Marianne Van Kerckhoven, Dirk Verstockt

Leestijd 6 — 9 minuten

“…alsof ik meer in minder woorden had moeten zeggen.”

Ongeveer in dezelfde periode waarin Parade bij Oud Huis Stekelbees in première ging, en Tête vue de dos bij Sfinks-De Beweeging een nieuwe première beleefde, werkte regisseur Guy Cassiers met een aantal leerlingen van het St-Jozefscollege, Aarschot aan een voorstelling die de titel Parade als daar is geen meekreeg. Deze produktie werd een van de laureaten in het Victor De Ruyterforum, een driejaarlijkse wedstrijd voor schooltheater, ingericht door de Stichting Theater en Cultuur.

De vanzelfsprekendheid en onbevangenheid waarmee de spelers van je Parade als daar is geen op de scène staan, is fascinerend. Kan je de werkwijze schetsen die je met deze humaniora-studenten uitgezet hebt om die kwaliteit te bereiken ?

“Alleszins niet door te repeteren. Het persoonlijke aspect van de eerste ontmoeting die mensen met theater hebben, vind ik steeds erg belangrijk. De lange voorbereidingsperiode heeft alles te maken met elkaar in dat verband leren kennen. Ik probeer hen zoveel mogelijk te betrekken in mijn ‘professionele’ theateractiviteiten en aan de andere kant vertrek ik vooral vanuit hun interesses, eerder dan vanuit de mijne. Dat wil niet zeggen dat Parade als daar is geen voor mij een minder persoonlijk produkt zou zijn.”

Een hele lange voorbereidingsperiode?

“De leerlingen zijn mijn werk beginnen volgen in september en een seizoen lang zijn ze naar de toneelprodukties gaan kijken die ik belangrijk vond. Toen we uiteindelijk binnen een relatief korte periode voor de ‘première’, repeteerden aan dit eindprodukt, was dat een zacht proces; als je mekaars interesses hebt leren kennen, heb je ook een gemeenschappelijke taal gecreëerd. In die eindfase rond je dan af wat je samen hebt meegemaakt. In het begin verwachtten sommige leerlingen dat je als regisseur een aantal lessen komt geven. Die kan ik niet aanbieden. Ik kan hen alleen stimuleren in het besef dat ze in zichzelf moeten opzoeken wat interessant is.”

Wat bedoel je concreet met het feit dat ze je gevolgd hebben ?

“Ze zijn komen kijken naar repetities en produkties van Oud Huis Stekelbees, naar het Stekelbeesfestival, naar Het Heengaan. Wat ik hun probeerde uit te leggen, begrepen ze plots door die voorstelling te zien; het was opmerkelijk hoe een aantal onder hen daarna anders, beter op de scène stonden. Het Heengaan toonde hun ook erg goed wat mogelijk was; je kan van die leerlingen geen acteurs maken (en dat beseffen zij ook heel goed), maar je kan hen wel laten proeven wat het theater kan zijn; je kan met hen wel een goed toneelstuk maken dat heel gericht is.”

Je bent met een groep die groter was dan deze elf mensen, begonnen?

“In het begin waren er ongeveer het dubbele aantal mensen. Doordat je niet onmiddellijk tot een resultaat komt, vindt er een natuurlijke eliminatie plaats. Alleen de geëngageerden blijven over; die mensen heb ik niet gekozen, zij hebben mij gekozen. Plezierig is dat zowel 14-jarige New Beaters als 18-jarigen gebleven zijn. Bij die mensen heeft het geloof in het produkt langzaamaan de overhand gekregen en is er respect ontstaan voor eikaars ideeën én verschillen. Van daaruit hebben ze een taal die erg de hunne is, gecreëerd voor de voorstelling van Parade als daar is geen. Daardoor krijgt ze, ondanks de verschillen, een grote eenheid. Zij vertrekken vanuit een facetje van een emotie en willen dat facetje uitdrukken op de scène voor een publiek. Vanaf dat moment staan er acteurs op de scène. Wat voor soort acteren is dat? Het woord ‘eerlijk’ gebruik ik niet graag. Voor mij is het een aanwezig zijn.”

