Jef De Roeck

Leestijd 7 — 10 minuten

De beslotenheid van het Belgische Centrum ITI

ITI staat voor Internationaal Theater Instituut, een Unesco-organisme dat nauwelijks bekend is bij het publiek. Waarom vroeg Jef De Roeck aan Alfons Van Impe, medevoorzitter van de Belgische afdeling.

In het congrespaleis te Brussel had op zaterdag 6 november 1982 een colloquium plaats over theater-subsidiëring in België. De bedoeling was dat de Vlamingen ten gerieve van de Franstaligen, en andersom, zouden toelichten hoe de rijkstoelagen binnen de respectieve taalgemeenschappen worden verstrekt; eventuele conclusies zouden aan de bevoegde instanties worden doorgespeeld. Het colloquium was georganiseerd door het Belgische Centrum van het Internationaal Theater Instituut (ITI). Het was de eerste keer sinds jaren dat het Centrum naar buiten trad.

Inderdaad, zegt Alfons Van Impe, voorzitter van het Centrum. Het is al een aantal jaren geleden dat we nog soortgelijke initiatieven namen. Dit colloquium is ontstaan uit een tweevoudige bekommernis: 1) de mensen van het Belgische Centrum van het ITI hadden het onbehaaglijke gevoel dat zij in een besloten kringetje aan het werken waren en dat de mensen daarbuiten te weinig afwisten van wat het Centrum doet en waar het toe dient; 2) het Centrum is de enige gestructureerde plaats in België waar theatermensen van de beide Gemeenschappen, de Vlaamse en de Franse, elkaar kunnen ontmoeten. Dit laatste is één van de doelstellingen van het Centrum en deze doelstelling werd bijzonder acuut op een moment waarop nogal wat met scherp wordt geschoten op het theaterdecreet aan Vlaamse kant, en aan Franstalige kant de reglementen in beweging zijn en men op zoek is naar een nieuwe ordening van de theatersubsidiëring. Dat is de aanloop tot dit colloquium geweest.

Forum

Is het Belgische Centrum van het ITI werkelijk het enige forum waar theatermensen uit de beide gemeenschappen elkaar kunnen treffen ? Wordt dat weerspiegeld in de ledenlijsten?

Vanzelfsprekend creëert ieder die theatermensen uit beide gemeenschappen bijeenbrengt, zo’n forum. Het Belgische Centrum is wel het enige instrument dat in zijn statuten dergelijke doelstelling heeft ingeschreven. Het is op het Belgische vlak de vertaling van wat de Unesco en het ITI op het wereldvlak willen doen, nl. ontmoetingsplaats te zijn van mensen die met hetzelfde bezig zijn.

Of dit in het ledenaantal weerspiegeld is? Tot op zekere hoogte ja en tot op zekere hoogte neen. Tot voor enkele jaren vormden de Vlamingen het grote overwicht; op dit ogenblik is dat een beetje omgekeerd. Bij de Franstaligen is, dank zij een intensieve campagne en door het uitspelen van een tegenstelling tussen de Franstalige Brusselaars en de Walen, een emulatie ontstaan waardoor een aantal Franstaligen voor het Centrum belangstelling zijn gaan opbrengen, juist als ontmoetingsplaats om met elkaar overleg te plegen. In principe is dat dus wel weerspiegeld in de ledenlijst, maar men kan een vraagteken plaatsen bij het evenwicht daarin, evenwicht dat overigens kan en mag schommelen. Op dit ogenblik moeten wij, Vlamingen, inderdaad uitkijken naar een soliedere ledenbasis voor de Vlaamse afdeling.

De twee secties van het Belgische Centrum kunnen apart iets doen. Wát doen ze? Doen ze iets?

Op dit ogenblik zeer weinig. Wij hebben tot voor een paar jaren aparte informatiebulletins uitgegeven, hetzij over het Nederlandstalige theater, hetzij over het Franstalige, b.v. over Mudra, over het ‘Jeune théâtre en Belgique francophone’, over het theater in Vlaanderen… Die werden door het hele Centrum bekostigd. Bij gebrek aan financiële middelen moesten we ermee ophouden. De autonome functie van de twee secties is de laatste tijd een beetje in verval geraakt en zou opnieuw moeten geactiveerd worden.

Beschikt het Belgische Centrum over eigen middelen?

