© Kathleen Michiels

Evelyne Coussens

Leestijd 5 — 8 minuten

Bravo! meneer Bruegel – Laika

Ingekaderd

In Bokrijk loopt momenteel de familievoorstelling Bravo! meneer Bruegel, ontwikkeld en gespeeld door het Antwerpse theatergezelschap Laika, op vraag van het Openluchtmuseum Bokrijk. De voorstelling kadert in een ambitieus Bruegelprogramma dat op zijn beurt deel uitmaakt van een door minister van Toerisme Ben Weyts (N-VA) breed opgezette campagne (de ‘Vlaamse meesters’) om het toerisme in Vlaanderen aan te zwengelen.

Kadert in, dat betekent dat er kaders zijn – grenzen, en die zijn er natuurlijk altijd, vanzelfsprekend ook binnen een kunstensector die zichzelf graag als ‘vrij’ ziet maar bij het maken van pakweg theater evenmin ontsnapt aan financiële, praktische, morele, … beperkingen. Maar het creëren van Bravo! meneer Bruegel gebeurde dit keer op vraag van, met geld van, en daarmee begeeft Laika zich op een interessant terrein, dat in de theatersector niet vaak wordt betreden: dat van het werk in opdracht.

In tegenstelling tot voormalig cultuurminister Sven Gatz, die in zijn Visienota Kunsten (2015) een enthousiast incentive gaf tot meer sectoroverschrijdende samenwerkingen, merk ik dat ik instinctief huiverachtig sta tegenover het feit dat een kunstenorganisatie voorbij zijn eigen intrinsieke noodzaak gaat om de welomschreven vraag van een andere organisatie in te vullen. Het loont de moeite om die huiver te bevragen en te kijken wat zo’n theateropdracht ‘oplevert’ – in eng-artistieke zin, maar daarnaast ook maatschappelijk, of zelfs financieel.

Processie van ongerijmde creaturen

Laika stapte gedurende meer dan twee jaar in een intensief traject met het Openluchtmuseum, waarbij over het volledige Bruegelparcours werd nagedacht, maar de inbreng van het gezelschap werd toegespitst op een geurendiorama dat Laika-maker Peter De Bie ontwikkelde en de theatervoorstelling die door regisseur Jo Roets werd aangestuurd. Voor die voorstelling werden een aantal kaders vastgelegd. Er moest inhoudelijk gefocust worden op één schilderij (Bruegels De strijd tussen vasten en carnaval, ca. 1559), er moest in openlucht worden gespeeld, de voorstelling mocht maar 50 minuten duren en geschikt zijn voor elk publiek. Speelritme: van 11 juli tot en met 1 september twee keer, soms drie keer per dag – er waren dus twee teams van spelers nodig, waarin overigens ook Bokrijks eigen acteurs uit de Living History een plek kregen, op vraag van het museum. Roets, Greet Vissers, schrijfster Heleen Verburg en dramaturge Mieke Versyp ontwikkelden tekst en verhaallijn.

Bravo! meneer Bruegel start als een processie van ongerijmde creaturen (fantasierijke kostuums van Inge Büscher) die vanuit de verte op het speelvlak komen toegedanst. Uit een hooibaal stijgt rook op, want de vasten is voorbij, het volle leven eist opnieuw zijn plaats op. Twee fracties groeperen zich: de mageren en de vromen, onder aanvoering van Hans Van Cauwenberghe, staan tegenover de dikke feestvierders, met Robbert Vervloet als koning. Het eerste tafereel is de strijd- en scheldscène (Roets voegde flarden Rabelais toe) die rechtstreeks uit de voorgrond van Bruegels schilderij lijkt te zijn gesneden.

De toon is gezet, maar hoe verder gaan? Het grootste probleem bij het tot leven brengen van dit schilderij is dat het bestaat uit nevengeschikte scènes: er is op het doek geen verhaallijn. Bruegel beeldt achter het centrale strijdtafereel een aantal kluchten uit en een aantal groepen of figuren (de melaatsen, de wildeman) maar hoe breng je die samen tot een performatief geheel? Een revue bestaand uit kleine, afgeronde scènes is de meest logische oplossing. Hans Van Cauwenberghe treedt op als verteller en praat de verschillende taferelen aaneen, ondersteund door muzikant Bart Voet.

Roets heeft ook geprobeerd om een tweede rode draad te smeden, te meer omdat de vraag naar ‘hedendaagsheid’ – de vertaalslag van de wereld van Bruegel naar die van vandaag – expliciet leefde bij het Openluchtmuseum. Een beetje verloren in de massa staat bij Bruegel het ‘watermeisje’ (Julia Ghysels) dat haar emmer in de put heeft laten zakken en merkt dat er nauwelijks nog water is. Roets maakt van haar een Kassandra, een Anuna De Wever, die de kibbelende annex feestvierende massa een geweten wil schoppen. Verschillende keren onderbreekt ze het kluchtige gebeuren om te waarschuwen voor het moment waarop er geen water meer zal zijn.

