© Studio Dennis Vanderbroeck

Leestijd 5 — 8 minuten

A Masterpiece: Or at least a brave attempt – Dennis Vanderbroeck/Het Zuidelijk Toneel

Vechten tegen het vergeten

De Nederlander Dennis Vanderbroeck kennen we vooral als scenograaf en als het creatieve brein achter modeshows van Dior, Diesel en Calvin Klein. In zijn nieuwe solo A masterpiece: or at least a brave attempt gaat hij in dialoog met zijn vader die aan jongdementie lijdt en zijn helden uit de performancekunst. Het levert een voorstelling op die je esthetisch door een ringetje kan halen, maar ondanks het persoonlijke thema weinig beklijft.

Voor een oranje lichtbak ligt Vanderbroeck, in een witte balletmaillot, languit op de grond. Zijn benen trillen terwijl hij zich stug op zijn zij draait, zijn vingers verkrampen tot klauwtjes. Elke beweging lijkt pijn te doen, rechtstaan lukt niet. Uit de boxen klinkt een vreemd zaaggeluid dat met een droog klikje af en toe stopt en weer begint. De koude, technische kwaliteit ervan steekt schril af tegen de fragiliteit van Vanderbroecks uitgetelde lichaam. Spontaan moet ik denken aan een vrouw met Parkinson die me ooit vertelde hoe ze elke ochtend haar versteende vingers één voor één uit elkaar moet ‘pellen’ om uit bed te geraken. Voor hoeveel mensen is het eigen lichaam geen veilige huls meer maar een vijand die hen van binnenuit kapot maakt?

Dat lijkt ook voor Marco Vanderbroeck, Dennis’ vader, het geval. Op zijn 61e werd hij gediagnosticeerd met jongdementie en opgenomen in een verzorgingstehuis. Het is een lot dat je niemand toewenst, toch klinkt uit de gesprekken die Dennis met Marco opnam, en die we in de voorstelling horen, weinig fatalisme. Ja, zijn taalvermogen laat hem in deze ‘perforance’ (‘of hoe noem je dat ook alweer?’) af en toe in de steek maar voorts kijkt deze man naar eigen zeggen ‘altijd vooruit, naar de zon’.

Hoe communiceer je met iemand die steeds meer gaten in zijn geheugen krijgt en stilaan zal vervagen tot een schim van zichzelf? Vanderbroeck zocht zijn toevlucht tot de vermeende universele taal waaraan hij zijn leven heeft gewijd. Tijdens de pandemie verzamelde hij een reeks iconische performances en legde hij screenshots ervan voor aan zijn vader. Op zijn beurt probeert die ze te beschrijven en te begrijpen, al gaat dat moeizaam. ‘Is dit nu kunst?’ vraagt Marco zich af terwijl hij een still uit Chris Burdens Shoot (1971) voorgeschoteld krijgt – althans, dat vermoeden we, want Vanderbroeck geeft nooit zijn bronnen prijs.

“Hoe communiceer je met iemand die steeds meer gaten in zijn geheugen krijgt en stilaan zal vervagen tot een schim van zichzelf?”

Terwijl we Marco’s weifelende stem uit de boxen horen, re-enact Dennis parallel enkele fragmenten. De blauwe flightcase die hij voortduwt herinnert aan het ijsblok dat Francis Alÿs in Paradox of the praxis (1997) urenlang door de straten van Mexico sleepte. Knipogend naar Bruce Naumans Walking in an exaggerated manner around the perimeter of a square (1968) stapt hij plechtig langs een vierkant bestaande uit tl-lampen. Even later hijst hij zichzelf op een ladderliftje de lucht in om vervolgens de leegte in te springen, Yves Klein achterna.

Vanderbroeck, met zijn gespierde gestalte en mooi lichaamsbewustzijn een aantrekkelijke performer, benadert deze meesterwerken met de blik van een choreograaf. Hij stript ze tot het bijna mechanisch-abstracte handelingen zijn, voegt nieuwe, dansante elementen toe, isoleert bepaalde gebaren en breit ze opnieuw aan elkaar tot een mooie maar weinig zeggende choreografie die erg gesloten blijft in haar referentialiteit. Daarmee verdwijnt heel wat van het oorspronkelijke charisma en de betekenis van zijn inspiraties.

