V.l.n.r.: Ton Lutz – Rudi Van Vlaenderen – Hetty Verhoogt – Alex van Royen (“Thyestes”, Toneel Vandaag) – Foto Pic

Wim De Mont

Leestijd 8 — 11 minuten

Alex Van Royen 

De bijna utopische perfectie zoekend

N.a.v. het overlijden van Alex Van Royen vroegen we drie mensen die hem van dichtbij hebben gekend, Marc Didden, Ivo Van Hove en Franz Marijen ‘iets’ te schrijven, een herinnering aan Van Royen. Dit werd aangevuld met een kort overzicht van Van Royens loopbaan in het theater.

Halverwege de vakantieperiode overleed acteur en theaterdocent Alex Van Royen. Men vond hem, dood, bij hem thuis in een zetel. Van Royen was 57, maar leed al een tijdlang aan een hartziekte.

Van Royen was afkomstig van Herentals, waar hij al in zijn collegetijd opviel vanwege zijn theatertalent. Hij kreeg er trouwens les in toneel- en voordrachtkunst van Ast Fonteyne. Hij studeerde dan rechten aan de K.U. Leuven en volgde tegelijkertijd de toneelafdeling van het Gentse conservatorium, waar o.a. dezelfde Ast Fonteyne doceerde. In Leuven richtte Van Royen een studententoneelgroep op.

In 1954 krijgt hij al meteen een rol bij de toen 1 jaar oude Vlaamse Televisie, in 1957 begint zijn periode bij het Nederlands Kamertoneel (NKT), in Antwerpen. Het NKT werd in 1953 opgericht als opvolger van Theater op Zolder (van Tone Brulin). In 1959 wordt Van Royen lid van de directie, naast Denise De Weerdt, Raf Reymen en huisregisseur Lode Verstraete. In 1961 vormen Van Royen, Lode Verstraete en Willy Van Heesvelde de directie. Van Royen blijft er tot 1962-63, met rollen in stukken van Michel De Ghelderode, Frederico Garcia Lorca, Georges Van Vrekhem, Piet Sterckx, Jozef Van Hoeck, Ben Jonson en Ostrowski, met regisseurs Lode Verstraete, Peter Sjarov, Senne Rouffaer, Cas Baas.

Hij gaat dan, eind 62, de boer op met de ‘Vlaamse’ versie van My Fair Lady, een vrije produktie waarin hij de rol van prof. Higgens speelt.

Vanaf 1962 is hij ook verbonden aan het dan net opgerichte Rijksinstituut voor Toneel en Cultuurspreiding, kortweg RITCS (zie Etcetera 14).

In het seizoen 1963 – 64 speelt hij bij het Nederlandse gezelschap Ensemble, in 1964 – 65 wordt dat de Nederlandsche Comedie. Van Royen speelt er in regies van o.a. Cas Baas, Ton Lutz, Walter Tillemans (in De huisleraar van Brecht), Franz Marijnen en Hugo Claus.

Een ‘intermezzo’ is een dubbelrol (‘de Geest van Tantalus’ en ‘een bode’) in Thyestes van Hugo Claus bij Toneel Vandaag, april 1966. Rudi Van Vlaenderen is er directeur, en Hugo Claus maakt zijn debuut als regisseur.

Belangrijk is een brochure die Alex Van Royen samen met Hugo Claus en Carlos Tindemans in april 1968 deed verschijnen: T 68. Dit document reageerde tegen het immobilisme van het toenmalige Vlaamse theater, en stelde een project voor dat het Vlaamse toneel uit de mediocriteit moest halen: de stichting van een professioneel rijksgezelschap, een laboratoriumtheater dat aan acteursvorming zou doen en in workshopvorm allerlei experimenten zou uittesten. Op overheidsniveau werd dit voorstel gekelderd.

