Luk Van den Dries

Leestijd 4 — 7 minuten

Boeken: Omtrent Heiner Müller

Heiner Müller is een veelkantig schrijver. Naast zo’n 29 toneelstukken schreef hij gedichten en prozateksten en was zowel recensent, vertaler als dramaturg, Sinds kort regisseert hij ook zijn eigen stukken: Der Auftrag in Bochum, Macbeth in Oost-Berlijn. Al die teksten samen bouwen een hecht oeuvre; de stukken verduidelijken mekaar, voeren als het ware een dialoog met veel stiltes, geruzie en momenten van verzoening; dezelfde motieven worden herhaald in poëzie, proza en toneel; vaak is het onmogelijk deze drie literaire genres te onderscheiden. De meest complete verzameling van Müllers werk (behalve de toneelteksten na De Hamletmachine) verscheen in zes delen bij Rotbuch Verlag. Tot eind jaren zeventig is de lectuur over Heiner Müller erg versnipperd: veel losse artikels in kranten en tijdschriften, enkele bladzijden in literatuuroverzichten, polemieken rond bepaalde stukken en opvoeringen (o.a. over de Macbeth-bewerking). maar geen specifiek of globaal onderzoek. Met een hernieuwde aandacht vanwege Oost- en Westduitse theaters midden jaren zeventig, gaat ook een wetenschappelijke belangstelling gepaard die zich nu neerslaat in zes boeken die alle tekstanalytisch inzicht proberen te winnen in het werk van deze auteur.

1. Genia Schulz: Heiner Müller

Genia Schulz schreef het meest volledige boek: ze analyseert 18 stukken (de belangrijkste), betrekt ook Müllers proza en lyriek en brengt in de inleiding al het materiaal samen waarmee de teksten ontleed kunnen worden. Die instrumenten zijn nogal heterogeen van aard, wal natuurlijk te maken heeft met de diversiteit van Müllers produktie zelf. Overlopen we de verschillende invalshoeken. De meest beproefde piste in Müllers werk is de marxistische: uitgangspunt daarbij is de reflectie over de vooruitgang van de geschiedenis. Dat klopt aanvankelijk; in de latere stukken wordt die gang meer en meer een slenteren en uiteindelijk een stilstand, status quo. Het individu wint aan belangt wat kan hem de geschiedenis schelen) en dan meer bepaald het onbewuste, de driften, het lichamelijke, de machtsmechanismen tussen mensen. Dat geeft aanleiding tot literair-historische vergelijkingen met o.a, Artaud en Lautréamont en vormt tevens het overstapje naar poststructuralisten als Foucault en Deleuze. De exclusieve aandacht van deze filosofen voor de taal als autonoom mechanisme past bij de neiging van de late Muller zichzelf uit de tekst te schrijven en de personages te presenteren als louter toevallige tekstdragers die onderling verwisselbaar zijn. Tegengesteld aan deze beweging is de autobiografische interpretatie die de auteur terug in zijn tekst wil plaatsen: ze zoekt naar overeenkomsten tussen leven en werk en probeert zo bijvoorbeeld de matriarchale voorkeur (de sterke vrouw als rode draad in Müllers laatste stukken) vanuit een autobiografisch afscheid aan de vader te verklaren.

In een analyse lopen al die dingen uiteraard door elkaar. Een tekst heeft veel ingangen, zegt Deleuze. Een toeschouwer verkent daar slechts enkele van, namelijk diegene waarin hij zichzelf kan investeren. Het is de taak van de analyticus zoveel mogelijk doorgangen tot het einde te gaan, toch altijd opnieuw kunnen beginnen, verbindingen te leggen en ervoor te zorgen dat het geheel niet uit mekaar valt. In de interpretaties van de aparte stukken brengt Genia Schulz op die manier heel veel aan de oppervlakte: tekstverbanden, filosofische aanzetten, historisch-politieke feilen. Op andere plaatsen blijft het bij een oppervlakkig interpreterend lezen dat louter een verhaal/fabel reconstrueert. Toch wordt hier op weinig bladzijden heel veel werkmateriaal aangereikt dat om uitwerking vraagt.