Nergens krijgen we bovendien echt vat op de persoonlijke connectie tussen Vanderbroeck – die vrijwel de hele voorstelling zwijgt – en zijn helden, noch welke rol ze spelen in zijn rouwproces of hoe de diagnose van zijn vader een spiegel werd voor zijn eigen angsten. Zo openhartig als Marco vertelt over zijn blik op doodgaan (‘het is een lot’), zo weinig geeft Dennis prijs over de impact van die woorden. Het hele uitgangspunt, een meesterwerk maken dat je van de vergetelheid redt, blijft daardoor onuitgediept.

Die onderkoelde, afstandelijke, bijna cleane aanpak lijkt ook een beetje symptomatisch voor de vorm: als beeldend kunstenaar en scenograaf heeft Vanderbroeck een uitgekiend oog voor esthetiek. De set, die bestaat uit speakers en een reeks blauwe flightcases, ziet eruit als een hippe installatie, een Instagramplaatje op zich. Idem dito voor het knappe lichtontwerp. Maar hoe zorgvuldig ook gekozen, de steeds wisselende constellaties die Vanderbroeck met de kisten maakt – achter de ene zitten showlichten, de andere verbergt een kleerkast – het communiceert allemaal weinig en opent zelden een verbeelding.

Achteraf probeer je een lijn te zoeken in de geciteerde performances. Stuk voor stuk lijken het werken die een soort ‘eros’ vatten, die het leven kristalliseren in één vluchtig moment voor het voorbij is: Klein die op de foto’s van Saut dans le vide (1960) voor eeuwig in de lucht blijft zweven tussen springen en vallen in, Burden die zijn eigen leven in de weegschaal legt wanneer hij aan een vriend vraagt om hem in de schouder te schieten… Daartegenover staat de poëet Alÿs die met zijn beroemde leuze ‘sometimes making something leads to nothing’ de absurde futiliteit van het leven bezingt. Het resoneert mooi met hoe vader Marco de dood heeft aanvaard – ‘als ik van dit stoepje val en ik doe het niet meer, dan is het klaar’ – maar het in de tussentijd zijn taak vindt om er wel ‘iets leuks van te maken’.

Die dramaturgische lijnen spreken echter te weinig uit de voorstelling zelf, zeker voor wie de referenties niet kent – en met de weinige context die je krijgt, is dat voor elke toeschouwer een zoektocht. Het is ook jammer dat A masterpiece nooit echt een duet wordt, al zou je kunnen zeggen dat dat deels te wijten is aan de tragiek van de situatie. Er ontstaat weinig dialoog tussen Marco’s stem en Dennis’ performance, het blijven aparte sporen. Tegelijk voel je dat het opzet wat boven Marco’s hoofd gaat en vraag je je af waarom Dennis zo sterk aan het concept blijft vasthouden.

Toch zit in de poging om die kloof te overbruggen ook iets verbindend, zoals blijkt uit de scène op een instrumentale versie van Tina Turners Simply the best. Terwijl Marco de lyrics verbrokkeld meezingt, haalt Dennis zijn beste showmoves boven. Voor het eerst vinden ze elkaar in een gedeelde liefde. ‘Jij bent mijn meesterwerk,’ zal Marco later zeggen, ‘leuk dat we dit met z’n tweeën doen’. Misschien kan kunst soms ook een middel zijn in plaats van een doel.

JE LEEST ONZE ARTIKELS GRATIS OMDAT WE GELOVEN IN VRIJE, KWALITATIEVE, INCLUSIEVE KUNSTKRITIEK. ALS WE DAT WILLEN BLIJVEN BIEDEN IN DE TOEKOMST, HEBBEN WE OOK JOUW STEUN NODIG! Steun Etcetera.

recensie
Leestijd 5 — 8 minuten

#171

15.03.2023

—

31.05.2023

Charlotte De Somviele

Charlotte De Somviele schrijft over podiumkunst voor De Standaard en is co-hoofdredacteur van Etcetera. Ze schoolde zich de voorbije jaren om tot klinisch psycholoog en werkt nu deeltijds in een psychiatrisch ziekenhuis.

NIEUWSBRIEF

Elke dag geven wij het beste van onszelf voor steengoede podiumkunstkritiek.

Wil jij die rechtstreeks in je mailbox ontvangen? Schrijf je nu in voor onze nieuwsbrief!