In 1970 neemt Van Royen de rol van ‘Georges’ over (van Fons Rademaekers) in Claus’ Vrijdag, door Claus ook geregisseerd; men speelt de voorstelling nog zo’n negentig keer.

Ten gevolge van Aktie Tomaat – een reeks van activiteiten tegen het ‘gevestigde theater’, in de nasleep van mei 68 – wordt de Nederlandsche Comedie ontbonden. Van Royen wordt lid van het Amsterdams Toneel (1971-72), maar speelt geen rol. Het jaar daarop wel, in De vossejacht van alweer Hugo Claus. Amsterdams Toneel wordt Publiekstheater, Van Royen blijft vier jaar lang aan het theater verbonden maar speelt geen rol, omwille van gezondheidsproblemen. Dan wordt hij vanuit de ziekteverzekering op non-actief gezet.

Op 14 oktober 1977 speelt hij wel als gast in het openingsstuk van het Rotterdamse Ro-Theater, waar Franz Marijnen directeur is. Het wordt zijn laatste publieke rol als acteur, in Het huis van Labdakos van Hugo Claus. Franz Marijnen regisseert en Alex van Royen speelt de rol van Laïos. Van dan af was hij enkel nog actief als docent aan het RITCS, waar hij – vergeefs – het leerprogramma trachtte te veranderen.

Wim De Mont

 

Dur’ Alex, Sed Lex

Het jaar heette 1969 en aan de Naamsestraat in Brussel stond nog iets wat op een toneelschool leek. Naast de Ad Valvas werden wekelijks lesroosters uitgehangen waarop de theaterstudent kon vernemen hoe laat en in welk hok hij les zou krijgen van mensen als Jo Dua, Tone Brulin, Carlos Tindemans of Franz Marijnen. De school was nog niet getroffen door de totale bloedloosheid die vandaag nog kan bezichtigd worden op het aangezicht van directeur Denayer (een boef met even weinig visie als talent) en in de wandelgangen werd nog meer over toneel gesproken dan over diploma’s.

Of over hoe bruin de billen waren in verband met de voor die middag aangekondigde eerste les van Alex Van Royen. Vierdejaars hadden boven de lauwe soep van het studentenrestaurant al homerische verhalen over Van Royen verteld: hoe streng hij was, hoe hard, hoe onrechtvaardig. We moesten één voor één vooraan gaan staan in wat met veel goede wil ‘de toneelzaal’ werd genoemd en er met luide stem vertellen wie we waren en waarom we in godsnaam wel dachten aan het toneel te moeten gaan. Of we onze afwijkingen niet privé konden laten behandelen, zei hij. Een grap? Niemand durfde lachen. Eén jongen had nog een afwijking meer: hij kwam uit Jabbeke. Hij ging trillend voor de klas staan en raasde met bange stem zijn cirriculum af, waarna hij met grote ogen achterin de klas Alex Van Royen zocht, die half in het donker zat. De student wachtte op een oordeel. Het kwam, bulderend: “Ga de poldergrond uit je mond spoelen, en probeer dan nog een keer!” Later zouden we daarop allemaal variaties leren kennen: “Ga op het dak zitten!”, “Word kruidenier!”, “Het leger vraagt vrijwilligers!” en als we het echt te bont maakten gebeurde het niet zelden dat hij de klasdeur achter zich dichttrok en pas een week later opnieuw verscheen, vriendelijk lachend, met drie boeken onder de arm, die we maar eens moesten lezen, het zou ons goed doen.

Wie de eerste stormen doorstond en gratie vond in Alex’ ogen ontdekte een buitengewoon intelligente, buitengewoon gevoelige, buitengewoon pedagogisch onderlegde theaterman die letterlijk alles over had voor de opleiding van jonge mensen die bij zichzelf de ‘afwijking’ ontdekt hadden de spektakelkunst te willen bedrijven. Alex Van Royen heeft mij en vele anderen ongetwijfeld geleerd wat een stuk was, en een scène, en één woord in die scène. Wat een rol was, en een stem. Dat een stem deel van een lijf was, en dat het lijf van een acteur niet tegen maar in een decor moet bewegen. Dat theatermaken niet van acht tot tien gebeurt maar van nul tot vierentwintig. En dat er buiten het theater ook nog een paar andere dingen bestaan. Dames en dure whisky, bijvoorbeeld. En dat Chinezen waar Chinezen komen de beste Chinezen zijn.

