Leestijd 4 — 7 minuten

Alpenrozentango – ARCA

KRONIEK – HOE DOOD TE GAAN, HOE FLAUW TE VALLEN

“De thematisering van de miniatuurstaat als noodlot is tegelijk ook de thematisering van de burgerlijkheid als noodlot” schreef een Zwitser over de geestestoestand van zijn land.

Het is een vaststelling die rechtstreeks naar de toneelliteratuur kan doorgetrokken worden. Het Oostenrijk van Waldheim heeft (gelukkig) Thomas Bernhard om over het “Bruine gevaar” te kankeren, en in de Vrijstraat Beieren hekelt Herbert Achternbusch efficiënt de provinciale Gemütlichkeit van zijn landgenoten. Zwitserland heeft, met Max Frisch en Friedrich Dürrenmatt, twee van de belangrijkste toneelauteurs van deze eeuw opgeleverd, maar met name Dürrenmatts thematiek staat als zodanig los van de concrete bekrompenheid van de Zwitserse (klein-)burger. En precies die bekrompenheid is intrinsiek interessant om naar een Vlaamse context vertaald te worden.

Zwitserse auteurs hebben een verklaring voor de afwezigheid van reële impact van dergelijke schriftuur, die wel degelijk bestaat. De veiligheid van het isolement, dat inderdaad veel oorlogsonheil aan de Zwitsers heeft doen voorbijgaan, heeft geleid tot twee akelige trekjes bij het officiële Zwitserland: de “Enge”, dat is de verdenking die per definitie op alles rust wat van over de grens komt, en de idee van de “geistige Landesverteidigung”. Als Zwitsers burger wordt van je verwacht dat je onvoorwaardelijk het politiek-sociale systeem onderschrijft. Niet enkel de instellingen, maar ook de levensvorm en de mentaliteit die ermee samenhangen. Deze psychologische repressie belet volgens auteurs als Herbert Meier en Adolf Muschg de ontwikkeling van een literatuur, een eigen Zwitsers, niet-provincialistisch theaterleven.

En dan voert ARCA een volstrekt onbekend Zwitsers auteur op, Hansjörg Schneider, waarover de filologen enkel weten te melden dat hij verdienstelijk is geweest bij het Zwitsers-Duits als toneeltaal: een dialectauteur dus. De tekst van Alpenrozentango is een verrassing: aan een Tenessee Williamsachtig gegeven – een afgeleefde moeder en een karaktergestoorde zoon in een goedkoop berghotelletje – wordt een bizarre plot, vol valse identiteiten, en een krankzinnig taalidioom gekoppeld. De zoon, Stephan, is de spilfiguur en rond hem cirkelen andere personages. De moeder onderhoudt een verdachte relatie met een hond (denk ik) die Freddy heet en zij laat twee “therapeuten” opdraven voor haar zoon: een psychiater die in een eerste confrontatie met de “patiënt” diens rol overneemt, en een politicus die verbouwereerd zijn eigen (fascistisch) discours aanhoort uit de mond van Stephan. Langs de andere kant (misschien ook therapeutes?) verschijnen er twee jonge vrouwen: een hotelhoertje en een Heidi-achtige juffrouw.

Stephan probeert ze allebei met geweld te “nemen”. Maar het centraal personage waar Stephan mee te maken heeft is een mooie vrouw van rond de veertig, met een geheimzinnig verleden als tango-zangeres. Hun relatie lijkt op een oplossing, zowel dramatisch als therapeutisch, maar is dit nooit echt.

