‘De Oceaansurfer’ – Beat Fäh – Foto Fritz Vogel

Christel Op de Beeck

Leestijd 4 — 7 minuten

Beat Fäh: “Het heeft allemaal met liefde te maken”

Oud Huis Stekelbees maakte voor het eerst met het werk van Beat Fäh kennis tijdens het kindertheaterfestival Theater der Jugend in München. Daar stond hij in 1986 met Geschichte vom Baum en Geschichte von Unckelchen. Zijn directe, emotievolle, ietwat twijfelende stijl sprak OHS aan, en Fäh werd met zijn nieuwe stuk, Der Transatlantik Surfer uitgenodigd op het Stekelbeesfestival, waar het ‘in de marge’ werd voorgelezen. De première zal door Beat Fäh zelf tijdens het komende Jeugdtheaterfestival van Den Bosch worden gespeeld. Het stuk gaat over een wanhopig verliefde idealist, die om in de kijker te lopen bij zijn grote liefde, Maria Callas, een oversteek van de oceaan zal wagen om in het Guiness Book of Records te komen. An-Marie Lambrechts en Christel Op de Beeck spraken met Beat Fäh. Over acteur zijn en dan wat anders willen.

“Acht jaar studeren en leven in een Benedictijnerklooster is iets wat je tekent; van mijn dertiende tot mijn eenentwintigste verbleef ik daar. De weg die ik zou volgen was voor me uitgestippeld: ik zou gaan studeren en het maken. Maar ikzelf had het gevoel dat er iets ontbrak. Zonder dat ik veel met theater in contact was gekomen, schreef ik me in in de theaterschool van Zürich waar ik door een waanzinnig toeval geaccepteerd werd. Mijn eerste jaren als acteur waren vreselijk ontnuchterend: wat ik in theater gezocht had, kon ik daar ofwel niet kwijt, ofwel werd het niet van mij gevraagd ofwel was het er gewoonweg niet — dat was verschrikkelijk. Ik moest en zou daar mee ophouden. Ik zocht een mogelijkheid om datgene wat me naar theater gedreven had, zelf te realiseren en kreeg de mogelijkheid geboden om bij het Stadttheater van Bern een kinderproduktie op te zetten: dat werd dan Der Max – een groot succes trouwens.”

Wat precies was het dat je uiteindelijk niet vond in de eerste periode dat je zelf acteerde?

“Om het met een kitscherige zin te zeggen: het had allemaal met liefde te maken. Ik ben enig kind en heb ook altijd alleen gespeeld; ik bouwde dan voor mezelf situaties met als en indien… Al de gebeurtenissen die ik als kind meegemaakt heb, waren stuk voor stuk ‘sehnsüchtig’. Sehnsucht. Dat was mijn thema en dat kon ik ook spelen. Maar in het Stadttheater kon ik dat niet kwijt: de repetities waren veel te onpersoonlijk. Ik geloof dat je als regisseur een acteur graag moet zien om het recht te hebben iets van hem te verlangen en ook het risico aan te gaan om hem een beetje te kwetsen in zijn herinneringen. Voor een enigermate acceptabel resultaat moet er een tweerichtingsverkeer zijn tussen acteurs en regisseur; je moet elkaar tot op het hemd leren kennen, anders produceer je conserventheater: lang houdbaar maar smakeloos.”

Heb je nooit voor het volwassenentheater willen schrijven?

“Ja. In het begin dacht ik dat voor kinderen schrijven alleen een stadium was omdat ik niet terecht kon in het volwassenentheater. Nu zie ik het anders. Ik heb ondervonden dat ik een verhaal voor kinderen anders moet vertellen en dat dat mij ook goed doet: ik kan me niet te buiten gaan aan intellectualisme. Als ik een intellectueel moeilijk gegeven moet beschrijven, moet ik dat terug op de begane grond plaatsen; ik moet een eenvoudig beeld vinden dat dat gegeven, dat voorval draagt. Als ik volwassenenvoorstellingen zie — vooral degene die postmodern genoemd worden — heb ik heel veel moeite om dat uit te zitten. Als dit soort van reflexie over reflexie blijft doorgaan, vrees ik dat de emotionele vonk totaal gaat uitsterven.”

Hoe gebeurt zo een transformatie van een situatie ‘naar de begane grond toe’?

“In het treatment voor “Der Transatlantik Surfer zat vanaf het begin een scène met de titel ‘ontbering’. Ik zelf heb als kind op school veel sport bedreven — een soort van vlucht — en daardoor heb ik mezelf veel ontzegd wat andere kinderen deden. Ik zie nu hoe heel veel mensen zichzelf bewust genot ontzeggen of in elk geval de vervulling ervan uitstellen. In Der Transatlantik Surfer maak ik dan een situatie waarin het personage chocolade paashaasoren welbewust dagen opspaart voordat hij ze opeet; een ander beeld in die richting is hoe hij de B-kant van zijn lievelingsplaat van Maria Callas slechts heel af en toe, bij zeer speciale gelegenheden, draait…

Eigenlijk is Der Transatlantik Surfer een voorstelling die heel erg op mijn ervaringen is gebaseerd: deze man moddert ook enorm aan, hoewel hij zeer goed beseft dat er weinig tijd over blijft. Om niet te hoeven nadenken, pijnigt hij zichzelf door voortdurend op zijn eigen vingers te slaan. Zijn dagen hebben een soort van Benedictijnse absurditeit, die hem hardt in zijn zucht naar zelfbevestiging. Zonder te dramatiseren kan ik stellen dat ook ik vanaf mijn jeugd alleen maar nederlagen bij elkaar heb geschraapt, zodanig dat het voor de omstaanders grappig werd. Het stuk speelt op diezelfde tweespalt. Je kan dus lachen, omdat het herkennend werkt. En dat geeft ons allen wat moed. Ik wil duidelijk stellen dat ik me niet verplaats naar een kind, om vorm te geven aan hoe het op die universele gevoelens reageert. Dat zou ik voor mezelf onecht vinden. Ik kijk gewoon anders naar de werkelijkheid, sterker vooral… En veel van wat ik ervaar en dus schrijf, gebeurt vanuit het inzicht dat de werkelijkheid niet te vatten is. Kinderen aanvaarden dat in het theater; het moet hen aanreiken wat niet meteen duidelijk is. Ik wil hen daarbij een soort naïviteit tonen, zonder dat die op enige wijze dom zou worden.”

interview
Leestijd 4 — 7 minuten

Christel Op de Beeck

interview