‘Screws’, Oerol © Bart Grietens

Leestijd 6 — 9 minuten

All the world’s a stage

De mogelijkheden van openluchttheater

Covid-19 deed zowel podiumkunstenaars als theaterhuizen verwoed naar alternatieve presentatievormen zoeken. Over de ervaringsarmoede van schermtheater is al veel gezegd en geschreven. Daarnaast vonden voorstellingen die oorspronkelijk waren gemaakt voor de zaal plaats onder de blote hemel. Circograaf en choreograaf Alexander Vantournhout ziet verschillende redenen om na de pandemie intenser in te zetten op podiumkunst extra muros.

Covid-19 verspreidt zich onder meer via grotere speekseldruppels. Ook de kleinere varianten, aerosolen, kunnen het virus in mindere mate overdragen. Net doordat ze zo klein en licht zijn, blijven deze aerosolen soms een poos in de lucht hangen. In binnenruimtes is de kans op besmettingen groter, zeker wanneer je er een langere tijd samen met een groep mensen doorbrengt. Hoewel theaters niet de grote infectiehaarden schenen te zijn, gingen de deuren dit jaar al verschillende keren onherroepelijk op slot of werd de publiekscapaciteit ingeperkt.

Sommige voorstellingen weken uit naar plekken in openlucht: de grotere luchtcirculatie maakte ze immers extra coronaveilig. Theater Aan Zee werd geannuleerd en kort daarna vervangen door Zomer in O, een bescheiden programma dat zo goed als uitsluitend extra muros doorging. De Brusselse KVS opende een tijdlang een nieuwe plateau op het pleintje achter de schouwburg; theater vond er plaats vlak naast een van dé tippelplekken van de stad. De binnenplaats van Jozef Wouters’ Decoratelier vormde de setting voor Something when it doesn’t rain, een festival met filmvertoningen, workshops en open mics. Theatermaker Benjamin Verdonck vertrok zelfs op een heuse ‘wereldtournee door Antwerpen’. Op een dag toonde hij met behulp van een hoogtewerker een miniatuurvoorstelling aan verschillende bewoners van een flatgebouw, die vanachter hun ramen konden toekijken.

“We hebben het momentum om de circustent te ‘decirquiseren’ gemist.”

Jammer dat de circustent zich de voorbije zomer aan dezelfde coronaregels moest houden als de theaterzaal. Voor de lezer die zo’n tent niet gewoon is: je houdt er best je jas aan. Dankzij de ontelbare gaten en kieren tussen de touwen, de palen en het zeil zit het er met de luchtcirculatie behoorlijk snor. We hebben het momentum om de chapiteau deze zomer te ‘decirquiseren’ gemist. De tent zou een huis kunnen zijn voor verschillende podiumdisciplines. De circulaire publieksopstelling zorgt voor een interessant uitgangspunt: in de ring kan de performer niets verbergen. Hij start ook van een inferieure positie, want het publiek bevindt zich letterlijk hoger. Je zou heel wat circuspraktijken kunnen interpreteren als ongewone of buitengewone handelingen die de performer helpen om zijn of haar ruimtelijke en symbolische status te verhogen.

Inspelen op een onvoorspelbare omgeving

Zelf bracht ik als jonge toeschouwer heel wat tijd door in de openlucht. Nu terugblikkend vind ik het werk dat ik zag op straattheaterfestivals een stuk minder interessant dan het openluchtdispositief dat ik er leerde kennen. De black box en een schouwburgzaal zijn gecontroleerde omgevingen waar je als het ware met een convexe spiegel de realiteit kunt uitvergroten, of verzonnen werelden kunt verbeelden. Licht, geluid, kostuums, scenografie, zichtlijnen: alles moet goed zitten. Extra muros verlies je veel van die controle over de omgeving. Je kunt haar niet from scratch vormgeven, je moet omgaan met alles wat er al is. De hogere graad van onvoorspelbaarheid kan een bijzondere performatieve spanning met zich meebrengen.

