© Kurt Van der Elst

Simon Baetens, Elke Huybrechts

Leestijd 8 — 11 minuten

Angels in America – Olympique Dramatique

Is er in Vlaanderen een hernieuwde interesse voor (diep)tragische psychologische drama’s? De revival van Who’s Afraid of Virginia Woolf?, geschreven door Edward Albee, doet zoiets enigszins vermoeden. Idem dito wat betreft de keuze van de Roovers voor een bewerking van Tsjechovs Ivanov. Met zijn bewerking van Angels in America, een stuk uit 1992 van de Amerikaanse auteur Tony Kushner, lijkt ook het Antwerpse gezelschap Olympique Dramatique zich te wagen aan een voorstelling die zich ontvouwt als een rollercoaster van intermenselijk bedrog, doordrongen van leed en leedvermaak. Bovendien is Angels in America een belangrijke tekst in de geschiedenis van het queer theater. Wat gebeurt er wanneer Toneelhuis en Olympique Dramatique dit stuk aansnijden?

Deze repertoiretekst reduceren tot intermenselijke strubbelingen zou echter afbreuk doen aan wat Kushner voor ogen had. In Notes about Political Theater waarschuwt hij voor een eenduidige psychologische lezing van kunst. Volgens de theatermaker is er een duidelijke wisselwerking tussen het persoonlijke (psychologie) en het publieke (politiek). We zijn erop getraind om te focussen op de menselijke tragiek, terwijl zo’n lezing volgens Kushner geen recht doet aan de complexe dialectiek tussen de mens en zijn socio-politieke omgeving. Die dialectiek zouden we intersectioneel kunnen noemen: in Angels komen de Joodse en Mormoonse religies, homoseksuelen, rechtse politici, drag queens, zwarten en racisten elkaar allemaal tegen vanuit hun uiterst specifieke achtergrond.

In deze versie van Olympique Dramatique ligt het zwaartepunt echter wel bij de intermenselijke ontwikkeling, met een uitgebreid theoretisch kader eromheen. Dat kader fungeert eerder als randprogramma – in de vorm van teksten die verschenen op de site van Toneelhuis – dan dat het wezenlijk deel wordt van de dramaturgie van deze bewerking. De specifieke thematieken van Angels worden bij Olympique zijdelings aangeraakt, ze resoneren mee op de achtergrond, eerder dan dat standpunten erover verdedigd worden door wie op scène staat.

Angels in America is een belangrijk deel van de queer theatergeschiedenis en werd – volgens het programmaboekje – niet eerder in Vlaanderen geënsceneerd. Opvallend dus dat net het gezelschap Olympique – dat enkele jaren geleden nog onder vuur kwam te liggen omwille van de weinig emancipatorische repertoirebewerking Risjaar Drei, als eerste dit queer werk ensceneert.

In Angels in America staan twee koppels centraal. Aan de ene kant is er het homoseksuele koppel Louis Ironson en Prior Walter, waarvan de laatste getroffen wordt door het aidsvirus. De ziekte zet de relatie tussen de twee mannen stevig onder druk. Het is griffier Louis die het leed en de aftakeling van zijn geliefde niet kan verdragen en daarom wegvlucht. Aan de andere kant is er de mormoonse advocaat Joe Pitt en zijn vrouw Harper. Dit koppel krijgt te kampen met Harpers valiumverslaving en met de ontdekking van Joe’s verdoken homoseksualiteit. De levens van de twee liefdesparen kruisen zich al tamelijk vroeg in het stuk: Louis en Joe ontmoeten elkaar in de toiletten van het Hof van Beroep, waar beide mannen tewerkgesteld zijn. Joe treft er Louis huilend aan; hij heeft net het nieuws vernomen dat zijn lief Prior aids heeft.

Angels in America is bovendien doelbewust ingebed in een specifieke historische context en bevat duidelijke politieke commentaren. Het speelt zich af in de Verenigde Staten van de jaren ‘80, tegen de achtergrond van de opkomst van de New Right onder het presidentschap van republikein en filmacteur Ronald Reagan. Het is de tijd die getekend wordt door de aidscrisis, een ziekte die duizenden dodelijke slachtoffers maakt. Wijdverbreid was toentertijd de veronderstelling dat deze ziekte een ‘homoziekte’ is en enkel overgedragen wordt door anaal seksueel contact. De oerconservatieve Reagan zet dit ‘fake news’ handig in om zijn eigen nationalistische en neoliberale agenda kracht bij te zetten. Het duurt echter jaren alvorens hij publiekelijk gewag maakt van de crisis, niet zonder de slachtoffers en mogelijke dragers van het virus te demoniseren en te marginaliseren.

