De Materie – Phia Ménard/Opera Ballet Vlaanderen/Bas Wiegers
Een schurend vooruitgangsdenken
Sébastien Hendrickx
‘Der Revisor’, Düsseldorfer Schauspielhaus © Sebastian Hoppe
Met de ‘kinders’ trok Eric de Kuyper op uitstap naar Düsseldorf. Er werd een tentoonstelling in het filmmuseum bezocht, er werd sushi gegeten. De plat de résistance kwam ’s avonds toen zij in het Schauspielhaus naar een theatervoorstelling gingen kijken. Doel? De ‘kinders’ eens een echte opvoering in een echte schouwburg te laten meemaken.
Het dilemma is gekend: je wilt niet te autoritair zijn, maar je wilt ‘hun’ ook geen kansen ontnemen – terugdenkend aan de eigen kinderjaren: ‘had ik toen maar …’
*
Düsseldorf heeft, naast andere merkwaardigheden, een grote Japanse kolonie. De grootste van Duitsland, zo wordt beweerd. Hier nauw mee verbonden, zijn er heel wat sushibars. Dat maakt het uitstapje voor Victor beslist aantrekkelijk(er).
Het hoofddoel van deze uitstap naar Düsseldorf is echter het bijwonen van een theateropvoering. In het Schauspielhaus. Het leek me namelijk hoog tijd om de ‘kinders’ – ik noem hen nog altijd zo, al zijn het nu twee adolescenten van vijftien (Olivia) en dertien (Victor) – eens een echte opvoering, in een echte schouwburg, te laten meemaken.
Nu hebben tieners die in een (Duits) dorp wonen meer gelegenheid dan stadskinderen om toneel te zien. Althans zo komt het mij voor. Er is altijd wel dat ene min of meer plichtmatige bezoek aan een amateuropvoering waarin een of andere kennis actief is (in dit geval overigens Olivia zelf!). O ja, vroeger, toen ze nog in Nederland op de Vrije School zaten, hadden ze in verschillende schooltheaterproducties meegespeeld. (En toen ze onlangs Dido and Aeneas in de regie van Sasha Waltz op televisie zag, meende Olivia heel wat van de Vrije-School-
euritmieoefeningen in de choreografie te herkennen… Of Sasha Waltz dit zou kunnen waarderen?! Anderzijds zou ze blij mogen zijn dat er nog jongeren met cultuur zijn!)
Dus het verschijnsel theater was hun niet onbekend.
Maar écht professioneel theater, dat kenden ze eigenlijk niet. Nu leek het Düsseldorfer Schauspielhaus mij een gelegenheid te bieden hen met de verschillende facetten van het professionele theaterleven te confronteren. Ook als toeschouwer is het niet onbelangrijk te weten dat je gedrag (verwachtingen, enz.) er anders is dan bij het onderonsje dat het amateurtheater of schooltheater toch altijd enigszins kenmerkt. Olivia had zich daar al enigszins op afgestemd en had mooie laarsjes aangetrokken. Helaas met ongemakkelijke hakken, wat in verband met de eerder vermelde sushi nog problemen zou opleveren.
Helemaal onvoorbereid waren ze ook niet. Ze hadden in Nederland, en zelfs in Londen, al enkele musicals gezien. Nu was de tijd gekomen om hen er op een aangename manier van te overtuigen dat het gesproken toneel – uiteraard op hoog kwalitatief niveau – ook aantrekkelijk kan zijn.
Düsseldorf leek me daarvoor een goede aanzet.
Grote voorzichtigheid was geboden. Ik wilde niet dat ze me later, als ik hen zou herinneren aan hun eerste ‘echte’ theaterervaring, iets zouden vertellen in de aard van: ‘Hamlet? O, ja… Hamlet. Was dat niet dat stuk met die clown die verliefd wordt op zijn zus en zijn moeder in een badkuip verdrinkt?’ De Macbeth van regisseur Jürgen Gosch – een van de topproducties van het gezelschap – leek me om diezelfde reden niet zo adequaat: alle mannelijke acteurs liepen er poedelnaakt de verzen van Shakespeare op te zeggen. Niet dat ik iets heb tegen mannen in hun blootje, maar de beste introductie tot Shakespeares theater leek het me niet echt.
Ik had een paar stukken van het Schauspielhaus gezien, en hun Revisor leek mij nogal geschikt. Het stuk was herleid tot een goed anderhalf uur, en werd zonder pauze gespeeld. De bezetting was meer dan behoorlijk, zo niet hier en daar briljant. En het decor – één grote trap die de immense bühne beheerste – erg clever gebruikt. Het was fris, direct, visueel puntig, en zoals het werd gebracht, bleek het stuk van Gogol in niets verouderd.