Theaterwetenschapper Cormac Power onderscheidt verschillende aanwezigheidsmodi bij performers.1 Die hangen samen met podiumdisciplines maar ook met presentatieplekken. Een theaterzaal leent zich goed tot de zogenaamde ‘fictional mode of presence’: de speler is daarbij in de eerste plaats ‘aanwezig’ in het narratief. Zijn mimiek, zijn gestiek, zijn bewegingen ontstaan en laten zich lezen in een fictief kader. Zowel het danstheater als de nouveau cirque, die meer narratieve elementen binnenbrachten in hun respectieve disciplines, versterkte de rol van de fictionele aanwezigheidsmodus. Om die prioriteit te geven, gebeurt het soms dat men de technische moeilijkheidsgraad van een danssequens of acrobatische truc wat verlaagt.

“Als performer erken je de aanwezigheid van het publiek, de wenende baby, de sirene van de voorbijrijdende ambulance.”

Openluchttheater genereert vaker een ‘literal mode of presence’, een open houding ten aanzien van jezelf, de omgeving en al haar onverwachte elementen. Als performer erken je dat je plots moet niezen; je erkent de kunstmatigheid van de situatie waarin je je bevindt, de aanwezigheid van het publiek, de wenende baby, de sirene van de voorbijrijdende ambulance. Sommige straattheaterartiesten bewonderde ik om het virtuoze vermogen waarmee ze konden inspelen op de omringende gebeurtenissen: de schaduw van een wolk die over het plein trok, de reflectie van de zon op een attribuut of andere toevalstreffers. Het indrukwekkendst was zo’n twist natuurlijk wanneer die iets wezenlijks toevoegde aan de voorstelling zelf. Als performer heb je er een ‘perifere blik’ voor nodig, zoals het dier die heeft wanneer het als het ware met één oog zijn maaltijd verorbert, terwijl met het andere de omgeving in de gaten houdt om niet zelf opgegeten te worden.

Ik stel me de interactie tussen voorstelling en locatie voor als een co-creatie. Je zou bijvoorbeeld bewust ruimtelijke linken kunnen leggen tussen de choreografie en de omringende architectuur; je weet dat de kerkklok elk kwartier wordt geluid en je kunt daarop inspelen; aan de overkant van de straat staat vaak een groepje jongeren en je probeert die te betrekken, … Net als het leven van de (semi)publieke ruimtes zelf is je voorstelling tot op zekere hoogte een vorm van gestructureerde improvisatie: een combinatie van voorgeschreven structuren en gesitueerde reacties. Het kan lijken alsof je voorstelling even in de ruimte en tijd van die specifieke plaats opgaat, of dat ze die tijd en ruimte net even onderbreekt.

Ook in de relatie tussen publiek en vertoning tekenen zich interessante pistes af. Extra muros is een grote diversiteit aan kijkopstellingen mogelijk: frontaal, bifrontaal, circulair, semicirculair, deambulatoir, … Openluchttheater laat eveneens verschillende vormen en graden van publieksparticipatie toe, aangezien er geen strakke scheiding is tussen ‘toneel’ en ‘auditorium’. Toeschouwers kunnen mee zichtbaar deel worden van een scène. Ze kunnen (maar hoeven niet per se!) op heel wat verschillende manieren mee ‘doen’. Ook na de eigenlijke voorstelling kunnen gemakkelijker gesprekken ontstaan tussen kunstenaars en publiek.

Maken voor openlucht

Let op, deze tekst is geen pleidooi tégen de theaterzaal. De technische mogelijkheden ervan en onverdeelde focus die ze kan voortbrengen, zijn vanzelfsprekend bijzonder waardevol, zaken die we extra koesteren nu al die schouwburgen en black boxes dicht zijn voor het publiek. Na mijn locatievoorstelling Screws (2019) koos ik met Through the Grapevine (2020) trouwens zelf opnieuw voor de theaterzaal.