Naast de twee koppels is advocaat Roy Cohn – een bestaand persoon, met naam en al opgenomen in de toneeltekst – een belangrijke spilfiguur. Cohn had banden met president Reagan en was notoir voor zijn vaak dubieuze keuzes als het op cliënten aankwam: hij verdedigde bijvoorbeeld niemand minder dan Donald Trump toen die in 1973 werd aangeklaagd omdat huizen die hij verhuurde niet beschikbaar werden gemaakt voor zwarten. Ook zorgde hij er eigenhandig voor dat Ethel Rosenberg, die samen met haar man Julius de plannen voor de atoombom zou gelekt hebben aan de Russen, de doodstraf kreeg in plaats van levenslang. In Angels spookt Rosenberg rond Cohn, als een personificatie van zijn geweten en omstreden carrière.

Rond de figuur van Cohn kristalliseren zich aldus de toenmalige maar evengoed de hedendaagse politieke spanningen. Cohn stierf aan aids, maar hield tot aan zijn dood vol dat hij leverkanker had; het was als hooggeplaatst figuur in republikeinse kringen ondenkbaar om openlijk homoseksueel te zijn. Zijn vriend Trump doet vandaag de dag hetzelfde: als hem iets niet zint, zet hij de waarheid gewoon naar zijn hand. Die parallel tussen 1985 en vandaag ontstaat in de bewerking van Olympique vanuit het ensceneren van het stuk zoals het geschreven is; makers Stijn Van Opstal en Tom Dewispelaere hebben geen aanpassingen in de tekst aangebracht om die te ‘actualiseren’. Dat is in dit geval een sterke keuze, want het laat het stuk zien in zijn historische context waarmee het zo onlosmakelijk verbonden is. Niet doorleefde ingrepen om een stuk naar het nu te halen doen vaak afbreuk aan de niet-alledaagsheid ervan die het net tot interessant materiaal maakt, maar in die val is Olympique dus niet gelopen. De urgentie van Olympique om Angels in America te brengen, lijkt er hoofdzakelijk uit te bestaan hun spelers complexe personages voor te schotelen, eerder dan vanuit een persoonlijke verbinding met de thematiek te vertrekken. Het zou dus vreemd zijn geweest om, in een poging zich die thematiek toe te eigenen, dramaturgische keuzes te maken die persoonlijke inhoudelijke urgentie veinzen.

Dat gebeurde wel in hun vorige productie, Risjaar Drei. Het gezelschap koos er in die bewerking voor om enkele erg voor de hand liggende referenties naar het presidentschap van Trump toe te voegen. Vaak schoten op open doel. Dit maakte dat het stuk moest inboeten aan ambivalentie of frictie. Angels is in dat opzicht spannender voor een publiek, want opener voor interpretatie. De ‘actualisering’ kan als het ware pas in het hoofd van de toeschouwer plaatsvinden. Dat gezegd zijnde is de vraag of het kiezen voor een ‘spelers-stuk’ als motief voor een bewerking blijft boeien nog niet beantwoord.

Want wat doet Olympique dan eigenlijk wel met het stuk? Kushner zelf had een ‘transparante theatraliteit’ voor ogen, met een eerder minimalistische scenografie en zonder black-outs. De acteurs staan in zijn visie centraal, ze creëren de theatrale illusie en laten het publiek zien hoe deze tot stand komt. Het is een Brechtiaanse opvatting, waarbij het publiek geregeld wordt herinnerd aan het feit dat ze zich in een theater bevinden. Het feit dat meerdere acteurs verschillende rollen spelen en er meestal geen tijd is voor uitgebreide changementen, helpt hierbij. Geen ruimte voor trucs dus, theater wordt gestript tot op de kameleon-capaciteiten van de speler en diens verbeelding. Zelfs in de filmbewerking uit 2003 (die ook op HBO als serie werd getoond), met o.a. Meryl Streep (moeder Pitt, Ethel Rosenberg, Rabbijn) en Al Pacino (Roy Cohn) is er een hoog theatraal gehalte. In plaats van de visioen- en hallucinatiesequenties geloofwaardig te laten lijken, zijn ze pure camp, opzettelijk gekunsteld, met Emma Thompson als engel met Dalida-kapsel als kers op de taart. Kushner werkte actief mee aan deze adaptatie en wist theater en film op interessante wijze in dialoog te laten treden, met zowel grootste deus-ex-machina-momenten als dialogen die intiemer zijn dan theater doorgaans weet te bereiken.