Materieel heeft het Centrum geen middelen om bijvoorbeeld iemands reiskosten te helpen dragen, maar het kan bijvoorbeeld wel bemiddelen bij het Commissariaat-Generaal voor de Internationale Culturele Samenwerking, of een eetmaal of zelfs logies bij vrienden of zo aanbieden. Maar dat is minder belangrijk dan het feit dat met name buitenlandse vorsers en universitaire medewerkers bij het Belgische Centrum terechtkomen hetzij met de vraag om studies te maken, hetzij om wegwijs te worden, niet alleen in de theaters, maar ook in de universitaire structuren, om contacten te leggen, enz. Het is meer dan eens gebeurd dat vanuit het buitenland gevraagd werd, b.v. aan Jaak van Schoor, aan Carlos Tindemans of aan uw dienaar, om een studie te maken, b.v. over de vorming van de acteur, over theaterwetenschap aan de universiteiten. Dat zijn allemaal terreinen waarvoor men bijna vanzelfsprekend bij het Belgische Centrum terechtkomt omdat die buitenlanders door het Centrum van hun land georiënteerd worden naar het Belgische Centrum.

Gevangenen

Is het Nederlandse Theater Instituut niet actiever dan het Belgische? Organizeerde dat bijvoorbeeld niet zelf theaterprodukties?

De jongste twee jaar heb ik nog weinig zicht op het Nederlandse Centrum. Wij hadden voor 1980 intensieve kontakten, maar in 1979 maakte het Nederlandse Centrum in Sofia (tijdens een ITI-congres dat daar werd gehouden) een crisis door, waarvan ik de indruk heb dat ze haar nog niet te boven zijn gekomen. Het Nederlandse Centrum vervulde inderdaad ook een bepaalde impressariaatsfunctie: het bracht buitenlandse voorstellingen naar Nederland op tournee, zo een beetje als het Vlaams Theatercircuit bij ons. Met het Nederlandse Centrum hebben wij samen het ‘Theatre Freedom Committee’ opgericht, waarbij wij bewust en moedwillig buiten de schaduw van het internationaal secretariaat in Parijs probeerden toezicht te houden op de inbreuken op de arbeidsvrijheid en de vrijheid van mening onder de theatermensen in de wereld. Wij hebben via allerlei kanalen geprobeerd om informatie te verkrijgen over theatermensen die in de gevangenis waren gezet, of verbannen waren, van wie de werken werden verboden of gecensureerd, enz. en hebben daarbij resultaten geboekt.

In welke jaren was dat?

Grosso modo, tussen 1975 en 1980. Nadien is dat stilgevallen om twee redenen: het Nederlandse Centrum was uit elkaar gevallen en werkt thans, voor zover mij bekend, slechts minimaal; het internationale secretariaat in Parijs heeft bovendien die functie overgenomen sinds de algemene conferentie van de Unesco, in 1980 geloof ik, een algemeen statuut van de artiest uitwerkte. Daarin is de vrijheid van mening en de vrijheid van arbeid van de artiest ingeschreven. Daardoor werd het voor het ITI als zodanig een organieke opdracht om dat soort dingen te behartigen.

Onverschilligheid

Hoe staat de Belgische theaterwereld tegenover het Belgische Centrum? Naar verluidt, werden n.a.v. het colloquium van november jl. aan Franstalige kant tekenen van een zekere agressiviteit waargenomen, terwijl bij de Vlamingen eerder onverschilligheid heerst.

Eventuele vijandigheid aan Franstalige zijde kan ik niet beoordelen. Onverschilligheid aan Vlaamse zijde heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat de leiding van de Vlaamse sectie tot voor kort nogal bureaucratisch was samengesteld. Bovendien houdt zij waarschijnlijk verband met de onverschilligheid van de Vlaamse theaterwereld voor wat in het buitenland aan de hand is en het gebrek aan belangstelling voor internationale contacten. Ik heb jarenlang geprobeerd om Vlaamse decorateurs te laten participeren aan de Praagse quadriënnale voor scenografie en decorbouw; dat is me niet gelukt, met het gevolg dat alleen Franstalige theaters met hun decors naar Praag gingen (waaraan dan eventueel Vlaamse decorateurs deel hadden, maar niet in Vlaams verband). Gelukkig is dat nu sinds een jaar of twee goed van start gegaan: er bestaat nu een Vlaamse afdeling van de internationale organisatie voor theatertechnici (OISTT), maar het heeft jaren geduurd. Ik durf beweren dat het Belgische Centrum daarvan, mentaal dan, de grondslagen heeft gelegd. Het is een heksentoer om Vlamingen te bewegen om deel te nemen aan internationale colloquia, om zich op het internationale forum te laten zien. De honkvastheid van de Vlamingen vertaalt zich ook daar en verklaart voor een deel de onverschilligheid van de Vlamingen t.a.v. dit Belgische Centrum, omdat ze de internationale samenhang ervan niet begrijpen en er ook geen belangstelling voor hebben. Zo’n theatercentrum dient eigenlijk voor drie soorten activiteiten. Ten eerste, adviesvorming over culturele problemen naar de Unesco toe. De tweede functie van een nationaal centrum is in dienst van de jonge mensen te staan, om hun horizonten te verbreden. Ik kan namen noemen van Belgen die op dit ogenblik beroemd zijn en die via het Belgische Centrum kans kregen om bijvoorbeeld stage te doen bij grote buitenlandse regisseurs. Fundamenteel, en dat is het derde punt, staat het Belgische Centrum in dienst van de derde wereld. De Unesco bestaat hoofdzakelijk ten behoeve van de ontwikkeling in de arme landen, ook op het stuk van theater, en het ITI heeft slechts de steun en de medewerking van de Unesco in de mate dat het de westerse inbreng en know how ten dienste kan stellen van theater en andere performing arts in de ontwikkelingslanden.