Hansjörg Schneiders tekst – in een laatste produktiefase zijn er nog een aantal gelijkaardige personages geschrapt – hangt aan elkaar als los zand, een eigenschap die bovendien door een heterogene regie in de hand word gewerkt. Dirk Pauwels en Mark Verstraete zouden Alpenrozentango samen regisseren, en toen dat niet helemaal lukte is Pol Dehert hen komen vervoegen. Een onsamenhangende tekst en een regie die consequent anti-realistisch en verwarrend wil zijn, maar nooit een precieze code weet te ontwikkelen. De meeste personages blijven steken in te evidente parodietjes – vooral de vrouwen zijn, opnieuw, het probleem – en de voorstelling komt op deze manier in handen te liggen van één acteur:

Dirk Roofthooft als Stephan. En hij slaagt erin, niet door alle contradicties tot één psychologische typering te herleiden, maar precies door alle verschillen op te blazen, door bliksemsnel van toon, van mimiek, van bewegingsstructuur te veranderen, een lijn doorheen de voorstelling te trekken. Stephan is schizofreen, seksueel gefrustreerd, hopeloos pessimistisch, maar vooral een verbazend acteur. Zijn spel doet je als toeschouwer voortdurend twijfelen over de verwijzingen: is de tango de reële wereld, het hotel een boze droom, of is het omgekeerd? Of zijn alle figuren psychiatrische patiënten, met wie Stephan een briljante, maar mislukte therapie uitprobeert? De niveaus in tekst en spel schuiven voortdurend over elkaar, je verliest elk houvast, behalve de reële aanwezigheid van die ene acteur. Ik ben niet zo’n liefhebber van “spetterend” acteurstheater, waarin een acteur zich naadloos doorheen een zo groot mogelijk scala aan gevoelens weet te werken. Dirk Roofthoofts spel “spettert” wel degelijk, maar hij verliest nooit het functioneel-betekenisgevende contact met tekst, ruimte en voorstelling. Een heel nadrukkelijke ruimte trouwens, de bar van het hotel, een Hopper-achtig decor van William Phlips, met, boven de grote toog, een gang met kamerdeuren. Als toeschouwer zit je er met je neus op.

Het resultaat is een verrassende voorstelling, een heerlijk chaotische tekst – alleen de laatste scènes, waarin alles op de romantische intrige van de hoofdpersonen gericht is, werken dramturgisch niet – en een zeldzame acteursprestatie. Schneider heeft zich duidelijk niet laten ontmoedigen door de Zwitserse kleinburgerlijkheid, het regisseursteam heeft die correct vertaald, en dat levert een voorstelling op over de imbeciliteit van alle mensen, behalve van de “officiële” patiënten. De samenleving is ziek, niet de zogenaamde zieke: een bekend thema, maar in deze voorstelling is deze idee zo tot in het absurde doorgewerkt, dat je elk mogelijk oordeelsvermogen over “normaliteit” verliest. Schneider benadert het a-moralisme van een Fassbinder, en hanteert de vulgariteit als code, zoals ook Achternbusch schrijft. Alleen heeft Schneiders tekst nog een radicaler speelstijl nodig, opdat een onbevredigend einde de voorstelling niet de nek omwringt.

Ik ben wel nieuwsgierig naar de volgende rol van Dirk Roofthooft. In Alles Liebe was hij seksueel gefrustreerd, in Hora est het imbecieltje, en in Alpenrozentango gaat hij op beide terreinen nog enkele stappen verder. Hij zit op riskant terrein, want hij is een te veelzijdig acteur om zich met “mannetjesmaken” tevreden te stellen. En succes is verleidelijk, zoals we weten.

 

ALPENROZENTANGO auteur: Hansjörg Schneider; vertaling: Pol Dehert; groep: ARCA-Gent; regie: Dirk Pauwels, Mark Verstraete en Pol Dehert; decor: Williams Phlips; spelers: Dirk Roofthooft, Katrien Devos, Car-men Jonckheere, Jappe Claes, Martine Jonckheere

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 4 — 7 minuten

#14

15.07.1986

14.10.1986

Klaas Tindemans

Klaas Tindemans is doctor in de rechtsgeleerdheid. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan het RITCS, het Koninklijk Conservatorium Brussel en aan de VUB. Hij verricht onderzoek op het gebied van de performancestudies, waarbij hij vooral geïnteresseerd is in de relatie tussen dramaturgische structuren en politieke en rechtstheorie. Daarnaast werkt hij ook als dramaturg, toneelauteur en publicist.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!