Hoe heb je al het materiaal waarmee je in deze voorstelling werkt, bijeen gebracht ?

“Dat materiaal is vanaf het begin verzameld en de keuzes die daarin gemaakt zijn, hangen heel veel af van toevalsfactoren. De leerlingen brachten teksten of muziek mee die hen interesseerden, en ik deed hetzelfde. Zo bracht ik in het begin de Ursonate uit Parade van OHS mee, maar daar hadden ze op dat moment van het werkproces geen boodschap aan. Toen ze een hele tijd later een voorstelling van Parade zagen, moest ik die Ursonate onmiddellijk terug meebrengen. En dan zie je dat ze een evolutie doorgemaakt hebben. Bovendien paste Parade als daar is geen in het St-Jozefscollege binnen een breder kader: in de vakken Frans en Kunstgeschiedenis werd b.v. rond Cocteau gewerkt, rond de kunststromingen van het begin van deze eeuw. Via absurdisme, dadaïsme kwam ikzelf bij Kurt Schwitters terecht en bij Battus. Van daaruit ging ik naar Armando en uiteindelijk naar Handke en zijn manier om met taal te werken. Toch is Parade als daar is geen zeker niet vanuit een voorafbestaand concept vertrokken.

In en vanuit al dat verzamelde materiaal zijn herkenningspunten ontstaan tussen de leerlingen en mezelf. Als regisseur moet ik vanaf dat moment openstaan voor de concepten die zich ontwikkelen, voor de combinaties die zich voordoen. Ik laat mij leiden door hen; ik vertrek vanuit datgene wat specifiek is aan die mensen en wat zij aandragen.”

“Met de teksten uit Fritz Kocher z’n opstellen van Robert Walser zijn we heel veel bezig geweest; ik kende ze al van bij Daedalus, maar hier heb ik ze voor de eerste keer gebruikt. In veel van die tekstjes kan je het woord ‘bos’ vervangen door ‘theater’. “In de natuur is geen warmte, alleen de mens gelooft die te moeten voelen. (…) Schilderen is de koudste kunst, de kunst van de waarneming, van zo scherp mogelijk ontlede gevoelens. (…) Het bos spreekt een taal zonder klank, zonder adem, zonder structuur en het is een en al zoete koude onbegrijpelijkheid.” Achter die combinatie tussen de natuur en de buitenstaander die zo afstandelijk mogelijk probeert te registreren wat daar plaats vindt, verschuil ik mij als regisseur: als degene die de sluis tussen het publiek en dat wat er op de scène gebeurt, zo juist mogelijk openzet. En dat is een heel gevoelige kwestie. Je moet elkaar in de eerste plaats heel graag zien om tot een vorm van theater te kunnen komen. Tijdens de voorstelling lees ik in hun ogen dat ze wat hebben meegemaakt in het werkproces dat eraan vooraf is gegaan. Dat vind ik heel erg belangrijk. Je kan daarom voor deze voorstelling niet spreken van inhoud, wel van inzicht: deze mensen zijn in de loop van het werk tot bepaalde inzichten gekomen en daar willen ze een publiek bij betrekken.”

Op welke manier heb je hun die communicatie met een publiek bijgebracht? Je repeteert alleen en zodra daar publiek bij komt, is er toch een breuk.