Olympique Dramatique houdt het, Kushners visie volgend, al bij al ingetogen wat de scenografie betreft – op de gouden catwalk die over de tribune van de Bourlaschouwburg omhoog helt na. Verder staat er een simpel bankje en een resem lichtbronnen die niet gecamoufleerd worden op de scène. Naar het einde toe wordt het hele plateau van en achterwand van de schouwburg uitgelicht, waardoor je trekkenwand en de afwezigheid van coulissen ziet: we bevinden ons onmiskenbaar in het theater. Ook de doublures zijn behouden: met het aantrekken van een rokend jasje en een hoed transformeert Tiny Bertels bijvoorbeeld moeiteloos van moeder Pitt naar Ethel Rosenberg en weer terug.

Het valt echter op dat Olympique weinig doet met deze aperte vorm van theatraliteit. Er zijn nauwelijks metatheatrale momenten (zoals Brecht die voor ogen had), waarop de fictie zelf becommentarieerd wordt en tot de inzet wordt van het stuk. In Angels is er namelijk binnen de fictie een interessante wisselwerking tussen ‘het reële’ en het surreële. Het is net in de verschillende visioen- en hallicunatiesequenties dat de waarheid aan het licht komt of dat een uitweg uit de miserie denkbaar wordt voor de uiteenlopende personages. Kushner laat hiermee merken dat kunst een andere dan werkelijke, een fictionele logica volgt, die dus andere denkpistes mogelijk maakt. Door deze scènes te overgieten met een sausje van wat hij ‘the Fabulous’ noemt, doopt hij deze logica in zijn eigen werk dan ook om tot een queer-strategie. Deze fabuleuze of gefabuleerde queerness is een verzet tegen de eenduidige categorisering van identiteiten en maakt de zaken ongrijpbaarder.

De Olympiquers hebben er echter wel degelijk voor gekozen om Kushners stuk eerder vanuit het psychologische drama te belichten in plaats van vanuit de queerness of de politieke betekenislaag. De inzet van de versie van Olympique draait namelijk vooral rond realistisch acteren – en er wordt zeker goed gespeeld – al is het meta dat Kuhsner voor ogen had ver te zoeken. Lukas Smolders is haast onnavolgbaar als Prior, Peter Van Den Begin zet een even onuitstaanbare als gevatte Cohn neer en Sanne Samina Hanssen speelt de beschadigde Harper met een mooie mix van humor en gevoeligheid.

Eén van de vreemdere figuren is de engel: in visioenen verschijnt zij aan Prior en bezorgt hem steevast een erectie terwijl ze hem vertelt dat hij de profeet is. Evelien Bosmans speelt haar (naast een assistent van Cohn en een verpleegster) als een soort genderqueer popster in een strakke zwarte catsuit. Geen camp vleugels die clashen met de haast koude metalen vloer dus. Zelfs de scène waarin verpleger en beste vriend van Prior Belize  (Darryl Woods) in drag verschijnt is opvallend sober. Er is in deze Angels dus goed spel te zien in een mooi vormgegeven kader – al is dat kader soms té gestileerd en daardoor wat afstandelijk. Er wordt met deze kale ensceneringen wel erg veel beroep gedaan op de verbeelding van de kijker – zeker voor wie het stuk niet kent – voor een vertelling waarvan de setting naadloos van een ziekenhuiskamer overloopt in een ijsvlakte op Antarctica die dan weer een park in New York City blijkt te zijn.