Alex Van Royen was geen populair man. Dat wil vertaald zeggen: hij likte geen zolen, hij deelde geen ongemeende complimenten uit, hij heulde niet met politiek krapuul, hij verhuurde zijn talent niet voor een habbekrats aan theaterfabriekjes. Hij noemde minister Van Mechelen in het openbaar “die smeerlap met zijn vlinderdasje”, hij uitte in de klas kritiek op de leiding van het RITCS en stond vaak op Amsterdamse planken, wat door een mindere RITCS-docent in een onbewaakt ogenblik ooit getaxeerd werd als “landverraad”.

Verraad was: het manifest T 68 niet au sérieux nemen (maar het kan nog goed gemaakt worden: wil iemand er een overdruk van maken en op het bureau van de nieuwe dynamische minister leggen? Het is nog altijd geldig). Verraad was: Alex Van Royen in de kou laten staan toen hij in 1977 met een zeer zinnig alternatief kwam voor de volledig vastgeroeste en steriele structuur van het RITCS. Verraad was: geen enkele Vlaamse krant die na het plotse overlijden van Alex Van Royen vorige maand een kwartverslag van een kermiskoers wilde inruimen om tenminste posthuum aan de man te geven waar hij recht op had. Wie na ons komt moet weten dat Alex Van Royen één van de vijf acteurs geweest is die het na-oorlogse Vlaanderen heeft voortgebracht. Dat Alex Van Royen een hele generatie theatermakers in dit land grondig en gunstig beïnvloed heeft, ondanks het RITCS, en dat hij, wie hem bezocht in zijn ruim appartement aan de Mechelsesteenweg te Antwerpen, zo royaal volgoot met Chivas Regal dat hij geen slecht mens kon zijn. Salut, Alex. Merci, Alex.

Marc Didden

 

In Memoriam Alex Van Royen

Les krijgen van Alex Van Royen was oorlog.

Geen tactische oorlog, wel een lijf-aan-lijf-gevecht.

Voortdurend geërgerd, opstandig, uitdagend maar vaak ook zelf gekwetst, zichzelf kwetsend.

Beelden, herinneringen, gemiste kansen.

Mijn angst voor deze man die zoals weinig andere acteurs steeds monumentaal was in elke houding, elke beweging.

Hoe oud hij al was toen hij vijftig was.

Altijd les geven met de vensters open, zomer en winter.

Zijn vaste uitdrukking: “Ze maken je Aziatisch af.”

De rusteloosheid waarmee hij het RITCS wou veranderen.

Huilend in het buffet van Brussel Centraal na een urenlang gesprek over theater.

Hij was ervan bezeten, zijn appartement was een door het theater ingenomen vesting. Ook daar ergernis over de meid die volgens hem de sierobjecten (loodzwaar allemaal) verkeerd terugzette.

Een afspraak om half acht ‘s morgens.

Alex Van Royen liet sporen na.

Ik wou dat ik kon zeggen dat hij mijn leermeester was, maar dat was hij net niet.

Wel bezorgde hij me het mooiste theatermoment dat ik tot vandaag mocht beleven. Het was de namiddag dat hij de geluidsbanden liet horen van Vrijdag van Hugo Claus waarin hij Georges speelde. Elke zin, elke klank met een levensgevaarlijke precisie. Toen wist ik dat in het theater ontroering geprogrammeerd moest worden en dat ik ontroerd kon worden.

