‘Carpe, carpe, carpe’ (Nieuwpoorttheater) Foto Jan Simoen

Erwin Jans

Leestijd 4 — 7 minuten

Carpe, Carpe, Carpe

Nieuwpoortteater, Gent

Het Nieuwpoortteater besloot seizoen 1989-1990 met een opmerkelijke voorstelling. Carpe, Carpe, Carpe kwam tot stand in samenwerking met de Deense regisseuse Kirsten Thomas Dehlholm. Zij richtte in 1985 Hotel Pro Forma op, een produktiehuis dat zich bij voorkeur ophoudt in de tussenzones tussen theater, literatuur, muziek en beeldende kunsten. Eind 1988 zette zij Carpe, Carpe, Carpe op, een voorstelling met als acteurs kinderen van zeven jaar.

De tekst van de voorstelling stelde zij (en Annesofie Becker) samen uit het werk van Per Aage Brandt, filoloog, filosoof, semioticus en dichter. Brandt vertaalde eveneens werk van een hele reeks Franse schrijvers en denkers die op dit ogenblik in grote mate het internationale intellectuele klimaat bepalen : Lacan, Bataille, Barthes, Derrida e.a. Met een tiental Gentse zevenen achtjarigen ensceneerde Kirsten Dehlholm Carpe, Carpe, Carpe opnieuw. Deze wat uitgebreide situering om te wijzen op het toch wel ongewone karakter van deze produktie “met kinderen bestemd voor volwassen oren”. Een voorstelling die aldus de aankondiging, “voor het Nieuwpoortteater niets meer (is) dan een stap verder op het pad dat de hoofdweg verlaat.” Een pad, nooit zonder risico’s, maar vruchtbaar en noodzakelijk voor de dynamiek en de actualiteit van de podiumkunsten.

‘Wat begint/is de deling”. In een klinisch wit decor staat een grote tafel, vol instrumenten voor eenvoudige chemische proeven; rechts van die tafel staan een aantal bokalen op sokkels, met daarin proefdieren op sterk water, gesteenten. De natuur opgedeeld, teruggebracht tot mensenmaat, tot de begrijpbare afmetingen van een biologielokaal. Tijdens de voorstelling voeren de kinderen een aantal proeven uit. Ze doen die handelingen rustig, beheerst, op een wat mechanische manier. De bewegingen zijn opgelegd, voorgeschreven. Net zoals de woorden die zij spreken. De voorstelling krijgt het karakter van een ritueel, maar noch de uitvoerders noch de toeschouwers kennen de betekenis van het ritueel. De context, de oorsprong is verloren gegaan, is er misschien nooit geweest : “Wat begint/is de deling.” Ook de kinderen zijn van hun oorsprong, hun ouders, afgesneden : “vanavond zijn wij iets bijzonders/wij zijn eikaars kinderen/onze ouders zijn naar huis gegaan.” Ze zijn volledig in het wit gekleed, de kleur van de Onschuld, de kleur van het absolute begin waaruit alle andere kleuren ontstaan, maar tegelijk ook de kleur van de klinische laboratoriumruimte. Wit is de kleur van het ongeschreven blad. Maar er is een vreemde tekst op de lichamen van de kinderen geschreven : een tekst die niet de hunne is, en die zij toch zeggen.