Kaders als artistieke uitdaging?

Het resultaat blijft wringen. De energie van de spelers, de opzwepende muziek en de wervelende kostuums verleiden tot kijken, maar de verhaallijn van het watermeisje is zwakjes gearticuleerd en ondanks zijn inspanningen krijgt MC Van Cauwenberghe niet alles aan elkaar gepraat – de spanningsboog kwakkelt. Kortom: Bravo! meneer Bruegel is geen theater op het scherp van de snee, zoals Laika dat in zijn mars heeft, zoals het onlangs nog bewees met het wonderlijke De Meester en Margarita. Daarmee is de eerste vraag beantwoord: wat de theatervoorstelling betreft, binnen dit hele breed-culturele traject toch een van de meest uitgepuurde artistieke producten, levert de samenwerking een onbevredigend resultaat op.

Is dit te wijten aan de kaders, die bij voorbaat waren uitgezet? Jo Roets en Mieke Versyp weerspreken met klem deze gedachte en benadrukken dat Bravo! meneer Bruegel voor hen allerminst een artistiek bastaardkind is. Ze hebben zich akkoord verklaard met elke voorwaarde die in de opdracht van Bokrijk vervat zat, meer nog: ze hebben die voorwaarden opgevat als een artistieke uitdaging. Het feit dat een tribuneontwerp door het museum werd geweigerd (wegens niet in lijn met de architectuur van de erfgoedsite), dat het verschroeiende speelritme noopte tot twee spelersteams, dat de voorstelling een welomlijnde speelduur diende te hebben, … Voor Roets maken deze beperkingen deel uit van het artistieke werk, dat er volgens hem er juist wezenlijk in bestaat om binnen de gegeven kaders te blijven denken en werken als een kunstenaar.

Ik voel weerstand tegen die gedachte, al geeft het heersende cultuurklimaat Roets gelijk, want begrippen als artistiek en kunstenaar zijn al sinds de millenniumwissel aan een forse betekenisverschuiving bezig. De vanzelfsprekendheid van wat als ‘artistiek’ wordt beschouwd wordt vandaag op verschillende manieren en door verschillende groepen bevraagd – zowel door het sociaal-artistiek werk, dat ervoor pleit het sociale te zien als een intrinsiek artistieke meerwaarde, als door verschillende emancipatiebewegingen die de van oudsher machtsgerelateerde invulling van ‘artistieke criteria’ aankaart: wie bepaalt wat artistiek is en op basis van welke criteria? En de kunstenaar, dat is natuurlijk al lang niet meer die zonderling die vanuit zijn ego-positie zijn hyperpersoonlijke mededeling de wereld instuurt. Hij is degene die zich ten volle door die wereld laat bevruchten, en daar bijna dienstbaar aan hoort te zijn.

Het resultaat van noodzaak

Zo bezien zijn er heel veel redenen om in te gaan op de vraag van Openluchtmuseum Bokrijk. Het boeiende inhoudelijke materiaal, de gewenste vertaalslag naar vandaag, de gelegenheid om een breed en anders onbereikt publiek te laten kennismaken met theater. Bravo! meneer Bruegel zorgt er inderdaad deze zomer voor dat heel wat mensen die nog nooit in een theaterzaal zijn binnengestapt kennis maken met een professionele theatervoorstelling. Overigens is het alternatief dit soort samenwerkingen over te laten aan de socio-culturele of commerciële sector, die wellicht de schurende kantjes (het scabreuze, het uitbundige) van Bravo! meneer Bruegel zouden afvijlen. En ja, tenslotte is het mooi meegenomen dat de fondsen, afkomstig uit Toerisme Vlaanderen, voor Laika kostbaar subsidiegeld uitsparen.

Kortom: Laika heeft op veel vlakken gedaan wat zowel de minister als de samenleving van het gezelschap verwacht. De ‘winst’ is groot. Maar wat ik mis in het hele verhaal is (en ik durf het woord nauwelijks op te schrijven) noodzaak. Niet de noodzaak om het publiek te verbreden of om het draagvlak voor het theatermedium te vergroten of om te streven naar troost of verbinding of voor mijn part naar een betere wereld. Maar noodzaak als de onweerstaanbare drive van een kunstenaar met een mededeling die vaker onwelgevallig is dan behaaglijk. Het resultaat van die noodzaak, ook als het mislukt, heet: kunst. Mag ik denken, mag ik verwachten, dat een kunstenorganisatie onder het Kunstendecreet het nog steeds, naast een heleboel andere opdrachten, als zijn core business ziet om kunst te maken? En mag ik daarmee stiekem hopen dat er naast deze Bruegel vooral nog veel Meesters mogen volgen?

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#157

15.05.2019

14.09.2019

Evelyne Coussens

Evelyne Coussens is freelance cultuurjournalist voor De Morgen en verschillende cultuurmedia, waaronder Ons Erfdeel, rekto:verso en Staalkaart. Ze is lid van de grote redactie van Etcetera.

recensie