Internationaal Theater Instituut

Het Internationaal Theater Instituut (ITI) werd in 1948 in Praag opgericht. Het was het eerste consultatief organisme van de Unesco; de internationale raad voor de muziek, die voor de plastische kunsten, de monumentenzorg, enz. ontstonden jaren later. Het is een zg. niet-goevernementele organisatie, categorie A, met een secretaris-generaal in Parijs, een ‘executive committee’ van 14 tot 16 leden en nationale centra in bijna 60 landen. Tweejaarlijks wordt een statutair congres gehouden.

De doelstellingen van het ITI worden als volgt omschreven: ‘Internationale uitwisseling zowel op het gebied van de theoretische kennis als van de praktische ervaring bevorderen, met het doel de vrede en de vriendschap onder de volkeren te versterken, het wederzijds begrip te stimuleren, en de creatieve samenwerking onder alle tonelisten te verruimen.’

In de schoot van het ITI werden verscheidene comités gevormd, b.v. voor muziektheater, voordans, voorde derdewereld, voor toneelschrijvers… Het ITI stelde een jaarlijkse Werelddag van het theater in (27 maart), organiseert festivals als het Theatre of Nations, seminaries en colloquia. Het publiceert hel trimestriële tijdschrift Theatre International’ en verspreidt andere publikaties, o.m. van en via de nationale centra.

Het Belgische Centrum van het ITI werd gesticht in 1952. Het secretariaat is gevestigd: p/a Mark Hermans, Rudolfstraat 33, 2000 Antwerpen (tel. 03/237.38.67). Om lid te worden moet men ‘blijk geven van enige activiteit of deskundigheid in een van de uitvoerende kunsten, als b.v. toneel, mime, ballet, opera e.a.’ Alleen individuele personen kunnen lid worden; voor 1982-1983 is het lidgeld 300 fr.

Alfons Van Impe, geboren op 8 februari 1921 in Wallonië uit Oostvlaamse ouders, thans directeur van de Opera voor Vlaanderen, woont in Vilvoorde en voelt zich Brabander. Genoot een opleiding als onderwijzer aan de katholieke Normaalschool te Mechelen, studeerde talen in het Technisch avondonderwijs en criminologie bij het Ministerie van Justitie. Hij is voorzitter van de v.z.w. Vlamingen in de Wereld, medevoorzitter van het Belgisch Centrum van het Internationaal Theaterinstituut en lid van het Internationaal Uitvoerend Comité van datzelfde I.T.I. Verder is hij erevoorzitter van de Vereniging van Vlaamse Toneelacteurs en van het Belgisch-Nederlands Toneelcolloquium te Maastricht; hij is voorzitter geweest van de v.z.w. Ancienne Belgique en is lid van de raad van beheer van verscheidene verenigingen. Jarenlang was hij ambtenaar bij het Ministerie van Nationale Opvoeding en Nederlandse Cultuur, in 1980 werd hij conservator van het Kasteel van Gaasbeek, functie die hij tot eind 1982 waarnam naast het directeurschap van de Opera voor Vlaanderen. Hij stichtte het Theaterjaarboek voor Vlaanderen, doceerde theater-economie aan het RITCS te Brussel en heeft talrijke publicaties op zijn naam staan, o.m. romans en toneelstukken onder de schuilnaam Luc Vilsen.

Je leest onze artikels gratis omdat we geloven in vrije, kwalitatieve, inclusieve kunstkritiek. Als we dat willen blijven bieden in de toekomst, hebben we ook jouw steun nodig! Steun Etcetera.

interview
Leestijd 7 — 10 minuten

#1

15.01.1983

14.04.1983

Jef De Roeck