De tekst van Per Aage Brandt is geen theatertekst in de gebruikelijke zin van het woord : er zijn geen personages, er wordt geen intrige verteld. De tekst is een collage van naast elkaar geplaatste fragmenten waartussen de overgangen veeleer associatief dan verhalend zijn. Carpe, Carpe, Carpe is een wrede maar poëtische confrontatie van erotiek en geweld, liefde en dood. Het is een tekst over liefde en verlangen, maar niet in hun romantische betekenis, veeleer in de betekenis die de Franse filosoof Georges Bataille aan de erotiek gegeven heeft : de erotiek als een grenservaring, een exces, een verspilling die geen ander doel heeft dan zichzelf, een vorm van extatische geweld waarin het individu zijn identiteit dreigt te verliezen. We worden overgeleverd aan een gevoel dat ons overstijgt. We zijn ‘grenzeloos weerloos’, als een dier : “Een naakte naam en een naakte blik. Verder niets.” In zijn studie De tranen van Eros becommentarieert Bataille de foto van een publieke marteling van een Chinees. De foto toont het afschuwelijke, bijna onbeschrijflijke beeld van een half opengesneden lichaam dat schaamteloos laat zien wat anders altijd verborgen blijft : de binnenkant, die uiteindelijk niets anders is dan nog eens een buitenkant van geraamte en organen. Die binnenkant wordt ons in de voorstelling ook getoond, niet in zijn fotografische hardheid, maar in de haast geïdealiseerde vormen van de meer dan levensgrote afbeeldingen van de menselijke anatomie die in het onderwijs gebruikt worden. De kinderen houden de afbeeldingen als een spiegel aan het publiek voor. De afbeeldingen als een macabere vierde wand voor het publiek opgetrokken met onzichtbaar daarachter de lichamen van zeven- achtjarigen, verliezen hun didactische onschuld. Hier wordt getoond waarover binnen de muren van het biologielokaal niet gesproken wordt. Er worden verhalen verteld over verkrachting, foltering, sexuele wreedheden, doorweven met meer filosofische reflecties op taal en beelden van een erotische,, soms bijna mystische natuurbeleving. Ik schreef “er worden verhalen verteld.” Want wie is er aan het woord in deze voorstelling ? Wie is de ik, de hij, de zij, de jij die in de tekst spreken ? Het is niet langer een personage dat spreekt, het is de taal die spreekt, maar wat zij zegt, ontgaat ons : “Het woord sluit zich, een parlement van oesters en schelpen.” De kinderen spreken, maar hun stem is volledig losgemaakt van hetgeen zij zeggen. Ook hier de deling. De kinderen verdwijnen in de tekst, omdat hij als een autonoom discours boven hen zweeft zoals de anonieme stem op de geluidsband. Maar de tekst verdwijnt tegelijk in de kinderen. Ze zijn soms opgewonden, soms zenuwachtig, soms verstrooid. De teksten zijn moeilijk en klinken soms grappig in hun mond. De tekst wordt volledig onderworpen aan hun lichaam, hun ritme, hun ademhaling, de melodie en de muziek van hun stem. De teksten zijn van hen en tegelijk niet van hen. Er is in deze voorstelling niet alleen een dwingend, onbegrijpelijk ritueel, er is ook vrijheid en spel.

Het choquante van Carpe, Carpe, Carpe is de deling tussen ‘vorm’ en ‘inhoud’, tussen de aanwezigheid en de onschuld van de kinderen en de volwassen tragiek van de teksten. Hoop en wanhoop staan in een niet op te heffen spanning naast mekaar. De deling is tegelijk levensbeginsel en doodsbeginsel. In het midden van de voorstelling treedt een goochelaar op met de bekende verdwijntruc van de drie bekertjes en het balletje. Het voortdurende verdwijnende, verspringende, zich vermenigvuldigende balletje is een metafoor voor deze Carpe, Carpe, Carpe. Een voorstelling die veel associaties oproept, die zich in het bewustzijn en de herinnering van de toeschouwer blijft delen. Ook dat, en dat vooral, is theater.

Gezelschap : Pro Forma/Nieuwpoortheater;

Tekst : Per Aage Brandt;

Regie : Kirsten Thomas Dehlholm;

Regie-assistent : Alain Platel;

Spelers : elf Gentse kinderen.

Gezien op 20 juni in Nieuwpoort-theater, Gent

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

Erwin Jans

Erwin Jans is dramaturg bij het Toneelhuis (Antwerpen). Tevens publiceert hij over theater, literatuur en cultuur in onder andere De Morgen, De Tijd, Eutopia, Etcetera, DW B, rekto:verso, nY, De Reactor, De Leeswolf en Theatermaker.

recensie