Ik liep dus geen al te groot risico… en zij ook niet. Bovendien hadden ze – met heel veel genoegen, want hij behoort tot hun meest geliefde komieken – de filmversie met Danny Kaye gezien (The Inspector General), zodat de plot niet al te vreemd of moeilijk zou overkomen.
Omdat we een ‘uitstapje’ hadden beloofd, dienden verschillende activiteiten naast Der Revisor de dag aantrekkelijk te maken. In het Filmmuseum was er een tentoonstelling rond Karel Valentin. Misschien was dat wel iets? Per definitie willen de ‘kinders’ geen voet meer in een museum zetten. Er zijn te veel trauma’s mee verbonden die, voor een deel, iets met schoolbezoeken te maken hebben. Een museum voor of over film wilden ze – zij het met enige scepsis – nog wel eens proberen. Tot mijn verbazing brachten ze langer dan verwacht door in de afdeling rond de filmgeschiedenis – over twee etages verspreid – en toen ze uiteindelijk bij de etage belandden die gewijd was aan de Valentin-tentoonstelling, werd het museum gesloten.
Het was nog vroeg, en een van de mooiste en warmste dagen van de prille lente, zodat we besloten op ons gemakje naar de sushibar te wandelen. Ik ben geen liefhebber van sushibars, dat geef ik toe. En omdat ik ook op dit vlak geen al te groot risico wilde nemen, had ik vooraf een degelijke studie gemaakt van al wat zich als sushi-eetgelegenheid in het Düsseldorfse aandient. Veel aanbevolen adressen vielen weg omdat ze tot de luxecategorie behoorden of omdat het een feestdag was en ze gesloten waren. Ik had er echter één gevonden die aan alle vereisten leek te voldoen, vlak naast het station, op wandelafstand dus. De Grafenberger Allee bevond zich inderdaad vlak naast het station. Daar had ik de sushibar logischerwijze gesitueerd, want in die omgeving is er een soort Japanse buurt. En, uiteraard, naast het station begon de Allee. Waar die eindigde, was allesbehalve in de omgeving van het Hauptbahnhof. We telden de huisnummers, die zich traag aan elkaar regen. Ze wilden maar niet opschieten. Of we toch niet liever een bus zouden nemen? Maar er was geen bus te zien. En als er één, dan twee, dan drie langskwamen, waren we net niet aan de halte. Beslist waren we er nu toch snel? Van wandelen was geen sprake meer. De tijd vloog voorbij en het schouwburguur mocht niet uit het oog worden verloren. Iedereen had last van de hitte – was dat nu lenteweer, het leek wel volle zomer! Olivia stapte manmoedig en zonder te klagen op haar te hoge hakken. Eindelijk vonden we dan onze bar, in een buurt die Düsseltal heette. Waarom een van de beste, goedkoopste en meest authentieke sushibars zich in deze buurt had gevestigd? Nu ja, aan de overkant bevond zich een Italiaan… De sushi’s dienden snel besteld en snel geserveerd en er was geen sprake van een uitgebreid maal. De tijd drong. De Japanse snufjes werden gewaardeerd, en de kinderen vonden het bijzonder grappig dat ik bij de bestelling de kelner – die er helemaal niet uitzag als een Japanner, maar als een Duitse jobstudent – gevraagd had: ‘Sprechen Sie Deutsch?’ Na te hebben afgerekend, vonden we het met zijn allen een goed idee om een taxi te bestellen om zo nog op tijd de opvoering te kunnen bijwonen.
*
De opvoering viel in de smaak. Jammer genoeg was de zaal niet voldoende bezet, zodat niet alle komische effecten konden worden gewaardeerd zoals het hoort.
Op mijn vraag of ze het stuk ‘actueel’ vond, kon Olivia geen antwoord vinden. Ja, het had haar best bevallen. Ik besefte dat ze niet wist wat door ‘actueel’ bedoeld werd: immers, een theateropvoering is toch live, alles gebeurt daar voor je ogen? Dat het stuk van Gogol uit een andere tijd kwam, probeerde ik haar uit te leggen. En omdat de eerste helft van de negentiende eeuw haar vermoedelijk weinig zou zeggen, plaatste ik Der Revisor zo maar naast… Jane Austen. Ze had een paar van haar romans gelezen, en één of twee films gezien. Dat bracht haar duidelijk in de war. Waarom speelden ze het dan niet in historische kostuums? Bij film speelt men iets wat zich ten tijde van de Romeinen afspeelt toch ook niet in hedendaagse kleding? Nu was de aankleding van deze Revisor niet bepaald hedendaags. Eerder wat tegenwoordig gebruikelijk is: aangepaste, neutrale, tijdloze (?) kostuums. Dat begreep ze niet. (Een tijdje later, toen we naar een operaopvoering gingen in Essen, vroeg ze mij of het weer in hedendaagse kostuums zou zijn. Dat stoorde haar. Waarom werd dat gedaan? Ik probeerde haar uit te leggen dat de theatermakers ervan overtuigd waren dat ze op die manier ook jongere mensen beter konden aanspreken. ‘Onzin’, vond ze.)