2. Georg Wieghaus: Heiner Müller

Die uitwerking moet je niet zoeken in dit oranjekleurige dunboekje, het 25ste in de reeks “Einfuhrungen für den Leser deutschsprachiger Gegenwartsliteratuur”. De opzet van Genia Schulz wordt herhaald, maar dan op een zeer smalle basis. Het overzicht van Müllers werk beperkt zich tot een bespreking van elf stukken. Elk van die besprekingen krijgt een apart kader mee: bij het stuk Die Schlacht wordt uitgeweid over biografische bijzonderheden, bij Philoktet hoort iets over de bewerking van klassiekers, Mauser stelt vragen aan de geschiedenis. De thematische gelaagdheid van elke tekst en de continuïteit binnen het hele oeuvre wordt op die manier sterk vereenvoudigd. Bovendien probeert Wieghaus kost wat kost van Muller een dissident schrijver te maken, een reflex van vele Westduitse kritici: met die zin wil Muller ‘eigenlijk’ Stalin een trap na geven, die passage is een verholen kritiek op het DDR-regime. enz. Men is zodanig ijverig op zoek naar de vermeende ‘subtekst’ dat men vergeet de woorden te lezen zoals ze er staan. Terwijl de politieke werking van een auteur als Muller precies ligt in dat bijzondere taalgebruik: eenvoudig, helder en concreet.

3. Text + Kritik: Heiner Müller

Text + Kritik pakt dat anders aan. In plaats van Müllers werk stuk voor stuk te lezen, maakt men zeven dwarsdoorsneden die min of meer overeenkomen met de zeven pistes waarop Genia Schulz doorheen het oeuvre schuift. Komen aan bod: het vroegjournalistieke werk (Muller als poëzierecensent); een overzichtelijk portret van Der Lohndrücker (1956) tot Die Hamletmaschine (1977); de taal, verzen, woorden ; hoofdstuk vier situeert Müller in de DDR-literatuur t.o.v. de cultuurpolitieke richtlijnen en collega-schrijvers (P. Hackx, V. Braun, P. Wolf, T. Brasch. S. Schütz); vijf en zes overlopen de ontwikkeling van de motieven dood, seksualiteit, arbeid en evalueren de positie van de vrouw; en het laatste hoofdstuk probeert Muller poststructuralistisch te begrijpen. De optelling van deze bijdragen geeft een hoekig beeld van een veelkantig auteur. Dat de hoeken nog niet scherp afgelijnd zijn ligt aan de wisselvallige kwaliteit van de literatuurwetenschappers en de kortheid van de artikels. Opnieuw constateert men de mogelijkheden tot en niet de analyse van. De ensceneringstabel achteraan, een jaarlijks overzicht van alle opgevoerde stukken, tekent een wispelturige curve met een plotse belangstelling in ’69. dan een stilte en een gestadige groei vanaf ’74.

4. Marc Silberman: Heiner Müller

Dit boek geeft een overzicht van de receptie die Müllers stukken in de BRD en de DDR te beurt viel. Dat men het met mekaar grondig oneens is, kan niet verbazen: de Oostduitse kritici vinden het treffend hoe Müller: de ‘Vorgeschichte’ (d.i. het kapitalisme) beschrijft, maar waarschuwen: “dat de meerduidigheid de klassevijand in de kaart speelt”; de Westduitsers zien overal zinspelingen op het stalinistisch regime. Verhelderende lectuur. Dat Heiner Müller geen onbeschreven blad is moge blijken uit de 43 p. bibliografie.

Voor de volledigheid vermeld ik nog:

5. Theo Girshausen: Die Hamlet-maschine

Ten dele een verslag van de mislukte ‘Uraufführung’ van dit stuk in Köln, ten dele een mislukte analyse van het stuk zelf.

6. Theo Girshausen: Realismus und Utopie

Situeert het vroege werk in het didactische toneel.

 

Genia Schulz, Heiner Müller. Sammlung Metzler. Stuttgart, 1980, 203 p., 435 fr.
Georg Wieghaus, Heiner Müller. Verlag C.H.Beck.München, 1981,136 p., 326 fr.
Text + Kritik Heft 73, Heiner Müller. Ed. Text + Kritik, München, 1982,97 p., 270 fr.
Marc Silberman, Heiner Müller. Ed. Rodopi, Amsterdam, 1980, 127 p., 450 fr.
Theo Girkhausen, Die Hamletmaschine, Heiner Müllers Endspiel. Prometh Verlag, Köln, 1978, 178 p., 378 fr.
Theo Girshausen. Realismus und Utopie. Die frühen Stücke Heiner Müllers. Prometh Verlag, Köln, 1981, 346p., 882 fr.

Krijg je graag ons magazine in jouw brievenbus?
Abonneer je dan hier.

boeken
Leestijd 4 — 7 minuten

#2

15.03.1983

14.06.1983

Luk Van den Dries

Luk Van den Dries is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen en redacteur van Etcetera. Hij wijdde zijn doctoraat aan de opvoeringsgeschiedenis van Heiner Müller in Vlaanderen en is gespecialiseerd in het naoorlogse Vlaamse theater.