“De voorstellingen waar in het begin zo fel werd naartoe geleefd, bleken op de dag voor de première bijzaak geworden te zijn. Dan voel je dat het juist zit; er waren al zo veel mooie momenten geweest, nl. als je voelt dat ze iets ontdekken, dat ze de confrontatie met de discipline theater op een zeer juiste manier aangaan, dat ze verrast zijn door elkaar in de positieve zin… Die voorstellingen zijn dan een feest; als ze mislukken, is dat jammer voor die dag maar het kan niet meer stuk. Door die vanzelfsprekendheid, door dat vertrouwen kon het volgens mij niet meer fout lopen. Ik denk dat het te maken heeft met een zekere rust die ze voor zichzelf ontdekt hebben. Ook niet te onderschatten in dit verband is de ondersteuning van de school zelf: doordat het project in een ruimer kader zat, viel die resultaatgerichtheid weg.”

Die rust en vanzelfsprekendheid treft je als toeschouwer ook bij Het Heengaan.

“Als toeschouwer krijg ik bij Het Heengaan een gevoel dat ik verder alleen nog heb bij de voorstellingen van Maatschappij Discordia, nl. dat je bij die mensen op bezoek bent, dat je hen volgt. Je krijgt als toeschouwer een heel andere functie; als ik naar een voorstelling ga kijken, krijg ik die voorstelling meestal op bezoek; bij Het Heengaan voel ik mij bij die mensen op bezoek. Dat is een heel andere realiteitswaarde; jij krijgt een zeer sterke betrokkenheid als mens, terwijl zij evenzeer hun functie als acteur vervullen.”

Je hebt nu gewerkt met amateurs en met professionelen. Wat zijn de verschillen ? Zoek je de onbevangenheid waarmee de spelers in Parade als daar is geen ook op bij professionele acteurs ?

“Dat is een heel ander proces en daarom zal ik altijd projecten zoals in Aarschot blijven doen. Het stimuleert mij enorm beide te combineren. Het is essentieel voor mij om dat wat er op de scène gebeurt, te blijven bevragen. Wat professionele acteurs betreft, werk ik voorlopig zeker niet met een ensemble. Ik heb die behoefte nog niet. Ik werk telkens met nieuwe mensen o.w.v. die eerste confrontatie met theater. Omdat je die mensen moet kunnen stimuleren om voor een tijdje mee in de boot te stappen, moet je aankomen met een concept, een werkwijze, zonder dat daar een afgelijnd script voor hoeft te zijn. Maar toch werk je met mensen die een bepaald métier hebben en een bepaalde bagage. Dat is natuurlijk een heel andere werkwijze dan met amateurs. De problemen zijn bijna het tegenovergestelde van elkaar en toch hebben ze heel veel met elkaar te maken. Ik heb hoe langer hoe meer het gevoel dat er op inhoudelijk vlak een aantal overeenkomsten zijn. In Parade van OHS heb ik de angst om niet tot communicatie te komen op een doorgedreven theatrale manier voorgesteld met name via de acteur-personages met heel specifieke karaktertrekken: zij hebben elk om andere redenen twijfels over het al dan niet buitengesloten zijn uit het contact met een publiek. Het is zeer stimulerend om de acteurs, elk met zijn eigen kwaliteiten, te confronteren met wat ze nog nooit eerder gedaan hebben. Het decoderen van de theatercodes binnen zo’n voorstelling, is iets wat me interesseert. Voor mij staat die thematiek ook in verband met hoe kinderen van 6 jaar, die hun eigen wereldbeeld beginnen op te bouwen, vaak die ervaring van buitengesloten te zijn, hebben. In Aarschot heb ik eigenlijk rond dezelfde thema’s gewerkt: twijfels, o.m. omtrent buitengesloten zijn, leven bij die leeftijdsgroep sterk en tegelijk is er een sterke wil tot communicatie bij hen aanwezig. Dat buitengesloten zijn, is in Parade op een meer professionele manier uitgewerkt, in het uiterlijke, in de gebruikte theatercodes (en het spelen daarmee); in Parade als daar is geen is dat veel meer op het innerlijke, op de mens zelf gericht.”

interview
Leestijd 6 — 9 minuten

Marianne Van Kerckhoven, Dirk Verstockt

interview