Elke opvoering is een actualisering van ‘dode stof’. Van het theatrale erfgoed dat min of meer aanhoudend te zien is. Ja, dat is voor mij toch een van de grote en unieke ervaringen van het toneel. Museaal? In wat is het museum een anachronisme? Is niet elk museumbezoek ook de actuele confrontatie van de bezoeker die ik ben met de geschiedenis van de kunst die daar nu voor mij, bezoeker, aanwezig wordt gesteld?
Het decor werd geloofd: een – zoals gezegd – immense trap die de hele oppervlakte van de bühne (zowel in de breedte als in de hoogte) vulde, vervaardigd uit hetzelfde soort (edel?) hout als de toneelopening en de wanden van de zaal. Met helemaal boven aan de trap een klein deurtje (de enige toegang) waaruit de personages als het ware opsprongen. Als in een poppenkast. Op de treden werd er druk heen en weer gelopen, gerend, gezeten,… Ik probeerde de paradoxale dubbele werking te verduidelijken: de trap maakte het enigszins mogelijk dat de acteurs op een erg natuurlijke wijze onnatuurlijk konden spelen. Want op een trap beweeg je je niet normaal als je snel en voortdurend op- en afloopt, tegen elkaar botst, rent, struikelt, gaat zitten of liggen, enzovoort. Het waren allemaal erg onnatuurlijke bewegingen, door de trap veroorzaakt en door die trap op een vanzelfsprekende manier verantwoord. Een speelstijl die volledig bij het stuk paste: een gekke toestand geloofwaardig maken en tegelijk een heel erg gebruikelijke situatie – de corruptie in een kleine gemeenschap – tot in het groteske voortrekken. (Ik geloof niet dat ik hierbij het woord ‘grotesk’ gebruikte.) Maar het feit dat die onnatuurlijke bewegingen op een trap plaatsvonden, maakte het uiteindelijk allemaal vanzelfsprekend en ‘natuurlijk’. Ja, dat was mooi geweest, en af en toe zelfs indrukwekkend, toen het er allemaal erg acrobatisch aan toe ging, zoals aan het slot, wanneer een van de figuren de hele trap, van boven tot onder, afdondert. Over Meyerhold zal ik het later met hen hebben. Als ze iets ouder zijn!
*
Veel moeilijker was het om uit te leggen wat een ‘repertoiretheater’, zoals in dit geval het Düsseldorfer Schauspielhaus, in feite is. Dat bijvoorbeeld dat immense decor morgen plaats zou ruimen voor een ander, want dan speelde men er een stuk van Dürrenmatt; dat het gisteren om Shakespeare ging; en dat er op die manier de hele maand door, van dag tot dag, een ander stuk te zien zou zijn. (‘Zoals op televisie?’ – ‘Ja, zo’n beetje… maar dan “echt”.’) Telkens gebracht door dezelfde groep acteurs, het ensemble. En dat die ene actrice die vandaag in Der Revisor speelde, morgen de ‘oude dame’ van Dürrenmatt zou zijn, en gisteren Lady Macbeth was. Zo gelijktijdig met drie of meer verschillende personages en rollen bezig zijn. En overdag aan een nieuw hedendaags Duits stuk repeteren. En zo maand in, maand uit.
Wat dat allemaal betekent, en vooral de draagkracht ervan, konden de kinders evenmin begrijpen als… vrees ik, mijn lezers. Immers, buiten Duitsland is het repertoiretheater zo goed als onbestaande. (Repertoire betekent bij ons niet veel meer dan: stukken uit de theatergeschiedenis die niet zo vaak worden opgevoerd, ten tonele brengen.) Het is een systeem dat in alle Duitse stadstheaters – en operahuizen – gebruikelijk is. Hoe lang nog? Dat kun je je afvragen. Een paar jaar geleden dacht men eraan het systeem van het repertoiretheater als Unescocultuurerfgoed voor te stellen. Niet zo’n gek idee, lijkt mij. In Düsseldorf worden zo’n twintig premières per seizoen gespeeld, waarvan acht creaties. Daarbij komen zestien stukken uit de vorige seizoenen. Per maand zijn dat – ik neem als voorbeeld december 2008 – afwisselend zestien stukken die op het grote of kleine toneel te zien zijn. Daarbij komt dan ook nog eens het jeugdtoneel… Repertoire beperkt zich overigens niet tot de zogenaamde klassieke stukken. Die zijn er, uiteraard, maar er is bijvoorbeeld ook Rimini Protokoll – dat regelmatig in Düsseldorf speelt – of Luk Perceval, met een speciaal project: Düsseldorf mon amour. Het behoort allemaal tot het repertoire. Het is een productiesysteem. Zoiets kan enkel als er een groot gezelschap ter beschikking is: een dertigtal vaste acteurs in het ensemble, aangevuld met een twintigtal gasten. Met daarnaast de infrastructuur die zo’n productiemachine op gang houdt.