Through the grapevine © Bart Grietens

Binnen mijn artistieke praktijk ontwikkelt elke voorstelling eigenlijk haar eigen ruimtelijke logica. Je zou in dat opzicht kunnen stellen dat ook de theaterzaalproducties die ik maak tot op zekere hoogte ‘site-specific’ zijn. Bij Screws nemen we het publiek mee in een parcours van vijf microperformances, korte solo’s of groepsvertoningen die gebouwd zijn rond de kinetische mogelijkheden van voorwerpen als een bowlingbal, ijsstijgers of ‘neoyogi suspension boots’. Toeschouwers wandelen van de ene locatie naar de andere. Bij elke microperformance ontstaat min of meer organisch een andere publieksopstelling en daardoor een ander kijkdispositief: nu eens circulair, dan weer bifrontaal, dichterbij en veraf, … We spelen op de meest uiteenlopende locaties, nu eens binnen, dan weer buiten. Met het laatste deel eindigen we steeds op of net naast een publieke doorgangsplek, waar ook de toevallige passant een kwartiertje dans kan aanschouwen.

Through the Grapevine is dan weer een pseudosymmetrische pas de deux met een hyperfrontale publieksopstelling. Doorgaans verkies ik een vlakkevloertheater omwille van het nauwere contact met het publiek en de ‘inferieure positie’ waar ik het hierboven al over had. De scenografie van deze specifieke voorstelling bestaat uit een witte dansvloer die als een trapezium die naar een vluchtpunt loopt. Hij doet wat denken aan de perspectivische ruimtelijkheid in een schilderij, en komt beter tot zijn recht in een theater met een verhoogd speelvlak, plus een auditorium met convergerende zichtlijnen (met in het centrum de symmetrieas van het koninklijke kijkperspectief). Een klassieke schouwburg dus.

“Te vaak zien we louter vertalingen van zaalvoorstellingen naar buitenlocaties. Ik zie meestal zaaltheater minus de theaterzaal.”

Mijn pleidooi is er meer een voor het maken voor openlucht. Te vaak, en zeker in tijden van Covid-19, zien we louter vertalingen van zaalvoorstellingen naar buitenlocaties. Ik zie meestal zaaltheater minus de theaterzaal. Terwijl openluchttheater zoveel mogelijkheden in zich draagt. Niet enkel artistieke, ook populariserende.

Een grotere aanwezigheid van podiumkunsten in (semi)publieke ruimtes kan ons ten slotte helpen om uit onze sociale bubbel te breken en meer mensen te bereiken. Covid-19 dreigde het voorbije jaar de exclusiviteit van theater nog te verhogen, vanwege de verlaagde publiekscapaciteit in de theaterzalen. Zonder afbreuk te doen aan de complexiteit van het artistiek-fysieke onderzoek, probeer ik mijn werk altijd aan een zo breed mogelijk publiek te tonen. ‘Populair’ en ‘artistiek uitdagend’ hoeven elkaar niet uit te sluiten, dat heeft de cinema ons al meermaals bewezen. Je zou kunnen zeggen dat ik me met zo’n visie inschrijf in een bildungsideaal dat ook politici als Eric Antonis of Bert Anciaux elk op hun manier uitdroegen. Het is een ideaal dat al een tijdlang steeds meer onder druk staat door opeenvolgende besparingen op cultuur en de rol van cultuur in het onderwijs.

1Power, C. (2008). Presence in Play: A Critique of Theories of Presence in the Theatre. Amsterdam: Editions Rodopi.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

artikel
Leestijd 6 — 9 minuten

#162

01.12.2020

14.03.2021

Alexander Vantournhout

Alexander Vantournhout (°1989) studeerde hedendaagse dans aan de Brusselse PARTS (Performing Arts Research and Training Studios) en single wheel in ESAC (Ecole Supérieure des Arts du Cirque) in Brussel. Hij is actief in binnen- en buitenland als choreograaf, circograaf en danser. 

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!