Die afstand is ook grotendeels te wijten aan de catwalk: die wordt duchtig gebruikt als verlenging van de speelvloer, maar vergt, afhankelijk van waar je zit, behoorlijk wat nek-werk van de toeschouwer. Voor wie op het eerste balkon zit, komen de spelers dichterbij dan ooit tevoren, wie vooraan de parterre zit moet zijn aandacht verdelen. Een catwalk in een zaal vol vaste stoelen is misschien vooral op papier een goed idee – iets wat gerecycleerd wordt uit underground milieus maar een grondigere aanpak behoeft om in een klassieke schouwburg volledig tot zijn recht te komen. Tenzij het bewust als fremdkörper wordt ingezet, maar dan had Olympique nog verder kunnen gaan in hun gebruik van deze performanceruimte die de publieksruimte doorklieft. Hier lag een kans om de vierde wand te doorbreken, maar die wand werd als het ware gewoon verplaatst.

Doorheen de ruim drie uur durende voorstelling worden de vragen rond de keuze voor dit stuk die we al eerder formuleerden, pertinenter. Wou Olympique Dramatique echt gewoon een ‘ensemblestuk’ neerzetten omdat ze dat met hun Risjaar Drei zo fijn vonden? Is het feit dat dit de ‘eerste Vlaamse versie’ – ensceneringen in de marge mogelijk totaal genegeerd – dan echt zo bijzonder? Deze Angels kijkt bij momenten als een goede soap: onderhoudend maar weinig doortastend – laat staan politiek geladen. In de scènes met de engel, alsook in de hilarische passage met het diorama in het Mormoonse bezoekerscentrum waarbij de acteurs geautomatiseerde paspoppen vertolken, wordt bovendien duidelijk dat Olympique Dramatique het niet kan laten om alles met een flinke dosis humor te brengen. Hier en daar balanceren ze op de dunne lijn – soms letterlijk, op de niet al te brede catwalk – tussen scherts en kolder.

In dat opzicht doet Angels dan weer wél te veel denken aan Risjaar Drei, waar evenzeer de corruptie van de macht gethematiseerd werd en waar de figuur van Risjaar, vertolkt door Peter van den Begin, ook zorgde voor groteske hilariteit. Ook daar stond de humorvolle, vaak wat voor de hand liggende kolderiek van Olympique een heuse kritische benadering van de materie in de weg. De vraag is, in het geval van Angels, hoe queerness kritisch ingezet kan worden. Als zelfs een figuur als de Engel des Doods ervoor zorgt dat transgressie en erotiek vooral grappig zijn, ebt de lading van het materiaal steeds verder weg. Op zo’n moment loert de institutionalisering en commercialisering van queerness om de hoek.

Desondanks lijken Olympique en Toneelhuis zich bewust van die mogelijk conflictueuze keuze. Een nooit eerder gezien aantal dramaturgische en contextualiserende teksten vergezelt deze productie. Dekken Van Opstal en Dewispelaere zich hiermee in voor mogelijke commentaar? Misschien. Bewijzen ze hiermee dat er grondig onderzoek gedaan is? Zeker. At the end of the day wordt dit stuk, dat een belangrijk deeltje queer history is, getoond, en dat alleen al is waardevol, gezien het doorgaans erg witte, heteronormatieve canon waaruit door de Vlaamse collectieven wordt geplukt. Angels in de Bourla opvoeren geeft een generatie die de mythe kent de kans om het live mee te maken én introduceert het werk bij een publiek dat vooral komt kijken voor het vakmanschap van de acteurs – al boet het daarbij in aan camp en queerness en incorporeert het Kushners stuk in de traditie van Vlaams ensembletoneel. Deze Angels is er een die voor veel frictie zorgt, maar die frictie is te weinig doortastend als dramaturgische strategie gehanteerd. Daardoor verschuift de potentiële subversie ervan van de scène naar de contextualisering eromheen.

recensie
Leestijd 8 — 11 minuten

#158

15.09.2019

14.12.2019

Simon Baetens, Elke Huybrechts

Simon Baetens behaalde een master Drama op KASK School Of Arts en is lid van de grote redactie van Etcetera.

Elke Huybrechts is Master in de Nederlandse Taal- en Letterkunde en studeerde Theaterwetenschappen. Ze is redacteur bij Kluger Hans, dramaturge van Cie DeSnor en lid van de grote redactie van Etcetera.

recensie