*
Om te kunnen beseffen wat zo’n repertoirestadstheater betekent, hadden de kinders in een grote of middelgrote Duitse (of Zwitserse of Oostenrijkse) stad moeten wonen…
Stel je voor, elke avond loopt er in je schouwburg een stuk uit het wereldrepertoire. Door een soort toeval (nu ja, door middel van wat programmering wordt genoemd) uitverkozen. Zomaar kunnen ronddolen in het theaterrepertoire, er af en toe iets uitpikken. Wat een gevoel van luxe… Die waaier, die constante aanwezigheid van het theater door de eeuwen heen. Virtueel aanwezig, en dan geactualiseerd op de avond waarop je beslist om een opvoering te gaan zien. Dat is tenslotte wat voor mij het unieke van het theater uitmaakt: dat trillende gevoel dat de geschiedenis – een facet ervan, een fragment eruit – leeft en herleeft, dáár, vanavond, op het podium. Het is een prikkelend gevoel om met ‘geschiedenis’ om te gaan, en te ervaren dat die historische dimensie in elke opvoering opnieuw wordt geactualiseerd. Gewoonweg door het feit dat het stuk… wordt opgevoerd. Daar hoeft geen extra inspanning van actualisering aan toegevoegd te worden. Het kan, maar het hoeft in wezen niet, want elke opvoering is een actualisering van ‘dode stof’. Van het theatrale erfgoed dat min of meer aanhoudend te zien is. Ja, dat is voor mij toch een van de grote en unieke ervaringen van het toneel. Museaal? In wat is het museum een anachronisme? Is niet elk museumbezoek ook de actuele confrontatie van de bezoeker die ik ben met de geschiedenis van de kunst die daar nu voor mij, bezoeker, aanwezig wordt gesteld? Neen, museaal dient van haar pejoratieve connotatie bevrijd.
*
De koning sterft van Ionesco is museaal, lees ik bij Geert Sels. Neen, het is een slecht stuk van een overschat auteur. Het was toen, enkele decennia geleden, al slecht! In dit geval: vergeten dan maar.
*
Na de opvoering bleek dat we allemaal nog trek hadden om iets te eten. Sushi’s zijn niet zo voedzaam. (Het verbaast me dan ook altijd dat Victor, die uitgerekend op dat vlak onverzadigbaar is, zo’n sushifan is!). Onderweg naar onze auto zochten we een eetgelegenheid die aan onze specifieke behoeften zou voldoen. In de Altstadt ging ik liever niet met hen; ik houd niet zo van biertenten. Nog minder op feestdagen en bij mooi weer! Bovendien waren ze ooit eens – het was in Gelsenkirchen – erg gechoqueerd geweest toen we met hen in een Kneipe wilden gaan eten. Neen hoor, in een Kneipe ging ‘men’ niet! Nochtans leek ons, volwassenen, die eetgelegenheid erg fatsoenlijk…
Dan, op een rustig pleintje, een terrasje gevonden. Hier geen Duitse schlagers maar exotische Latijns-Amerikaanse tonen, afkomstig van een liveband die zich tussen het terras en het restaurant had opgesteld. De paar musici werden omringd door dansende en uiterst lichtgeklede schoonheden, die perfect bij de muziek pasten. Of ze bij de band hoorden of klanten waren, was niet duidelijk. Ik hield het schouwspel met één oog in de gaten: de kinders zaten er met de rug naartoe gekeerd. ‘Of we niet in een soort bordeel terecht waren gekomen?’ fluisterde ik hun vader in het oor. Hij stelde mij gerust. ‘Neen, het is een gewoon restaurant, daar binnenin.’ Achteraan, ja, maar tussen de beide, op de drempel, ging het er zwoel en luchtig aan toe. Victor genoot intussen van zijn tweede cola, en had best nog een ijsje gelust. Olivia zat daar als een prinses en snoof op de sambatonen die achter haar weerklonken wellustig de geneugten van de grote stad op.
Op de kwestie van de actualisering kom ik nog terug in een artikel geschreven voor de te verschijnen publicatie 111 jaar Koninklijk Conservatorium Antwerpen.
KRIJG JE GRAAG ONS PAPIEREN MAGAZINE IN JOUW BRIEVENBUS? NEEM DAN EEN ABONNEMENT.
REGELMATIG ONZE NIEUWSTE ARTIKELS IN JOUW INBOX?
SCHRIJF JE IN OP ONZE NIEUWSBRIEF.
JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.