Bart Meuleman

Leestijd 3 — 6 minuten

Over de bittere noodzaak om voor lege zalen te spelen

Een elegie van Bart Meuleman, geschreven naar aanleiding van Het Theatercafé van Het Bordès

het is lange tijd niet goed met ons gegaan.
we waren moe, lusteloos, toch deden we verder.
het maakte ons nog lustelozer.
vaak overwogen we om te stoppen.
vele discussies voerden we daar over.
maar naast de vraag wat we dan moesten doen
heeft onze koppigheid ons daarvan weerhouden.
van de schaarse bezoekers van onze
voorstellingen
– allemaal goede bekenden –
bleven er steeds minder komen.
de trouwsten onder hen kregen op de duur
iets honds in hun blik.
de weerzin om na de voorstelling met hen te
praten werd steeds groter.
waarom zouden we niet stoppen hebben we
onszelf vaak afgevraagd.
om verlost te raken van de troosteloze gezichten
die weer en wind trotseren en de eerste
twee rijen blijven bevolken – meer stoelen
stonden er niet.
waarmee de vraag ontweken werd
waarom stoppen we niet omdat we niets
betekenen.
omdat we de gebaren die we maken en
de woorden die we spreken
alleen maar de leegte insturen.
iedere avond namen we applaus in
ontvangst.
daarna gingen we drinken.
daarna gingen we naar huis.
we werden uitgenodigd voor een debat over
de positie van de kleine theatermaker.
er was geen ziel te bekennen op het debat over
de positie van de kleine theatermaker.
op de vraag hoe we het voor onszelf konden
rechtvaardigen dat we voor lege zalen
speelden moesten we geen antwoord geven.
we stapten in de auto en reden naar een café.
daarna reden we naar huis.
ondertussen bleven we formulieren voor
subsidies indienen.
iedere keer werden we voor een pietluttig bedrag weliswaar maar in elk geval positief geadviseerd.
iedere keer kregen we het bedrag enkele
maanden te laat weliswaar maar
hoedanook nog ruim op tijd uitgekeerd.
de seizoenen gingen voorbij, vele bedrijven
moesten hun deuren sluiten.
we discussieerden regelmatig over een nieuwe
voorstelling.
we dachten er vaak aan om te stoppen.
we gingen iets drinken in een nabijgelegen café.
als we ‘s nachts een beetje beneveld naar huis gingen overviel ons de gedachte aan een mislukte catastrofe.
op een dag vingen we iets op.
een doffe echo kwam ons toevallig ter ore.
er zijn er die gemeenschapsgeld verkwisten.
er zijn er wiens werk niet aansluit bij
de actuele leefwereld van het
verjongde publiek.
er zijn er die voor lege zalen spelen.
hoewel niemand ons kende vermoedden we
dat het over ons ging.
in plaats van ons te verdedigen – wat we misschien maar moeilijk hadden gekund-
dienden we een nieuwe subsidieaanvraag in.
waarop een positief advies volgde.
we dachten na over een nieuwe voorstelling,
een trilogie dit keer.
besparingen op het decor stelden ons in staat
om een mailing te doen, omvangrijker
dan voorheen.
nieuwe geruchten kwamen ons ter ore.
de beschuldigingen zwollen aan.
we waren er nu vrij zeker van dat het over
ons ging.
de bewijsvoeringen kwamen in een ruimer
perspectief te staan.
de verbreding van het culturele aanbod.
de ontwikkingen van de nieuwe media.
de belangstelling van het bedrijfsleven voor
de culturele sector.
de economische conjunctuur.
de noodzaak aan nieuwe moraal en kritische
burgerzin.
altijd was het oordeel over ons vernietigend.
bij een volgende première zaten er een paar
nieuwe mensen in de zaal.
de eerste schijf subsidie werd overgemaakt.
we discussiëerden over een nieuwe voorstelling.
we dachten er aan om te stoppen.
we dienden een nieuwe aanvraag in.
we hadden wel zin in een drankje.
vervolgens gingen we naar huis.
na de première barstte tussen ons een ruzie los.
omdat we niets betekenden.
omdat we alles betekenden, behalve dat wat
we wilden.
omdat we niets en alles tegelijk betekenden.
we waren – zo begrepen we – onmisbaar
geworden in het maatschappelijk debat
over cultuur economie, moraal en kritische burgerzin.
een negatief ijkpunt.
de zinledigste plek op het stadsplan.
het toonbeeld van verspillende onbenulligheid.
voorzichtig probeerden we na te denken over
dit inzicht, we kregen krampen.
we beseften dat we machteloos stonden om
iets aan dit beeld te veranderen.
het vroor dat het kraakte toen we naar huis
gingen.
sinds we begrepen hadden waar ons
maatschappelijk belang precies in
schuilde, veranderde er niet veel.
het ging nog steeds niet goed met ons.
het ging slecht met ons.
we hielden op met het maken van
voorstellingen.
we hielden op te bestaan.
het cultureel-maatschappelijk debat woedde
nog steeds voort.
in commisies, in universiteiten, op de
opiniepagina’s van kranten, in café’s.
nog heftiger dan vroeger verklaarde men
de waarde van sommige welbepaalde
kunsten nietig.
als voorbeeld haalde men toneelproducties
aan die gespeeld werden voor lege zalen.
hoewel we niet meer bestonden voelden we
ons rechtstreeks aangesproken.
hoewel we het ons niet meer hoefden aan te
trekken, begrepen we plotseling waar
het om ging.
de haat en weerzin tegen voorstellingen die
gespeeld werden voor lege zalen, maakte
energie vrij om aan een betere wereld te
kunnen werken. dankzij het bestaan van kunsten als de onze
ging het weer de goede kant op met de samenleving.
we trokken het vuilnis aan, en hielpen zo
mee aan de zuivering.
ons werk deed de wereld weer open bloeien.
de laatste schijf voor de laatste productie
kwam toe.
we zagen mekaar weer op café.
we haalden herinneringen op, maakten grappen.
we dachten eraan om weer te beginnen.
het regende pijpenstelen toen we ‘s nachts
naar huis gingen.

theatertekst
Leestijd 3 — 6 minuten

#60

15.06.1997

14.09.1997

Bart Meuleman

theatertekst