1 Chant éloigné: Rainer Maria Rilke: Traduit de l’allemand et présenté par Jean-Yves Masson. Lagrasse, Editions Verdier, 2007.

2 La musique expliqe comme science et comme art considérée dans ses rapports analogiques avec les mystères religieux, la mythologie ancienne et lhistoire de la terreParis, Cliacornac, 1910.

Chant éloigné is volgend seizoen opnieuw te zien op verschillende plaatsen in Vlaanderen.

actionscenique.be

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#133

15.06.2013

14.09.2013

Lieve Dierckx

Lieve Dierckx is vertaler en theaterwetenschapper. Ze schrijft freelance over dans en podiumkunsten voor verschillende magazines, huizen en choreografen.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!