Ivo Van Hove

 

Op de top van de citadel…

Stijlvol gekleed, geen geheim makend van zijn gecultiveerde sonore stem, papieren achteloos onder de arm, de acteur Alex Van Royen, lid van de Nederlandsche Comedie, de desolate lokaaltjes van het RITCS omtoverend tot de planken van de Amsterdamse stadsschouwburg, meestal een beetje stuurs alsof dat lesgeven hem allemaal een beetje te veel was, soms verveeld dicterend, meestal boeiend vertellend, nieuwsgierig informerend naar onze interesses, toen al zeer kritisch ten aanzien van de school en het programma. Telkens boeiende uren. Tenslotte stond er iemand uit de praktijk voor ons, en niet de eerste de beste, en dat was (en is) een hoge uitzondering in het RITCS.

Thyestes van Hugo Claus. Een mijlpaal in Vlaanderens theatergeschiedenis. Onze generatie was getuige van het meesterschap van de zijne. Onvergetelijk, zoals ook Rudi Van Vlaenderen en Ton Lutz. Het bodeverhaal uit Thyestes bleef zijn stokpaardje. “Op de top van de citadel is er een gedeelte van het paleis dat naar het zuiden is gericht…” Het dondert nog in mijn hersenen.

Toch werd mij toen iets duidelijk van wat Alex met acteren wou. Hoe hij met tekst omging en hoe hij wou dat wij dat deden. Eindeloze uren, in ons, studenten, de bijna utopische perfectie zoekend, waarbij weinigen hem partij konden bieden, en die hem noodlottig is geworden. Hij wou niet meer spelen, legde vele aanbiedingen naast zich neer, trok zich meer en meer terug. Faalangst. Ik heb lange uren met hem doorgebracht aan het haardvuur in zijn 10-kamer appartement in Antwerpen, intens discussiërend over het fenomeen acteur, dat hij, zelf niet meer spelend, nog meedogenlozer en veeleisender trachtte te omschrijven. Zijn zwaartekracht zat hem niet langer in de weg. De praktijk werd theorie. Soms bitter, soms zeer geboeid en als een inquisiteur naar mijn ervaringen met Grotowski peilend. Dan weer ontspannen, fijnproevend, genietend van een glas wijn, trots op zijn verzameling confitures. Dan weer kankerend op het RITCS, waar zijn plannen voor de opleiding niet au sérieux genomen werden, dan weer over het torpederen van T 68 waarvan hij mede-initiator was. Soms beschaamd romantisch bij zijn favoriete opnames van Michelangelo Benedetti.

Vele jaren later. Nog één keer heb ik hem naar de planken kunnen lokken. De ex-student bood, als theaterdirecteur, zijn ex-leraar (en vriend) een rol aan. Laïos in Het huis van Labdakos van Hugo Claus in Rotterdam. Hij was bang en blij. Met geen van beide gevoelens wist hij raad. Het werd een moeilijke tijd. Hij had gehoopt op een snelle verzoening met de planken. Het is er nooit echt van gekomen. Toch blijft die rol, zijn allerlaatste op het toneel, onvergetelijk. De acteur, de aristocraat, de houding-maniak was er niet meer. Daar zat de mens Van Royen, de onmiddellijke incarnatie van zijn angst, twijfels en zijn toen al tanende hart. Buiten de actie, in een iets te grote jas, met een groot litteken over zijn gelaat, kijkend naar alles wat zich in en om het centrum bewoog en vooral luisterend naar wat er gezegd werd. Onvergetelijke werkelijkheid. We wisten allen dat we hem kwijt waren, de acteur Van Royen. Nu ook de mens. Men vond hem dood in zijn stoel. Ik denk dat ik weet waar en hoe. Long time no see, Alex. Ik gun je een rustige plek. Misschien op de top van de citadel, in een gedeelte van het paleis dat naar het zuiden is gericht…

Franz Marijnen

in memoriam
Leestijd 8 — 11 minuten

Wim De Mont

in memoriam